Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD5877

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-11-2001
Datum publicatie
20-11-2001
Zaaknummer
AWB 00/757
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/757 14 november 2001

14860

Uitspraak in de zaak van:

de raad van de gemeente Uithoorn, te Uithoorn, appellant,

gemachtigde: P.J. Terwoert, werkzaam bij de gemeente Uithoorn,

tegen

het dagelijks Bestuur van het Regionaal Orgaan Amsterdam, te Amsterdam, verweerder,

gemachtigden: R.J. Smit en D.J. Aulman, beiden werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 19 september 2000 heeft het College een beroepschrift ontvangen van burgemeester en wethouders van Uithoorn waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 april 2000, dat op 3 mei 2000 werd gepubliceerd in het dagblad Het Parool en in het Amsterdams Stadsblad.

Bij dit besluit heeft verweerder de dienstregeling lokaal openbaar vervoer met ingang van 30 mei 2000 tot en met 28 mei 2001 in de gemeente Amsterdam, uit te voeren door het GVB Amsterdam, vastgesteld.

Bij brief van 6 oktober 2000 delen burgemeester en wethouders van Uithoorn mee dat het beroep geacht moet worden te zijn ingesteld namens de gemeenteraad. Op 4 december 2000 ontvangt het College vervolgens afschrift van een besluit van 23 november 2000 van de gemeenteraad van Uithoorn, waarin het instellen van beroep wordt bekrachtigd.

Verweerder heeft op 5 maart 2001 een verweerschrift ingediend.

Op 3 oktober 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden waarbij partijen, bij monde van hun respectieve gemachtigden, hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 7:1 van de Awb luidt als volgt:

" 1. Degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op de administratieve rechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken (…)"

Artikel 65 van de - inmiddels ingetrokken - Wet personenvervoer luidde ten tijde van belang:

" Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven."

Artikel 29 van de Kaderwet bestuur in verandering (de Kaderwet) luidt;

" Indien het bestuur van een in het samenwerkingsgebied liggende gemeente beroep tegen een besluit van het bestuur van een regionaal openbaar lichaam instelt, is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op of omstreeks 30 mei 2000 merkt een inwoner van Uithoorn, dat voor de deur van zijn woning haltebordjes voor buslijn 149 zijn verschenen. De betrokkene vraagt bij de gemeente na wat dit betekent. Naar aanleiding hiervan wordt navraag gedaan en vervolgens stelt men vast dat de nieuwe dienstregeling voor buslijn 149 inmiddels is vastgesteld, zonder dat de gemeente daarover enig bericht heeft ontvangen. Het uitblijven van enig formeel bericht omtrent deze vaststelling verbaast de gemeente, nu zij in de inspraakfase voorafgaand aan de vaststelling van de nieuwe dienstregeling bij de gemeente Amsterdam - alwaar het besluit tot vaststelling van de nieuwe dienstregeling materieel wordt voorbereid - bij brief van 19 augustus 1999 kenbaar heeft gemaakt bedenkingen te hebben ten aanzien van het voornemen de route van lijn 149 te wijzigen.

- Bij brief van 13 juli 2000 maken burgemeester en wethouder van Uithoorn vervolgens bij burgemeester en wethouders van Amsterdam bezwaar tegen de vaststelling van de dienstregeling voor buslijn 149. Een afschrift van dit bezwaarschrift zenden zij aan verweerder.

- Verweerder reageert bij brief van 24 juli 2000 op het in afschrift toegezonden bezwaar en wijst erop dat artikel 29 van de Kaderwet van toepassing is, zodat tegen de vaststelling rechtstreeks beroep bij het College had moeten worden ingesteld.

- Op 19 september 2000 ontvangt het College het beroepschrift van appellant.

- Op 8 februari 2001 deelt de wethouder Verkeer en Vervoer van de gemeente Amsterdam, in reaktie op het bezwaarschrift van 13 juli 2000, aan appellant onder andere mee, dat de inspraakbrief van 19 augustus 1999 nimmer werd ontvangen. Dit is de reden dat vanuit de gemeente Amsterdam geen bericht werd verzonden over de vaststelling van de nieuwe dienstregeling.

3. Het standpunt van verweerder met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep

De op 13 april 2000 door verweerder formeel vastgestelde dienstregeling is op 3 mei 2000, zoals voorgeschreven in artikel 14, vierde lid van de Wet personenvervoer, gepubliceerd in het dagblad het Parool en het Amsterdams Stadsblad. Het beroepschrift had daarom uiterlijk op 14 juni 2000 bij het College moeten worden ingediend. Het - ten onrechte - bij de gemeente Amsterdam ingediende bezwaarschrift dateert van 13 juli 2000 en bevat geen afdoende redengeving voor de niet tijdige indiening. Appellant dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep.

4. Het standpunt van appellant ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep

Het gemeentebestuur van Uithoorn had als inspreker omtrent het voornemen tot routewijziging van buslijn 149 ofwel door de gemeente Amsterdam, ofwel door verweerder formeel geïnformeerd moeten worden over de vaststelling van de nieuwe dienstregeling. Pas naar aanleiding van een vraag van een inwoner van Uithoorn merkte de gemeente dat de dienstregeling was vastgesteld. Vervolgens is - per abuis - bezwaar gemaakt bij de gemeente Amsterdam. Het opstarten van een bezwaarprocedure vergt nu eenmaal tijd.

Van appellant mag niet verwacht worden dat zij kennis neemt van allerlei periodieken om te bezien of daarin een besluit gepubliceerd staat dat voor haar van belang is.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt allereerst vast dat ingevolge het bepaalde bij de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb juncto het bepaalde in artikel 29 van de Kaderwet voor appellant de beroepstermijn eindigde op 14 juni 2000.

Het College ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of gelet op het bepaalde bij artikel 6:11 Awb niet-ontvankelijkverklaring wegens overschrijding van de beroepstermijn achterwege kan blijven, omdat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat appellante terzake in verzuim is geweest. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Op of omstreeks 30 mei 2000 - dus ruim binnen de op 4 mei 2000 aangevangen beroepstermijn - werd de gemeente Uithoorn benaderd door een inwoner van Uithoorn met vragen over plotseling geplaatste haltebordjes voor buslijn 149. Reeds deze informatie had de gemeente alert moeten maken op een mogelijk gewijzigde vaststelling van de dienstregeling van buslijn 149. Toen de gemeente vervolgens uit navraag bleek dat de nieuwe dienstregeling inderdaad was vastgesteld had - en de beroepstermijn inmiddels bijna of wellicht helemaal verstreken was - zo spoedig als mogelijk beroep moeten worden ingesteld. Door pas op 13 juli tot het indienen van een bezwaarschrift over te gaan heeft het gemeentebestuur zeker niet zo spoedig als mogelijk adequaat gereageerd om zijn rechten veilig te stellen.

Aan bespreking van appellants grief dat de gemeente als inspreker ten onrechte niet geïnformeerd werd - wat daar verder ook van zij - komt het College onder deze omstandigheden niet toe.

Appellants stelling dat het opstarten van een beroepsprocedure nu eenmaal veel tijd vergt, leidt niet tot een ander oordeel. Beroepstermijnen gelden ook voor bestuursorganen. Zo nodig kan men pro forma beroep aantekenen in afwachting van de uitkomst van daaropvolgende besluitvormingsprocedures.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep nietontvankelijk dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr C.J. Borman en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 november 2001.

w.g. D. Roemers w.g. F.W. du Marchie Sarvaas