Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD5581

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-11-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
AWB 00/874
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/874 6 november 2001

27366

Uitspraak in de zaak van:

Gemeente Moerdijk, te Zevenbergen, appellante,

gemachtigden: G. Hanegraaf en W.J.G.M. de Rijck,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr C.N. Gajadhar en mr R.E. Groenewold, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 3 november 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 september 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie in het kader van de Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren (Stcrt. 1998, nr 46, hierna: de Subsidieregeling).

Verweerder heeft op 5 februari 2001 een verweerschrift ingediend.

Op 25 september 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Subsidieregeling is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 2

1. De Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan:

(…)

- een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, niet zijnde de staat;

(…)

4. Geen subsidie wordt verstrekt:

a. indien de aanvrager voor de indiening van de aanvraag ter zake van de koop van de voorzieningen waarop de aanvraag betrekking heeft verplichtingen heeft aangegaan;

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 29 juli 1998 is een aannemingsovereenkomst tot stand gekomen tussen appellante als opdrachtgever en Pellikaan Bouwbedrijf B.V. (hierna: Pellikaan) als aannemer. Deze overeenkomst behelst het uitvoeren van bouwkundige en installatietechnische werken betreffende de nieuwbouw van een nevenvestiging van het Markland College te Zevenbergen. De uit te voeren werkzaamheden zijn nader omschreven in artikel 1.7 van de overeenkomst, waarin wordt verwezen naar diverse bestekken.

- Artikel 1.3 van de overeenkomst bepaalt dat de opdrachtgever te allen tijde de hem goeddunkende wijzigingen in het werk mag aanbrengen en dat hij de aannemer mag opdragen enig deel van het werk niet uit te voeren, te verminderen in omvang of kwaliteit, dan wel extra werkzaamheden uit te voeren.

- Bij daartoe bestemd formulier, ondertekend op 2 februari 1999 en door verweerder ontvangen op 3 februari 1999, heeft appellante een aanvraag bij verweerder ingediend ter verkrijging van subsidie in het kader van de Subsidieregeling.

- Bij besluit van 12 april 1999 heeft verweerder de aanvraag gedeeltelijk gehonoreerd. Daarbij heeft hij voor de voorzieningen HR-ketel, weersafhankelijke optimaliseringsregeling en energie-efficiënt verlichtingssysteem een subsidie van in totaal

fl. 14.039,00 toegezegd.

- Bij daartoe bestemd formulier, ondertekend op 1 december 1999, verzonden op 22 december 1999 en door verweerder op 23 december 1999 ontvangen, heeft appellante om vaststelling van de subsidie verzocht.

- Op 22 februari 2000 heeft een ambtelijk contact tussen appellante en verweerder plaatsgevonden. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 6 maart 2000 appellante om toezending van aanvullende gegevens gevraagd. Appellante heeft deze gegevens bij brief van 27 maart 2000 verstrekt.

- Bij besluit van 16 mei 2000 heeft verweerder appellante meegedeeld voor de aangemelde voorzieningen geen subsidie te verlenen. In dit besluit heeft verweerder onder meer het volgende overwogen:

" Op grond van artikel 2, lid 4, onder a van de EINP 1998 wordt geen subsidie verstrekt indien de verplichtingen betreffende de aangemelde voorzieningen zijn aangegaan vóór het indienen van de aanvraag om subsidie.

Op 3 februari 1999 heeft u de aanvraag ingediend. Al op 29 juli 1998 heeft de gemeente Zevenbergen een aannemingsovereenkomst gesloten met Pellikaan Bouwbedrijf BV. De aangemelde voorzieningen zijn in de aannemingsovereenkomst voldoende bepaald. Op dat moment ontstonden er verplichtingen met betrekking tot de HR-ketel, de weersafhankelijke optimaliseringsregeling en het energie-efficiënt verlichtingssysteem. Vanwege de eerder genoemde bepaling moet ik uw aanvraag afwijzen."

- Bij brief van 22 juni 2000 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Op 3 augustus 2000 is appellante op haar bezwaren gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit is onder meer als volgt overwogen en beslist:

" In bezwaar stelt u dat de verplichtingen zijn aangegaan nadat de aanvraag is ingediend. Hiertoe hebt u onder meer aangevoerd dat artikel 1.3 van de aannemingsovereenkomst het mogelijk maakt dat de opdrachtgever de aannemer kan opdragen enig deel van het werk niet uit te voeren. Het voorstaande brengt evenwel niet met zich dat om die reden ter zake van de betreffende bedrijfsmiddelen geen verplichtingen zijn aangegaan. De bepaling dat de opdrachtgever tijdens de uitvoering wijzigingen in het werk mag aanbrengen doet aan het bestaan daarvan immers niet af.

Overigens heeft u tijdens de hoorzitting aangegeven dat er ter zake van de betreffende bedrijfsmiddelen geen wijzigingen hebben plaatsgevonden.

(…)

Ook uw stelling dat er sprake is van een verplichting indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, door de bouwteamvergadering, opdracht wordt gegeven tot de feitelijke aanschaf en plaatsing van de betreffende bedrijfsmiddelen kan geen ander oordeel bewerkstelligen. Een en ander vindt immers plaats op grond van eerdergenoemde aannemingsovereenkomst inclusief bestekken en bijlagen. Uit de stukken die u ter zake heeft verstrekt blijkt dat de betreffende bedrijfsmiddelen naar type, aantal en prijs bepaald waren. Hiervoor verwijs ik naar de calculatielijsten van

23 maart 1998 van Sulzer Infra Nederland B.V. respectievelijk 23 april 1998 van HVL Electrotechniek B.V.

(…)

Op grond van het voorgaande kom ik tot de conclusie dat u verplichtingen bent aangegaan voordat u de subsidie hebt aangevraagd. (…) Ik verklaar uw bezwaar ongegrond."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep - onder meer - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd:

" De stelling dat de verplichting reeds is aangegaan door middel van ondertekening van de overeenkomst met bouwbedrijf Pellikaan BV onderschrijven wij niet.

Op de eerste plaats is het gebruikelijk dat bij het aangaan van een overeenkomst voor de bouw van een zeer groot project in de bestekken wordt aangegeven onder welke voorwaarden het gebouw wordt gerealiseerd. Ook is het gebruikelijk dat tijdens de bouw de subsidie-aanvragen worden gedaan. Immers met het groene licht voor ondertekening van de overeenkomst kunnen de voorbereidingswerkzaamheden worden gestart. Als het bepaalde type niet in de overeenkomst had gestaan konden we ook niet weten waarvoor subsidie aangevraagd had moeten worden.

Zowel de regeling als de toelichting voorzien niet in situaties als hierbovengenoemd. De regeling zegt dat de overeenkomst tussen de aanbieder van het bedrijfsmiddel tot stand moet komen. Met het bouwbedrijf is geen overeenkomst aangegaan tot het aanschaffen van het bedrijfsmiddel. De overeenkomst met Pellikaan BV ziet er op toe dat gebouwd wordt overeenkomstig de gemaakte afspraken, waarbij de overeenkomst er zelfs in voorziet dat de opdrachtgever de aannemer kan opdragen enig deel van het werk niet uit te voeren (artikel 1.3 van de overeenkomst).

De aanschaffingsverplichting over het feitelijke bedrijfsmiddel geschiedt door middel van een overeenkomst met de leverancier. Hij is imers de enige die het middel kan leveren. De overeenkomst met de leverancier is eerst aangegaan nadat de subsidietoezegging is verleend vanwege de minister."

5. De beoordeling van het geschil

Aan de orde is de vraag of verweerder terecht heeft beslist dat appellante vóór de indiening van de aanvraag, ter zake van de koop van de HR-ketel, de weersafhankelijke optimaliseringsregeling en het energie-efficiënte verlichtingssysteem (hierna: de voorzieningen) verplichtingen in de zin van artikel 2, vierde lid, onder a, van de Subsidieregeling heeft aangegaan. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Als niet bestreden staat vast dat appellante op 29 juli 1998 aan Pellikaan opdracht heeft verstrekt tot het uitvoeren van werkzaamheden, waaronder begrepen het aanbrengen van de in geding zijnde voorzieningen. Ook indien het zo zou zijn (de gedingstukken geven hierover geen zekerheid) dat Pellikaan op haar beurt pas nadat op 12 april 1999 de subsidie-aanvraag gedeeltelijk was gehonoreerd de voorzieningen daadwerkelijk bij haar leveranciers heeft gekocht, moet worden aangenomen dat appellante al op 29 juli 1998 met betrekking tot die latere koop verplichtingen heeft aangegaan, als bedoeld in de Subsidie-regeling. Uit de aannemingsovereenkomst kan immers niet worden afgeleid dat daarmee slechts een voorlopige of voorwaardelijke opdracht is gegeven die pas op enig later tijdstip perfect zou worden. Op grond van artikel 1.3 van de overeenkomst kan een dergelijke gevolgtrekking niet worden gemaakt. Dit artikel biedt namelijk wel de grondslag voor aan te brengen wijzigingen in het werk, maar kan niet aldus worden opgevat dat op 29 juli 1998 nog geen verplichtingen, als hiervoor bedoeld, zijn aangegaan of dat dergelijke verplichtingen geacht moeten worden eerst te worden aangegaan wanneer de opdrachtgever geen gebruik maakt van zijn wijzigingsbevoegdheid.

Het argument dat het gebruikelijk is dat pas tijdens de bouw, dus na het verlenen van de opdracht, de subsidie-aanvragen worden gedaan, kan evenmin tot toekenning van subsidie leiden. De Subsidieregeling bepaalt immers dwingend dat geen subsidie wordt verstrekt indien de aanvrager voor de indiening van de aanvraag ter zake van de koop van de voorzieningen waarop de aanvraag betrekking heeft verplichtingen heeft aangegaan. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de aanvrager van subsidie om zich op de hoogte te stellen van de voorwaarden van de betreffende subsidieregeling.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H.C. Cusell en mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 november 2001.

w.g. B. Verwayen w.g. I.K. Rapmund