Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD5529

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-11-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
AWB 00/260
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No.AWB 00/260 6 november 2001

25100

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

het Bestuur van de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten (NOvAA), te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr M.N. Stulemeijer, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 28 maart 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 24 februari 2000.

Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de hoogte van de hem voor het jaar 2000 opgelegde bijdrage inzake het lidmaatschap van de NOvAA, in het bijzonder tegen de opgelegde toeslag van f 500,- ten behoeve van de voorlichtings-campagne voor Accountants-Administratieconsulenten.

Op 19 juni 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2001, alwaar verweerder zijn standpunt bij monde van zijn gemachtigde nader heeft toegelicht. Appellant is niet ter zitting verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten (hierna: Wet AA) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 2

1. Er is een Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten die tot leden heeft degenen, die zijn ingeschreven in het register bedoeld in artikel 36.

(…)

Artikel 30

De NOvAA kan van haar leden jaarlijks bijdragen heffen, waarvan het bedrag voor elk boekjaar afzonderlijk door de ledenvergadering bij verordening wordt vastgesteld. Het bedrag kan voor verschillende categorieën van leden verschillend zijn.

(…)

Artikel 36

1. Er is een accountantsregister, waarin als Accountant-Administratieconsulent op hun aanvraag worden ingeschreven zij, die voldoen aan de bij deze wet gestelde eisen.

(…)

6. Met het beheer van het accountantsregister is belast het bestuur van de NOvAA."

Bij de Algemene Contributieverordening (Regeling van 14 oktober 1993, Stcrt 1993, 202, zoals laatstelijk gewijzigd bij de verordening van 7 november 1996, Stcrt 1996, 219; hierna: de ACV) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

1. De NOvAA kent, voor wat de contributie betreft, de volgende groepen leden:

A. leden, die optreden als openbaar accountant,

(…)

2. De contributie voor elke groep van leden, als bedoeld in het eerste lid, wordt op voorstel van het bestuur jaarlijks door de ledenvergadering bij verordening vastgesteld.

3. Ten behoeve van de vergroting van de naamsbekendheid van de AA wordt er als onderdeel van de contributie voor de periode 1997 tot en met 2000 een éénmalige persoonlijke toeslag voor de PR-campagne geheven. Voor groep A bedraagt deze toeslag f 4000,- (…).

(…)

Artikel 7

1. Het bestuur is bevoegd in bijzondere gevallen, zoals vermindering van inkomsten door (…), de afbouw van een praktijk (…), te zijner beoordeling per boekjaar gehele of gedeeltelijke ontheffing van contributiebetaling te verlenen, dan wel reeds betaalde contributie geheel of gedeeltelijk te restitueren.

2. (…)."

Verweerder voert bij de toepassing van artikel 7 van de ACV - voor zover hier relevant - het volgende beleid:

" Leden die hun accountantspraktijk aan het op- of afbouwen zijn, worden ingedeeld in contributiegroep A. Bij een geringe omzet krijgen zij de volgende gedeeltelijke ontheffing van contributiebetaling.

- (…)

- Bij een omzet op jaarbasis van meer dan f 50.000,- maar minder dan f 100.000,-, wordt de contributie bepaald op f 1.000,- + f 500,- toeslag voorlichtingscampagne.

- (…)

Wat betreft de hoogte van de verwachte omzet wordt afgegaan op de door de leden verstrekte gegevens of mededelingen. (…)"

Bij de Contributieverordening 2000 (vastgesteld in de bijeenkomst van de ledenvergadering van 7 juni 1999, afgekondigd in Stcrt 1999, 135) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

De contributie voor de contributiegroepen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Algemene Contributieverordening bedraagt:

- Groep A f 2.000,- (EUR 907,56)

- (…).

(…)

Artikel 4

1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2000.

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 4 december 1999 heeft appellant bij verweerder een verklaring ingediend in verband met de vaststelling van de contributie voor het jaar 2000 inzake het lidmaatschap van de NOvAA. Daarbij heeft hij onder meer verklaard wegens vermindering van inkomsten door de afbouw van zijn praktijk in aanmerking te willen komen voor een lagere contributie. Voorts heeft hij aangegeven dat de omzet op jaarbasis in 2000 van zijn praktijk naar schatting f 70.000,- bedraagt.

- Bij factuur van 8 januari 2000 is appellant een bedrag van f 1.500,- in rekening gebracht. Dit bedrag is onderverdeeld in

f 1.000,- reguliere contributie en f 500,- toeslag voor de voorlichtingscampagne.

- Appellant heeft bij brief van 12 januari 2000 bij verweerder een verzoek ingediend te worden ontheven van de betaling van de toeslag ad f 500,- voor de voorlichtingscampagne ex artikel 1, derde lid, van de ACV. De reden voor dit verzoek is dat de voorlichtingscampagne voor appellant geen effect zal hebben. Verweerder heeft deze brief aangemerkt als bezwaarschrift tegen de voor 2000 opgelegde contributie lidmaatschap NOvAA.

- Bij brief van 16 februari 2000 heeft appellante verweerder medegedeeld af te zien van de mogelijkheid om naar aanleiding van zijn bezwaren te worden gehoord. Appellant heeft daarbij onder meer aangegeven dat de gronden van het bezwaar in de brief van 12 januari 2000 zijn vermeld.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. In de tweede alinea van dit besluit is de volgende zinsnede opgenomen:

" Naar aanleiding van uw verklaring waarin u te kennen heeft gegeven geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, berichten wij u dat wij hebben besloten uw bezwaren ongegrond te verklaren."

3. Het standpunt van verweerder

Het standpunt van verweerder - zoals dat in het verweerschrift is verwoord - luidt onder meer als volgt:

" (…)

Appellant heeft (…) een eigen accountantspraktijk. Appellant presenteert zich daarmee als openbaar accountant in de zin van de Verordening op de Gedrags- en Beroepsregels voor Accountants-Administratieconsulenten (GBAA). (…)

Appellant heeft op 4 december 1999 een verklaring ingevuld waarin hij verzoekt om vermindering van de contributie voor het jaar 2000 in verband met de afbouw van de accountantspraktijk (…). Aan appellant is meegedeeld dat aan hem conform zijn verzoek een korting is verleend. Deze korting bedraagt f 1000,-- ten behoeve van de reguliere contributie en f 500,-- ten behoeve van de toeslag voor de voorlichtingscampagne. In de factuur van 8 januari 2000 is aan appellant een bedrag van f 1500,-- in rekening gebracht.

Deze beslissing is -evenals de beslissing op bezwaar- gebaseerd op gangbaar bestuursbeleid (…). In artikel 7 van de verordening is aan het bestuur de bevoegdheid gegeven om een korting te verlenen indien er sprake is van: vermindering van inkomsten door (…), de afbouw van een praktijk (..). Het bestuur verleent in gevallen waarin sprake is van (…) afbouw van de praktijk waarbij de omzet tussen de f 50.00,-- en f 100.000,-- ligt een korting van f 1000,-- met het oog op de reguliere contributie en f 500,-- met het oog op de toeslag inzake de voorlichtingscampagne.

Gelet op het feit dat appellant en omzetprognose van f 70.000,-- heeft bekendgemaakt, verleent het bestuur appellant een korting van niet meer dan f 1500,-- in totaal. Het bestuur wenst de verordening en de uitleg van artikel 7 van de verordening op een eenduidige wijze toe te passen. De mededeling dat appellant voornemens is zijn praktijk van de hand te doen behoeft naar de mening van het bestuur op dit moment niet te leiden tot de conclusie dat appellant geen voorlichtingsheffing behoeft te voldoen nu appellant naar zijn mening geen belang heeft bij een voorlichtingscampagne. Vast staat immers dat het bestuur van de NOvAA bevoegd is een verordening vast te stellen waarbij een extra bedrag kan worden geheven ten behoeve van een voorlichtingscampagne. Het bestuur heeft aan appellant -gelet op de door appellant geprognosticeerde jaaromzet- een zeer ruime korting verleend van in totaal f 1500,--. Conform gangbaar beleid wordt geen hogere korting verleend.

Uit de overgelegde bescheiden blijkt evenmin dat er sprake kan zijn van verdere korting. Van verdere korting zou naar de mening van het bestuur sprake kunnen zijn wanneer een Accountant-Administratieconsulent (sterk) verminderde inkomsten heeft als gevolg van ziekte, blijvende arbeidsongeschiktheid of werkeloosheid."

Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd te erkennen dat de formulering van de tweede alinea van het bestreden besluit ongelukkig is en bij appellant in eerste instantie de indruk zou kunnen wekken dat zijn bezwaar ongegrond is verklaard om reden dat hij niet gehoord wenste te worden. Verweerder wijst echter op het feit dat in het vervolg van het bestreden besluit gemotiveerd is toegelicht waarom het bezwaar ongegrond is verklaard.

Voorts heeft verweerder medegedeeld dat hem niet bekend is dat het kantoor van appellant inmiddels daadwerkelijk overgenomen is of dat anderszins sprake is van veranderde omstandigheden.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Gelet op de in de tweede alinea van het bestreden besluit gebezigde formulering bestaat de indruk dat het feit dat appellant te kennen heeft gegeven geen gebruik te zullen maken van de mogelijkheid naar aanleiding van zijn bezwaren door de Commissie Bezwaarschriften van verweerder te worden gehoord, geleid heeft tot de ongegrondverklaring van het bezwaar.

Appellant meent voor ontheffing van de betaling van de toeslag ad f 500,- ten behoeve van de voorlichtingscampagne in aanmerking te komen, vanwege de omstandigheid dat hij zijn accountantspraktijk aan het afbouwen is en hij deswege geen profijt meer zal hebben van de voorlichtingscampagne.

5. De beoordeling van het geschil

Tussen partijen is niet in geschil en voor het College staat vast dat appellant wat de jaarlijkse contributie voor de NOvAA betreft behoort tot groep A, zoals omschreven in artikel 1, eerste lid, van de ACV. Appellant is evenwel van oordeel dat in zijn geval sprake is van een bijzonder geval in de zin dat hij in verband met de afbouw van zijn accountants-praktijk meent te mogen worden vrijgesteld van het betalen van de toeslag voorlichtingscampagne ad f 500,-. Het College volgt appellant niet in zijn betoog en overweegt daartoe als volgt.

Voor de toepassing van artikel 7 van de ACV hanteert verweerder het uitgangspunt dat degenen die een omzet tussen

f 50.000,- en f 100.000,- op jaarbasis verwezenlijken, worden geacht een contributie te kunnen voldoen van f 1.000,- + f 500,- toeslag voorlichtings-campagne. Niet kan worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot vaststelling van dit uitgangspunt heeft kunnen komen of dat hij dit om andere redenen niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Nu vaststaat dat appellant voor 2000 een jaaromzet van f 70.000,- verwacht, kan hij aan verweerders uitgangspunt ter zake geen aanspraak op vrijstelling van de betaling van de toeslag ad f 500,- voor de voorlichtingscampagne ontlenen.

Appellant heeft ter onderbouwing van zijn vrijstellingsverzoek aangevoerd dat hij vanwege de afbouw van zijn praktijk geen effect meer zal hebben van de voorlichtingscampagne, doch niet kan worden geoordeeld dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen in deze omstandigheid geen aanleiding te zien in afwijking van het door hem gehanteerde uitgangspunt, de gevraagde vrijstelling te verlenen.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College ziet in het onderhavige geval aanleiding met toepassing van het bepaalde in artikel 8:74, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te bepalen dat het door appellant betaalde griffierecht door de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten wordt vergoed. Hiervoor is redengevend dat verweerder naar het oordeel van het College middels de in de tweede alinea van het bestreden besluit gebezigde ongelukkige formulering, bij appellant ten onrechte de suggestie heeft gewekt dat zijn bezwaarschrift vanwege diens mededeling af te zien van de mogelijkheid te worden gehoord, ongegrond is verklaard en appellant vervolgens op die enkele grond bij het College een beroepschrift heeft ingediend. Het College acht voorts geen termen aanwezig artikel 8:75 van de Awb toe te passen.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat aan appellant het door hem betaalde griffierecht ad f 225,-- (zegge: tweehonderd-en-vijf-en-twintig gulden) wordt

vergoed door Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten.

Aldus gewezen door mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr drs M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 november 2001.

w.g. J.A. Hagen w.g. M.S. Hoppener