Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD5882

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-11-2001
Datum publicatie
20-11-2001
Zaaknummer
AWB 99/949
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/949 13 november 2001

20010

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 20 september 1999.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 20 september 1999, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van zijn op 20 september 1999 genomen beslissing op een klacht, op 19 april 1999 ingediend tegen appellant door C (hierna: klager)

Bij een op 17 november 1999 bij het College ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 29 november 1999 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 2 oktober 2001. Aldaar zijn verschenen betrokkene in persoon en bijgestaan door M.C.M. Arons RA alsmede klager in persoon.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van de raad van tucht, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht gegrond verklaard en aan appellant de maatregel van schriftelijke berisping opgelegd.

4. De middelen van beroep

Appellant heeft - samengevat - tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen voorgedragen.

4.1 De bestreden tuchtbeslissing heeft niet of nauwelijks een verband met de klacht die aan de raad van tucht is voorgelegd. De klacht, zoals geformuleerd in de bestreden tuchtbeslissing, betreft het, zonder opdracht te hebben ontvangen, samenstellen van een onjuiste concept-jaarrekening 1997 terwijl A de onjuistheden behoorde te kennen. In de bestreden beslissing wordt niet gesproken over onjuistheden maar wordt slechts een oordeel gegeven over de opdrachtgever en de eigendomsverhouding van de videotheek.

4.2 De raad van tucht heeft zich onvoldoende verdiept in de feitelijke relatie tussen klager en zijn (ex)-echtgenote. Appellant mocht ook zonder opdracht van klager een jaarrekening 1997 opstellen. Toen de (ex-)echtgenote van klager respectievelijk haar vader in het handelsregister stonden ingeschreven, konden beiden aan appellant opdracht geven tot het opstellen van een jaarrekening 1997. Klager had ten hoogste een administratieve verantwoordelijkheid voor de videotheek terwijl zijn (ex-)echtgenote deze had gefinancierd en ook bevoegd was met betrekking tot de zakelijke bankrekening.

5. De beoordeling

5.1 Met betrekking tot de eerste grief stelt het College het volgende voorop.

Ingevolge artikel 44, lid 1, van de Wet op de Registeraccountants is de beslissing van de raad van tucht aangaande een tegen een registeraccountant gerezen bezwaar op straffe van nietigheid met redenen omkleed. Met de bestreden beslissing wordt geoordeeld dat appellant er onvoldoende blijk van heeft gegeven te hebben gehandeld als een zorgvuldig accountant. Deswege is hem de maatregel van berisping opgelegd. De bestreden beslissing preciseert niet welke gedragsregel appellant heeft geschonden. De bestreden beslissing maakt daarmee niet duidelijk en ondubbelzinnig de redenering van de raad van tucht kenbaar. In dit verband merkt het College op dat het van belang is dat de motivering enerzijds appellant in staat moet stellen zijn rechten te kunnen verdedigen en anderzijds het College in staat moet stellen zijn toezicht uit te oefenen. Met name indien wordt geoordeeld dat een tegen een registeraccountant gerezen bezwaar gegrond is en deswege een maatregel wordt opgelegd is dit van bijzonder belang. Daarbij komt dat kennisneming van de opvattingen van de raad van tucht omtrent beroeps- en vakvraagstukken in het beroepsbelang is.

Met betrekking tot de eerste grief stelt het College voorts vast dat uit het proces verbaal van de zitting van de raad van tucht blijkt dat de voorzitter met instemming van klager als essentie van de klacht, zoals neergelegd in de daaraan voorafgaande schriftelijke stukken van de kant van klager, heeft samengevat dat de gegevens (in de concept-jaarrekening 1997) niet klopten en dat appellant hiervan wist. Onder punt 4 van de bestreden beslissing is de klacht aldus samengevat. Vervolgens heeft de raad van tucht appellant in de beoordeling onder punt 5 van de bestreden beslissing evenwel verweten dat hij de concept-jaarrekening heeft opgesteld voor een persoon van wie hij ten onrechte dacht dat het een cliënt betrof hetgeen kenbaar onjuist was en bovendien dat hij is uitgegaan van een onjuiste eigendomsverhouding van de videotheek wetende dat klager aan appellant te kennen had gegeven zich met de geschetste gang van zaken niet te kunnen verenigen. Aldus is de raad van tucht tot beoordeling van een klacht overgegaan die niet kan worden ontleend aan de bij de raad ingediende klacht zoals deze, met instemming van klager zelf is opgevat en is neergelegd onder 4 van de bestreden beslissing. Evenmin is gebleken dat de raad van tucht aan appellant kennis heeft gegeven dat zij het betreffende bezwaar ambtshalve in behandeling heeft genomen.

De eerste grief treft derhalve doel.

5.2 Op grond van het bovenstaande dient het beroep van appellant gegrond te worden verklaard zonder dat afzonderlijk behandeling van de tweede grief is vereist, en kan de bestreden tuchtbeslissing niet in stand blijven.

5.3 Het College ziet aanleiding om de zaak zelf af te doen en overweegt dienaangaande het volgende.

Het stuk dat naar oordeel van klager onjuistheden bevat terzake waarvan appellant een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt betreft een concept-jaarrekening over 1997. Het stuk draagt de uitdrukkelijke vermelding concept. Deze vermelding is niet te miskennen aangezien zij op iedere bladzijde is aangebracht. Appellant heeft betoogd dat het stuk bedoeld was als "praatstuk" voor partijen. Hij heeft het bij fax van 18 september 1998 ook aan klager, hoewel deze door appellant niet als opdrachtgever werd beschouwd, toegezonden. Door het aanbrengen van de aanduiding "concept" heeft appellant aangegeven dat het stuk voor wijziging vatbaar was en niet gelijkgesteld kan worden met de definitieve jaarrekening over 1997. Dat appellant dit in de procedure voor de raad van tucht en het College heeft aangemerkt als "praatstuk" is hiermee, anders dan klager meent, geenszins in tegenspraak. Dat klager heeft besloten geen opmerkingen te maken omdat hij van oordeel was dat hij door deze wel te maken het risico te lopen de administratieve bescheiden niet terug te krijgen van familie van zijn echtgenote, met wie hij in een echtscheidingsprocedure was verwikkeld, brengt mee dat hij een mogelijkheid tot aanpassing van het concept op de door hem gewenste wijze voorbij heeft laten gaan. Dit brengt mee dat het achterwege blijven van correctie van eventuele onjuistheden in het concept tenminste mede voor zijn rekening komt.

Het College overweegt voorts dat appellant zich bij het opstellen van de concept jaarrekening over 1997 heeft gebaseerd op de financiële administratie welke werd gevoerd door klager. Evenmin is gebleken dat appellant voor dit concept aldus geen deugdelijke grondslag had.

Het College is van oordeel dat de klacht van klager derhalve ongegrond is.

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is, dat de bestreden tuchtbeslissing niet in stand kan blijven en dat de klacht alsnog ongegrond dient te worden verklaard in alle onderdelen die in dit geding aan de orde zijn.

De na te melden beslissing berust op het bepaalde in titel II van de Wet of de Registeraccountants en op artikel 5 en 11 van GBR-1994.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep van appellant gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing;

- verklaart de klacht, zoals weergegeven in onderdeel 4 van de bestreden beslissing, ongegrond.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr M.A. Fierstra en mr F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van

mr drs M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 november 2001.

w.g. B. Verwayen w.g. M.S. Hoppener