Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD5562

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-11-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
AWB 00/469
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/469 7 november 2001

5135

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A, te B, appellante,

gemachtigde: F. Hanken, te Schoonebeek,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij , te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr M.M.F. Lobles, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 6 juni 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 april 2000, dat op 27 april 2000 werd verzonden.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de afwijking van de aanvraag van appellante op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen ( hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 18 augustus 2000 de beslissing van 25 april 2000 heroverwogen en besloten de bezwaren van appellante alsnog gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Verweerder heeft op 3 oktober 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 29 augustus 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92, zoals nadien gewijzigd, is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 4

(…)

2. a) De steunaanvraag "oppervlakten" mag na de uiterste datum voor de indiening ervan worden gewijzigd op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten de wijzigingen uiterlijk op de data als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van Verordening ( EEG) nr 1765/92 van de Raad ontvangen.

Wat de percelen landbouwgrond betreft mag de steunaanvraag oppervlakten slechts worden gewijzigd in bijzondere gevallen die naar behoren zijn gemotiveerd, zoals met name een overlijden, een huwelijk, aan- of verkoop of de sluiting van een pachtovereenkomst. De lidstaten stellen de desbetreffende voorwaarden vast. (…)

Artikel 5bis

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 4 en 5 kan een steunaanvraag, in geval van een door de bevoegde instantie erkende klaarblijkelijke fout, na de indiening op elk moment worden aangepast."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 10 mei 1999 heeft verweerders uitvoeringsdienst Laser een aanvraag oppervlakten 1999 Algemene-, vereenvoudigde regeling en voederareaal van appellante ontvangen. Op deze aanvraag heeft appellante achter het perceel 6 als gewascode 667 (zwarte braak) en als bijdragecode 999 ( geen bijdrage) ingevuld.

- Bij besluit van 27 november 1999 (verzonden op 13 december 1999) heeft Laser de aanvraag voor akkerbouwsubsidie afgewezen.

- Bij brief van 20 december heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Vervolgens heeft verweerder op 25 april 2000 het bestreden besluit genomen.

- Bij besluit van 18 augustus 2000 heeft verweerder, na heroverweging, besloten het bezwaar van appellante alsnog gedeeltelijk gegrond te verklaren. Verweerder heeft hierbij aan appellante mede gedeeld dat zij recht heeft op een bedrag van fl. 15.870,-- (26.40 ha. 589,75).

- Bij brief van 6 september 2000 heeft appellante meegedeeld het beroep te willen handhaven.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit, zoals gewijzigd na het besluit van 18 augustus 2000 houdt onder meer het volgende in.

" Als producent bent u verantwoordelijk voor het juist invullen van uw eigen aanvraag. De gevolgen van een onjuiste opgave dienen in beginsel voor uw rekening te blijven, behalve in het geval er sprake is van een duidelijke fout. Er is sprake van een duidelijke fout, indien redelijkerwijs is uitgesloten dat ten tijde van de aanvraag die opgave conform uw bedoeling was. Objectief moet derhalve vast staan dat de destijds gedane opgave kennelijk fout was.

Er is sprake van een duidelijke vergissing in de zin van het werkdocument van de Europese Commissie van 18 januari 1999, indien er een tegenstrijdigheid in de aanvraag zit die wijst op een vergissing.

Ik ben van mening, dat in uw geval geen sprake is van een duidelijke fout. Uw aanvraag is als zodanig niet onlogisch, niet onvolledig en consequent ingevuld. Het staat de producent vrij om voor een perceel - waar mogelijk - al dan niet een subsidie aan te vragen. LASER behoefde derhalve geen gerede twijfel te hebben ten aanzien van hetgeen u met met uw aanvraag beoogde.

Uit vorenstaande volgt dat geen sprake is van een duidelijke fout, zodat uw aanvraag niet gewijzigd kan worden. U komt niet in aanmerking voor subsidie voor perceel 6.

Over het besluit d.d. 27 november 1999 (verzonden 16 december 1999). waarbij uw hele aanvraag is afgewezen, merk ik het volgende op.

Om voor subsidie in het kader van de algemene regeling in aanmerking te komen bepaalt artikel 16, eerste lid, van de Regeling juncto artikel 7, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 1635/98 dat de producent 10% van de akkerbouwpercelen waarvoor hij subsidie aanvraagt en van de oppervlakte die hij braaklegt, uit productie moet nemen. Hieruit volgt dat de producent slechts een bepaalde oppervlakte uit productie moet nemen. Niet is vereist dat de producent, om voor subsidie voor akkerbouwgewassen in aanmerking te komen, ook subsidie aanvraagt voor de braakpercelen.

Om voor subsidie voor akkerbouwgewassen in aanmerking te komen is vereist dat de braakpercelen aan de braakvoorwaarden voldoen. Gebleken is dat de perceel 6 aan deze voorwaarden voldoet. U komt voor 26,40 ha. zomergerst in regio 2 in aanmerking voor subsidie."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Aangezien er voor meer dan 18.40 ha akkerbouwsubsidie is aangevraagd is het duidelijk dat appellante voor deelname aan de algemene regeling in aanmerking wenste te komen. Daarvoor geldt als voorwaarde om voor subsidie in aanmerking te komen dat er 10 % akkerbouwgrond braakgelegd moet worden. LASER had derhalve in één oogopslag kunnen begrijpen dat achter het braakperceel 6 de bijdragecode 830 (akkerbouwbijdrage) had moeten worden ingevuld. Het had LASER onmiddellijk duidelijk moeten zijn dat de gebruikte code 999 op een vergissing berustte. Bijgevolg is er wel degelijk sprake van een duidelijke tegenstrijdigheid in de aanvraag.

Daarnaast staat het bedrag dat appellante misloopt door deze vergissing nog steeds in geen verhouding tot de gemaakte fout.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt voorop dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat slechts aan het bezwaar van appellante tegemoet had kunnen worden gekomen, indien door appellante bij de aanvraag oppervlakten een klaarblijkelijke fout is gemaakt. Immers alleen in dit geval is het blijkens artikel 5 bis van Verordening (EEG) nr. 3887/92 ook na afloop van de uiterste indieningsdatum van een aanvraag mogelijk die aanvraag te wijzigen.

Deze dwingend rechtelijke Communautaire bepaling staat er aan in de weg dat verweerder na deze datum op andere gronden een aanvraag wijzigt. Hetgeen appellante heeft aangevoerd, biedt geen grondslag voor het oordeel dat de financiële belangen van de Europese Gemeenschap tot bescherming waarvan een strikte toepassing van deze bepaling strekt, behoren te wijken voor appellants financieel belang. Dat belang had voor haar reden moeten zijn zich vooraf te vergewissen van de juistheid van het door haar ingevulde aanvraagformulier.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft in een werkdocument van 18 januari 1999, VI/7103/98 Rev2-NL, enkele richtsnoeren inzake manifeste fouten in de zin van genoemd artikel 5 bis vastgesteld. Als manifeste fouten worden in dit werkdocument aangemerkt direct in het oog springende fouten en tegenstrijdigheden, die bij een aandachtiger onderzoek van de in de aanvraag verstrekte gegevens geconstateerd worden, alsmede eigenaardigheden, die betrekking hebben op aanduidingen of nummers van percelen of dieren. Benadrukt wordt dat het moet gaan om identificatiefouten. Fouten met betrekking tot de teelt gelden in beginsel niet als duidelijke fouten. Bij verwisseling van percelen zou een uitzondering gemaakt kunnen worden, mits het niet gaat om een perceel, dat wordt gebruikt als braakgrond of met voedergewassen beteelde oppervlakte.

Het College overweegt dat genoemd werkdocument niet is aan te merken als een verordening, een richtlijn of een beschikking in de zin van artikel 249 EG en dat derhalve aan dit werkdocument niet de verbindende kracht toekomt die verweerder hieraan wenst te verbinden. Naar zijn inhoud betreft dit werkdocument bovendien niet een limitatief systeem van mogelijke gronden om wijziging van de aanvraag na de sluitingsdatum toe te laten.

Dit neemt niet weg dat verweerder de bevoegdheid om aan de hand van dit werkdocument en de daaraan voorafgaande, qua strekking vergelijkbare werkdocumenten, binnen de door Verordening (EEG) nr. 3887/92 getrokken grenzen een vaste beleidslijn te ontwikkelen, zeker niet ontzegd kan worden.

Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de "aanvraag oppervlakten 1999 vereenvoudigde regeling en voederareaal" geen tegenstrijdigheden bevat. Immers, verweerder stelt in het gewijzigd besluit van 18 augustus 2000 dat van een producent die voor akkerbouwsteun op grond van de algemene regeling in aanmerking wil komen niet geëist wordt dat hij ook subsidie aanvraagt voor de voor braak opgegeven percelen. Het is voldoende dat de bewuste percelen voldoen aan de voorwaarden voor braak. Uit dien hoofde bestond er voor verweerder geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de opgave van appellante dat zij voor perceel 6 geen bijdrage wenste.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr F.W. du Marchie Sarvaas in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 november 2001.

w.g. D. Roemers w.g. Th. J. van Gessel