Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD5577

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-11-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
AWB 00/430
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 00/430 7 november 2001

4284

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

het Productschap Tuinbouw, te Zoetermeer, verweerder,

gemachtigde: D.R. Schakel, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 24 mei 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 12 april 2000.

Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de hem door verweerder bij aanslag van

30 november 1999 opgelegde bijzondere heffing over het jaar 1999.

Verweerder heeft op 21 december 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 18 oktober 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Verweerder heeft zich bij deze gelegenheid doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Appellant is niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Ingevolge de Verordening PT bijzonder heffing 1998 is een ondernemer (gedefinieerd als degene, die een onderneming drijft, waarvoor het productschap is ingesteld) aan verweerder een heffing verschuldigd voor - voorzover hier van belang - iedere hectare cultuurgrond in gebruik voor de teelt in open grond van appelen en peren. Genoemde heffing bedraagt voor het jaar 1999 f 151,05 per hectare voor appelen en f 182,86 per hectare voor peren.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van genoemde verordening vindt de berekening van een heffing plaats op basis van de door de ondernemer aan het productschap ingevolge de bij of krachtens de Verordening registratie ondernemingen 1997 verstrekte gegevens.

Bij de Verordening PT Registratie en verstrekking van gegevens 1997 is bepaald, dat de ondernemer verplicht is desgevraagd de in dat artikel genoemde gegevens te verstrekken.

In het tweede lid van artikel 4 van die verordening wordt bepaald dat de gegevens aan het productschap verstrekt dienen te worden door middel van het landbouwtellingsformulier. Dit formulier wordt, aldus het derde lid, door LASER aan de ondernemer verstrekt en dient na invulling en ondertekening door de ondernemer bij LASER te worden ingediend.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op basis van de door appellant op het formulier voor de landbouwtelling 1999 (meitelling) opgegeven gegevens heeft verweerder hem bij aanslag, gedateerd 30 november 1999 - doch naar op grond van verweerders uiteenzetting in zijn brief van 5 oktober 2001 mag worden aangenomen rond 26 november 1999 verzonden - een heffing opgelegd op de grondslag van 2,13 hectare appelen en 9,16 hectare peren tot een totaalbedrag van fl. 1991,23.

- Bij schrijven, gedateerd 29 november 1999, door verweerder ontvangen op 2 december 1999, heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Appellant heeft daarbij aangevoerd het onjuist te achten, dat hem over 1999 een heffing werd opgelegd, terwijl het bezwaar over het jaar 1998 nog niet was afgedaan.

Daarnaast heeft appellant uiteengezet geen vertrouwen te hebben in het productschap en zich in het bestuur daarvan niet vertegenwoordigd te weten, terwijl hij tenslotte heeft aangegeven geen profijt te hebben van de werkzaamheden van het productschap.

- Bij schrijven van 25 januari 2000 heeft appellant aangegeven niet akkoord te gaan met verdaging van de beslissing op zijn bezwaarschrift.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - samengevat - het volgende in.

Verweerder geeft allereerst aan appellant niet in de gelegenheid te hebben gesteld om op zijn bezwaar te worden gehoord, omdat het bezwaar als kennelijk ongegrond werd beschouwd.

Daarnaast zet verweerder plaats en functie van zijn productschap kort uiteen, waarbij hij onder andere een vergelijking maakt met andere publiekrechtelijke organen als provincie en waterschap.

Hij wijst erop, dat appellant ingevolge de Registratieverordening en de Landbouwwet verplicht is het landbouwtellingsformulier naar waarheid in te vullen en dat op basis daarvan de heffing is opgelegd en berekend.

Tenslotte geeft verweerder in het bestreden besluit aan dat het voor de verschuldigdheid van de heffing niet van belang is of appellant individueel profijt heeft van de algemene belangenbehartiging door zijn productschap.

Desgevraagd heeft verweerder bij schrijven aan het College van 5 oktober 2001 verklaard, dat de in artikel 2, tweede lid, van de Verordening PT Bijzondere heffing 1998 genoemde Verordening PT registratie ondernemingen 1997 niet bestaat. Bedoeld is de Verordening PT registratie en verstrekking van gegevens 1997. Inmiddels is deze foute vermelding bij de nieuwe verordening hersteld.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Hij meent als burger recht te hebben gehoord te worden door degene die op zijn bezwaarschrift een beslissing neemt. Voorts beklaagt hij zich over de termijn van behandeling van zijn bezwaarschrift, terwijl hij uitdrukkelijk niet akkoord gegaan is met verdaging van de beslissing.

Daarnaast handhaaft hij zijn bezwaren en voegt daaraan toe, dat het Productschap vanwege het ontbreken van vrije verkiezingen niet met provincies of waterschappen vergeleken kan worden.

Appellant beklaagt zich erover, dat de gegevens van de meitelling zonder zijn toestemming door verweerder gebruikt zijn.

5. De beoordeling van het geschil

Tussen partijen is niet in geschil, dat verweerder de aanslag voor de bijzondere heffing conform het bepaalde in de Verordening PT bijzondere heffing 1998 berekend heeft. Ook is op zichzelf niet omstreden dat appellant een onderneming drijft, waarvoor het productschap is ingesteld.

Appellant heeft duidelijk gemaakt op bestaan en functioneren van verweerders productschap geen prijs te stellen.

Gelet op het bepaalde in de Wet op de bedrijfsorganisatie kan appellants zienswijze in deze er niet toe leiden dat hij van betaling van heffingen, opgelegd op grond van artikel 126 van die wet, wordt vrijgesteld.

Volgens vaste jurisprudentie van het College kan ook het feit, dat appellant van de werkzaamheden van het productschap geen voordeel zou hebben, geen grond opleveren om hem van de betalingsverplichting te ontheffen.

Met betrekking tot het feit, dat appellant op zijn bezwaarschrift niet gehoord is, overweegt het College, dat artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) daartoe de mogelijkheid onder meer biedt als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Niet gezegd kan worden, dat verweerder na kennisname van hetgeen appellant aanvoert, niet kon oordelen, dat zulks niet tot vernietiging van de aanslag van 30 november 1999 zou leiden. Bovendien riep het betoog ook geen vragen op, die in een hoorzitting beantwoord hadden kunnen worden.

Het College onderschrijft evenmin appellants stelling, dat de omstandigheid dat verweerder nog niet beslist had op appellants bezwaar tegen de aanslag over 1998, verweerder van verzending van de aanslag over 1999 had moeten weerhouden. Het feit, dat verweerder niet tijdig op een bezwaarschrift beslist, ontheft hem niet van de plicht om conform de Verordening PT bijzondere heffing 1998 aanslagen op te leggen aan de daarvoor in aanmerking komende ondernemingen.

Ook het feit, dat verweerder na het verstrijken van de wettelijk daarvoor gestelde termijn op appellants bezwaar over 1999 beslist heeft, kan niet tot vernietiging van het bestreden besluit aanleiding geven. Als verweerder niet tijdig beslist kan daar in een dergelijk geval beroep tegen ingesteld worden; andere rechtsgevolgen zijn er echter niet aan verbonden.

Tenslotte constateert het College dat het bepaalde in de Verordening PT Registratie en verstrekking van gegevens 1997 ertoe leidt, dat verweerder de gegevens van de landbouwtelling mag gebruiken bij het vaststellen van de aan ondernemers op te leggen heffingen. Het feit, dat deze verordening op onjuiste wijze vermeld is in de Verordening PT bijzondere heffing 1998 doet aan de gelding van de Verordening PT registratie en verstrekking van gegevens 1997 niet af en sluit niet uit dat de aldus verworven gegevens bij de vaststelling van de heffingen worden betrokken.

Al het vorengaande leidt tot het oordeel, dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 november 2001.

w.g. W.E. Doolaard w.g. Th.J. van Gessel