Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD5555

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-11-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
AWB 00/494
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 00/494 7 november 2001

5135

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr J. Teigeler, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 13 juni 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 mei 2000, dat op 24 mei 2000 is verzonden aan appellante.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren die appellante heeft gemaakt tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar aanvraag voor 1999 op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Op 3 juli 2000 heeft het College van appellante een nadere toelichting op haar beroepschrift ontvangen.

Op 4 augustus 2000 heeft verweerder een herziene beslissing op het bezwaarschrift genomen.

Verweerder heeft op 9 augustus 2000 een verweerschrift ingediend.

Het College heeft de zaak onderzocht ter zitting van 26 september 2001 waar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 5bis van Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals nadien gewijzigd, luidt als volgt:

" Onverminderd de voorschriften van de artikelen 4 en 5 kan een steunaanvraag, in geval van een door de bevoegde instantie erkende klaarblijkelijke fout, na de indiening op elk moment worden aangepast."

Artikel 9, tweede lid, van deze Verordening luidt voorzover hier van belang als volgt:

" Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het geconstateerde verschil wanneer dit groter is dan 3% van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20% van de geconstateerde oppervlakte is."

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Regeling - voor zover hier van belang - kan de steunaanvraag oppervlakten na 15 mei van het betrokken verkoopseizoen worden gewijzigd indien sprake is van een duidelijke fout.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 10 mei 1999 een "aanvraag oppervlakten 1999 algemene regeling en voederareaal" ingediend ter verkrijging van een bijdrage op grond van de regeling.

- Op 20 oktober 1999 heeft op het bedrijf van appellante een AID-controle plaatsgevonden. De AID heeft vastgesteld dat perceel 8 kleiner was dan opgegeven (-0,12 hectare), dat de percelen 10 en 17 gezamenlijk 0,38 hectare kleiner waren dan opgegeven terwijl ook perceel 14 ten slotte 4,25 hectare kleiner was dan opgegeven. Blijkens het daarvan door de AID opgemaakte rapport is A namens appellante bij de controle aanwezig geweest en is deze met de controlebevindingen accoord gegaan.

- Bij beslissing van 2 december 1999 heeft verweerder de definitieve oppervlakte voederareaal, in hectare, ten behoeve van de Regeling dierlijke EG-premies vastgesteld op: 47,51, terwijl de aanvraag voor akkerbouwsubsidie tot een bedrag van fl. 13.565,53 gedeeltelijk is toegewezen.

- Appellante heeft bij schrijven van 27 december 1999 (door verweerder ontvangen op 3 januari 2000) tegen voormeld besluit bezwaar gemaakt.

- Op 9 maart 2000 is appellante gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder op 23 mei 2000 (verzonden op 24 mei 2000) een beslissing genomen op het bezwaarschrift. Daarbij is het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard, voor zover het is gericht tegen de vaststelling van de oppervlakte voederareaal met betrekking tot de percelen 6, 10, 14 en 18. Voor zover de bezwaren zijn gericht tegen de verlaagde akkerbouwsubsidie in verband met de onjuist opgegeven oppervlakte van perceel 17 is het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

- Bij schrijven van 9 juni 2000 (ingekomen op 13 juni 2000) heeft appellante een beroepschrift ingediend.

- Op 4 augustus 2000 heeft verweerder een herziene beslissing op het bezwaarschrift genomen en is het besluit van 23 mei 2000 ingetrokken.

3. Het bestreden besluit

Het besluit van 4 augustus 2000 houdt onder meer het volgende in:

" Overwegingen

(…)

Tevens voert u aan dat u een fout heeft ontdekt. Op perceel 6 is snijmaïs verbouwd. De bijdragecode moet 845 zijn in plaats van 800 en de gewascode 259 in plaats van 265.

Voor wat betreft de percelen 10, 14 en 18 merk ik het volgende op.

Een belanghebbende kan slechts bezwaar maken tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: Awb). Onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een besluit in bovenstaande zin dient derhalve gericht te zijn op enig rechtgevolg.

De brief van 2 december 1999 betreft - voorzover het om de oppervlakte voederareaal gaat - geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb. Deze brief beoogt slechts mee te delen dat uw opgave voor voederareaal op een kleinere oppervlakte is vastgesteld. Deze vaststelling van het voederareaal is op zichzelf niet gericht op enig rechtsgevolg - en derhalve geen rechtshandeling - aangezien de hoogte van het voederareaal slechts zal worden betrokken bij de berekening van eventueel aangevraagde stieren- ossen- en/of zoogkoeienpremie in het kader van de Regeling dierlijke EG-premies. De brief van 2 december 1999 is - voorzover het oppervlakte voederareaal betreft - derhalve geen beslissing waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

(…)

Voor perceel 6 merk ik het volgende op.

Artikel 9, tweede lid, aanhef en sub a, van de Regeling bepaalt dat de aanvraag oppervlakten in afwijking van het eerste lid na 15 mei kan worden gewijzigd in geval van een duidelijke fout.

Volgens het werkdocument van de Europese Commissie van 18 januari 1999 inzake duidelijke vergissingen in de in het kader van het geïntegreerd systeem ingediende steunaanvragen (VI/7103/98 Rev2-NL), kunnen in uitzonderlijke gevallen fouten met betrekking tot de teelt als duidelijke fout worden aangemerkt. Dit kan alleen in het geval dat een landbouwer zich bij aangifte heeft vergist door de producten waarvoor twee percelen worden gebruikt, te verwisselen. Tevens gelden daarbij onder meer de voorwaarden dat het niet gaat om een perceel dat wordt gebruikt als een met voedergewassen beteelde oppervlakte en dat de feitelijke teelt ter plaatse is gecontroleerd voor de oogst.

In uw geval is met betrekking tot de gewascode van perceel 6 in elk geval niet aan de eerste en derde van vorenbedoelde voorwaarden voldaan, zodat er voor wat betreft de teelt van dit perceel geen sprake is van een verwisseling van twee percelen. Uit het AID-rapport blijkt dat perceel 6 niet gecontroleerd is. Aangezien u voor dit perceel gewascode 265 (blijvend grasland) heeft opgegeven, kunt u hierbij geen andere bijdragecode dan code 800 of 875 vermelden. Uit vorenstaande volgt dat geen sprake is van een duidelijke fout, zodat uw aanvraag niet gewijzigd wordt. U komt niet in aanmerking voor subsidie voor perceel 6.

Tevens voert u aan dat, omdat na 31 augustus het eigen vee mag weiden op de braakgelegde grond, in september de afrastering tussen de percelen 10 en 17 verwijderd is. De AID heeft toen geconstateerd dat het braakperceel niet afzonderlijk opgemeten kon worden. Na opmeting van de percelen 10 en 17 constateert de AID dat deze samen 0,38 hectare te groot zijn opgegeven bij de aanvraag oppervlakten. Hieruit wordt de conclusie getrokken dat het braakperceel dan 6 are te klein is geweest. Dit is weer een afwijking van 3,09%, zodat er een korting van 18 are wordt toegepast. Tegen deze automatische denkwijze maakt u bezwaar.

Hierover merk ik het volgende op.

De oppervlakte die te groot is opgegeven is proportioneel in mindering gebracht op de aangevraagde oppervlakte voor de percelen 10 en 17. Hierdoor bedraagt de geconstateerde oppervlakte voor de percelen 10 en 17 11,07 hectare resp. 1,94 hectare. Tijdens de hoorzitting is u gevraagd of u voor perceel 17 een meetrapport kunt overleggen uit de periode 15 januari 1999 tot en met 31 augustus 1999. U heeft medegedeeld dat u van deze periode geen meetrapport heeft. Naar aanleiding van de hoorzitting heeft u bewijsstukken opgestuurd. U heeft - onder meer - twee kaarten uit 1996 en 1998 toegestuurd. Perceel 17 van 1999 komt echter niet overeen met het op deze kaarten ingetekende perceel, zodat niet kan worden uitgegaan van de daarbij vermelde oppervlakte. Terzijde merk ik op dat op de kaart van 1998 wordt vermeld dat het om brutokadastermaten gaat in verband met verkoop, u dient echter de daadwerkelijk beteelde oppervlakte van een perceel in uw aanvraag op te geven.

U heeft niet door middel van objectief bewijsmateriaal aangetoond dat de door u opgegeven oppervlakte voor perceel 17 juist is. Derhalve wordt uitgegaan van de in het AID-rapport vermelde gegevens.

Over de opgelegde sanctie voor perceel 17 merk ik het volgende op.

De geconstateerde oppervlakte voor dit perceel bedraagt - onafgerond - 194,32412 are. Het verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte is 5,67588 are. Dit verschil uitgedrukt in percentage van de geconstateerde oppervlakte bedraagt 2,92%. Op grond van artikel 9, tweede lid, eerste alinea, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 wordt in dat geval bij de berekening van de subsidie uitgegaan van de geconstateerde oppervlakte voor perceel 17.

Gelet op bovenstaande geeft de heroverweging van het besluit van de teammanager mij aanleiding dit besluit gedeeltelijk te herroepen.

Indien bovenstaande beslissing aanleiding voor u is om het beroepschrift in te trekken, verzoek ik u het College van Beroep voor het bedrijfsleven en LASER regio Noord hiervan te berichten.

Conclusie

Op grond van het bovenstaande verklaar ik uw bezwaarschrift niet-ontvankelijk, voor zover uw bezwaren zich tegen de percelen 10, 14 en 18 richten. Voor perceel 17 verklaar ik uw bezwaarschrift gegrond in die zin dat voor dit perceel wordt uitgegaan van de geconstateerde oppervlakte. Voorzover uw bezwaren zich richten tegen perceel 6 verklaar ik uw bezwaarschrift ongegrond."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende aangevoerd.

Verweerder heeft ten onrechte nagelaten appellante tussentijds te berichten over de geconstateerde fouten in de aanvraag. Tijdens de hoorzitting is dit aan appellante toegegeven. De bestreden beslissing rept ten onrechte niet over deze procedurefout.

In de bestreden beslissing wordt onder de "feiten en omstandigheden" gesteld dat appellante subsidie heeft gevraagd voor 13,65 hectare maïs en 2 hectare braak in productieregio 1 en voorts dat appellante 55,82 hectare voederareaal alsmede een oppervlakte van 8,71 hectare met bijdragecode 999 heeft opgegeven. Over de 5,40 hectare (perceel 6), die appellante een verkeerde code heeft gegeven, wordt niet gesproken. Volgens de totaaltelling heeft appellante 85,58 hectare opgegeven. Als bewijsmateriaal dat er op perceel 6 snijmaïs heeft gestaan in plaats van gras, heeft appellante verklaringen van een loonwerker en van Staatsbosbeheer overgelegd aan LASER.

De AID heeft de percelen 10 en 17 ten onrechte als één geheel opgemeten.

A was feitelijk alleen bij aanvang van de controle aanwezig, niet bij de uitvoering, en heeft de verklaring ondertekend bij het begin van de controle. Anders dan in het rapport is vermeld, zijn de controleresultaten niet aan bovengenoemde vertegenwoordiger van appellante medegedeeld.

5. De beoordeling van het geschil

Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt het beroep van appellante geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 4 augustus 2000.

Bij de gedingstukken bevindt zich een brief van 29 februari 2000 van Staatsbosbeheer Gelderse Poort, die is gericht aan D, terwijl zich daarin tevens een brief van 16 maart 2000 bevindt, waarin namens appellante aan verweerder wordt medegedeeld dat appellante inmiddels is omgezet in D. Verweerder heeft daarom in het verweerschrift de vraag opgeworpen of appellante nog wel als belanghebbende kan worden aangemerkt. Ter zitting van het College heeft appellante verklaard dat de maatschap reeds in 1998 geheel is ingebracht in D en thans niet langer bestaat.

Het College constateert, dat appellante dan reeds ten tijde van de indiening van de aanvraag niet meer bestond of in elk geval niet de producent was, die voor subsidie ingevolge de Regeling in aanmerking kwam.

Nu verweerder haar aanvraag niettemin in behandeling genomen en gedeeltelijk gehonoreerd heeft, ziet het College geen aanleiding appellante de rechtsbescherming tegen het tot haar gerichte besluit te onthouden. De vraag welke consequenties de omzetting van de maatschap in een besloten vennootschap overigens voor het recht op subsidie ingevolge de Regeling zou kunnen of moeten hebben, valt buiten de grenzen van het onderhavige geding, zodat daar hier verder aan voorbijgegaan wordt.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb moet onder een besluit worden verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het College is van oordeel dat de brief van 2 december 1999, voor zover verweerder daarbij de definitieve oppervlakte voederareaal heeft vastgesteld, geen beslissing is waartegen bezwaar kan worden gemaakt nu deze mededeling niet op enig rechtsgevolg is gericht. Verweerder heeft appellante in de bestreden beslissing in zoverre terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog van appellante dat de AID de percelen 10 en 17 niet goed heeft opgemeten, stelt het College voor de vraag of verweerder met recht heeft kunnen oordelen dat de door de AID uitgevoerde meting voldoende grondslag bood voor verweerders berekening van de hoogte van de aan appellante toegekende akkerbouwsteun. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend. Het College stelt daarbij voorop dat appellante wel opmerkingen heeft geplaatst bij het door de AID opgemaakte controlerapport, doch niet heeft aangetoond dat de AID onjuist of onzorgvuldig heeft gemeten. Tevens acht het College van belang dat A, die namens appellante bij het begin van de controle aanwezig was, het controlerapport voor akkoord heeft ondertekend.

Verweerder pleegt betrokkenen voorafgaand aan het besluit over de hoogte van de toegekende subsidie geen separaat bericht over de bevindingen van de AID-controle te zenden. Gelet op het bepaalde in artikel 4:12 van de Awb is een dergelijke handelwijze in overeenstemming met het recht.

Verweerder heeft zich voorts op goede gronden op het standpunt gesteld dat slechts aan het bezwaar van appellante tegemoet zou kunnen worden gekomen indien zou moeten worden geoordeeld dat door appellante bij haar aanvraag oppervlakten een klaarblijkelijke fout is gemaakt. Immers alleen in dat geval is het blijkens artikel 5bis van Verordening (EEG) nr. 3887/92 ook na afloop van de uiterste indieningsdatum van een aanvraag mogelijk die aanvraag te wijzigen.

In het onderhavige geval is sprake van een klaarblijkelijke fout nu uit de aanvraag oppervlakten zelf blijkt dat de gedane opgave niet juist kan zijn. Het College acht hierbij het volgende van belang. Appellante heeft in haar aanvraag onder "Totale oppervlakte voederareaal (bijdragecode 800 en 805)" 55,82 hectare opgegeven. Optelling van de percelen - waaronder perceel 6 ter grootte van 5,4 hectare - die appellante in haar aanvraag oppervlakten heeft voorzien van de code 800 (percelen met code 805 ontbreken in de aanvraag) leidt daarentegen tot een totaal van 61,22 hectare voederareaal, hetgeen ook door verweerder is vastgesteld. Deze omstandigheid maakt naar het oordeel van het College dat sprake is van een tegenstrijdigheid in de aanvraag.

Het bestreden besluit berust hierdoor niet op een deugdelijke motivering als vereist in artikel 7:12 van de Awb.

Het College komt, gelet op het voorgaande, tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

Verweerder dient met inachtneming van het voorgaande opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is het College niet gebleken. Wel zal het College verweerder veroordelen appellante het griffierecht te vergoeden.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de Staat aan appellante het door haar betaalde griffierecht van f. 450,- (zegge: vierhonderdvijftig gulden)

vergoedt.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 november 2001.

w.g. D. Roemers w.g. Th.J. van Gessel