Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD4959

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-10-2001
Datum publicatie
31-10-2001
Zaaknummer
AWB 00/61 en 00/72
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants 44, geldigheid: 2001-10-25
Wet op de Registeraccountants 54e t/m h, geldigheid: 2001-10-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nrs.AWB 00/61 en 00/72 25 oktober 2001

20010

Uitspraak in de zaken van:

1. A, te X (appellant in de zaak met registratienummer AWB 00/61),

gemachtigde: mr F. Waardenburg, advocaat te Rotterdam, en

2. B, te Y (appellant in de zaak met registratienummer AWB 00/72),

appellanten van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 9 november 1999.

1. De procedures

Bij brief van 26 april 1999 heeft B (hierna: klager) bij de raad van tucht een klacht ingediend tegen A (hierna: appellant sub 1).

Bij beslissing van 9 november 1999, verzonden op 26 november 1999, heeft de raad van tucht deze klacht gedeeltelijk gegrond verklaard. De raad van tucht heeft appellant sub 1 geen maatregel opgelegd.

Bij brief van 23 januari 2000, ingekomen ter griffie van het College op 25 januari 2000, heeft klager beroep ingesteld tegen genoemde beslissing van de raad van tucht, voor zover zijn klacht daarbij gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij brief en faxbericht van 24 januari 2000 heeft appellant sub 1 beroep ingesteld tegen dezelfde beslissing van de raad van tucht, voor zover strekkende tot gedeeltelijke gegrondverklaring van de klacht.

Bij brief van 1 februari 2000 heeft de secretaris van de raad van tucht de op de zaken betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Op 13 september 2001 heeft in beide zaken het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant sub 1 en klager zijn in persoon verschenen. Appellant sub 1 heeft zich doen bijstaan door zijn gemachtigde. Van de zijde van klager was ter zitting aanwezig C.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals deze zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van de raad van tucht, voor zover daartegen geen grieven zijn aangevoerd.

Voorts gaat het College uit van de volgende uit de gedingstukken en ter zitting naar voren gekomen feiten en omstandigheden.

- Op 3 juli 1997 heeft appellant een verklaring afgegeven bij de jaarrekening over 1996 van de P, welke handelt onder de naam Q.

- Op 18 juli 1997, de datum waarop klager de Raad van Toezicht van Q schriftelijk in kennis heeft gesteld van door hem veronderstelde fraude door de toenmalige voorzitter van het College van Bestuur van Q, was appellant sub 1 op vakantie.

- Na terugkeer van vakantie is appellant sub 1 ingelicht over de hiervoor bedoelde handelwijze van de toenmalige voorzitter van het College van Bestuur van Q. Bij de afwikkeling van deze zaak is hij niet betrokken geweest, wel is hij op de hoogte gehouden van de stand van zaken.

- Bij brief van 29 juli 1997 heeft klager de voorzitter van de Raad van Toezicht van Q medegedeeld dat ten behoeve van Q gedane uitgaven "met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid" ten laste zijn gebracht van het vermogen van een op te heffen school.

- Op 5 augustus 1997 heeft klager zijn bevindingen met betrekking tot laatstgenoemde zaak mondeling aan appellant sub 1 voorgelegd. Volgens klager heeft appellant sub 1 hem bij deze gelegenheid medegedeeld dat sprake is van fraude. Volgens appellant sub 1 heeft hij een dergelijke mededeling niet gedaan, maar heeft hij klager gezegd dat sprake zou kunnen zijn van fraude. Bij brief van 7 augustus 1997 heeft klager appellant sub 1 een aantal op deze kwestie betrekking hebbende stukken toegezonden.

- Op 20 september 1999 heeft klager de raad van tucht twee brieven toegezonden. Deze beide brieven maken deel uit van de stukken die de secretaris van de raad van tucht aan het College heeft toegezonden.

- In één van genoemde twee brieven van 20 september 1999 heeft klager onder meer het volgende naar voren gebracht:

" Door de houding van A is vervolgens mijn persoonlijke integriteit in het geding gekomen. Als gevolg daarvan heeft KPMG de opdracht gekregen in de tweede helft van 1997 een maanden durend onderzoek te verrichten naar mijn declaratiegedrag en onderzoek gedaan of ik bij de fusiebesprekingen partijen zou hebben misleid.

Beide onderzoeken hebben uiteraard niets opgeleverd maar gezien de geruchtmakende wijze waarop deze werden uitgevoerd wel mijn functioneren binnen Q en de onderwijswereld volledig onmogelijk gemaakt."

- Bij brief van 21 september 1999 heeft de raad van tucht klager het volgende bericht:

" Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw brief van 20 september jl., met bijlagen. De Raad beschouwt één en ander als produkties die door u zijn overgelegd voorafgaand aan de mondelinge behandeling. Dit houdt in dat tijdens de mondelinge behandeling aan deze stukken aandacht zal kunnen worden besteed."

Klager heeft onweersproken en met verwijzing naar correspondentie tussen hem en zijn voormalige werkgever naar voren gebracht dat hij, anders dan de raad van tucht heeft overwogen, nimmer is geschorst als lid van het College van Bestuur. Wel is in overleg besloten zijn dienstverband bij P te beëindigen. Het College ziet geen grond voor twijfel aan de juistheid van deze verklaring van klager, zodat daarvan wordt uitgegaan.

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard. De raad van tucht heeft appellant sub 1 geen maatregel opgelegd.

4. De middelen van de beroepen

4.1 Appellant sub 1 heeft, zakelijk weergegeven, tegen de bestreden tuchtbeslissing het volgende middel van beroep voorgedragen.

Ten onrechte verwijt de raad van tucht appellant sub 1 dat hij onvoldoende onderzoek heeft verricht naar aanleiding van de gegevens die klager hem op 5 en 7 augustus 1997 heeft verstrekt. Appellant sub 1 heeft de in het kader van de controle van de jaarrekening reeds verzamelde informatie doorgenomen, hij heeft informatie ingewonnen bij het hoofd financiële zaken en bij de waarnemend algemeen directeur, hij heeft contact opgenomen met de Raad van Toezicht en hij heeft relevante stukken bestudeerd. Op grond van dit onderzoek heeft appellant sub 1, aldus het beroepschrift, de volgende conclusies getrokken:

" - De door klager genoemde transacties waren naar hun aard en verschijningsvormen geen frauduleuze handelingen.

- Uitgaande van de stellige verwachting dat een bestemming binnen het onderwijs voor het vermogen mogelijk en noodzakelijk was waren de transacties geboekt en verantwoord in de jaarrekening van de school welke beschikbaar is gesteld voor controle door de accountant van het Ministerie van Onderwijs.

- Op basis van de administratieve organisatie die binnen P van toepassing was waren de transacties in de boekhoudingen van de school verwerkt en gerapporteerd.

- De informatie was bekend binnen de kring van mensen op de financiële administratie en overige leden van het College van Bestuur en de bestuursleden van R."

Gelet op deze conclusies was verdere schriftelijke rapportage aan het College van Bestuur en de Raad van Toezicht niet noodzakelijk, hetgeen appellant sub 1 heeft medegedeeld aan de waarnemend algemeen directeur en aan de voorzitter van de raad van toezicht van Q. Voor verder onderzoek door appellant sub 1 bestond te minder aanleiding, nu de Raad van Toezicht daartoe een andere accountant heeft ingeschakeld.

4.2 Klager heeft, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen van beroep voorgedragen.

Appellant sub 1 heeft op 5 augustus 1997 uitdrukkelijk bevestigd dat sprake is van fraude. Later is hij hierop teruggekomen en heeft hij verklaard dat geen sprake is van fraude. Het optreden van appellant sub 1 heeft geleid tot onderzoeken naar klager. Deze onderzoeken hebben geen belastende informatie opgeleverd, maar wel het functioneren van klager binnen de onderwijswereld onmogelijk gemaakt. De raad van tucht heeft ten onrechte nagelaten deze omstandigheden in de beoordeling te betrekken.

Ten onrechte heeft de raad van tucht overwogen dat klachtonderdeel b eerst ter zitting van de raad naar voren is gebracht. In zijn brief van 20 september 1999 aan de raad van tucht heeft klager expliciet de klacht geuit dat zijn integriteit door toedoen van appellant sub 1 in het geding is gekomen.

5. De beoordeling

5.1 Het College zal eerst het door appellant sub 1 voorgedragen middel van beroep beoordelen.

5.1.1 Ten aanzien van de vraag of appellant sub 1 een tuchtrechtelijk verwijt treft in verband met de vermeende fraude door de toenmalige voorzitter van het College van Bestuur van Q stelt het College het volgende voorop. Nu klager ter zitting van het College heeft verklaard dat appellant sub 1 op vakantie was toen deze vermeende fraude aan het licht kwam en dat deze kwestie reeds was afgehandeld toen appellant sub 1 van vakantie terugkeerde, kan niet worden staande gehouden dat appellant sub 1 ter zake enig verwijt treft. De raad van tucht heeft dan ook onder punt 2 van zijn beoordeling terecht geoordeeld dat appellant sub 1 in zoverre niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.1.2 Niet ter discussie staat dat appellant sub 1 de hem door klager bij brief van 7 augustus 1997 toegezonden documenten heeft bestudeerd. Tussen partijen is evenmin in geschil dat appellant sub 1 naar aanleiding van genoemde brief contact heeft opgenomen met het College van Bestuur en de Raad van Toezicht van Q. Hieruit komt het beeld naar voren dat appellant sub 1 onderzoek heeft verricht naar aanleiding van de brief van 7 augustus 1997. Uit dit onderzoek heeft appellant sub 1, naar valt af te leiden uit zijn brief van 20 augustus 1997 aan het College van Bestuur van Q, niet kunnen opmaken dat sprake was van (fraude en/of) onjuiste kostenallocaties. Het College acht de stelling in het beroepschrift van appellant sub 1 dat uit het door hem verrichte onderzoek duidelijk naar voren is gekomen dat de door klager genoemde transacties naar hun aard en verschijningsvormen geen frauduleuze handelingen waren, niet aannemelijk. Deze stelling is in strijd met de, in de bestreden tuchtbeslissing onder punt 6 van de rubriek Vaststaande feiten aangehaalde, tekst van de brief van 20 augustus 1997, terwijl appellant sub 1 ook ter zitting van het College naar voren heeft gebracht dat uit het door hem verrichte onderzoek niet duidelijk is geworden of al dan niet sprake was van fraude en/of onjuiste kostenallocaties.

De raad van tucht maakt appellant sub 1 het verwijt dat hij geen nader onderzoek heeft verricht om te achterhalen of sprake was van eventuele andere gevallen van (mogelijke) fraude en/of onjuiste kostenallocatie. Naar het oordeel van het College kan zulks appellant sub 1 in tuchtrechtelijk opzicht niet euvel worden geduid, nu de Raad van Toezicht van Q naar aanleiding van de door appellant sub 1 aangedragen informatie heeft besloten een andere accountant met dit nader onderzoek te belasten. Niet valt in te zien waarom appellant eenzelfde onderzoek zou moeten verrichten zonder een daartoe strekkende opdracht van de zijde van Q. Hieruit volgt dat het middel van beroep terecht is voorgedragen en dat de bestreden tuchtbeslissing niet in stand kan blijven. Klachtonderdeel a, eerste volzin, dient derhalve alsnog ongegrond te worden verklaard.

5.1.3 Het vorenstaande leidt naar het oordeel van het College evenwel niet zonder meer tot de slotsom dat ook de klacht vervat in de tweede volzin van klachtonderdeel a ongegrond dient te worden verklaard. De vraag rijst immers of appellant sub 1, gegeven de toentertijd bestaande onduidelijkheid over de vraag of sprake was van fraude en/of onjuiste kostenallocaties en in aanmerking genomen dat hij kennis droeg van een ander geval van vermeende fraude, gepleegd door de voorzitter van het College van Bestuur van Q, zijn verklaring van 3 juli 1997 bij de jaarrekening over 1996 van Q terecht heeft gehandhaafd, althans of hij een in tuchtrechtelijk opzicht juiste opstelling heeft gekozen door geen maatregelen te treffen om te voorkomen dat deze verklaring bij de jaarrekening openbaar zou worden gemaakt. Naar het oordeel van het College moet uit de gedingstukken worden afgeleid dat klager (ook) deze vragen ter toetsing heeft voorgelegd aan de raad van tucht. Bij brief van 18 augustus 1997 heeft klager appellant sub 1 gevraagd of diens verklaring van 3 juli 1997 onverkort gehandhaafd blijft. Blijkens zijn brief van 26 april 1999 aan de raad van tucht verwijt klager appellant sub 1 onder meer dat appellant sub 1, ondanks het eerdere geval van fraude en de informatie die klager hem op 5 en 7 augustus 1997 heeft verstrekt, bij zijn brief van 20 augustus 1997 heeft gesteld onvoldoende inzicht te hebben om de hem bij brief van 18 augustus 1997 voorgelegde vraag te kunnen beantwoorden. Uit de brief van 26 april 1999 komt duidelijk naar voren dat klager zich op het standpunt stelt dat appellant sub 1 had moeten concluderen dat de verklaring van 3 juli 1997 niet kon worden gehandhaafd.

Aan beantwoording van de vraag of appellant, in het licht van met name het bepaalde bij artikel 28, derde lid, van de Verordening Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994 (hierna: GBR 1994), tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld nu hij, terwijl er nog nader onderzoek nodig was om de vraag of er fraude gepleegd was te kunnen beantwoorden, ervoor heeft gekozen geen maatregelen te treffen om te voorkomen dat zijn goedkeurende verklaring openbaar gemaakt zou worden voordat bedoeld onderzoek voldoende uitsluitsel zou hebben gegeven, is de raad van tucht niet toegekomen. De beoordeling van dit onderdeel van de klacht is naar het oordeel van het College primair van vaktechnische aard. Gelet hierop acht het College termen aanwezig de zaak niet zelf af te doen, maar deze te verwijzen naar de raad van tucht om haar af te doen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5.2 Het College zal thans de door klager voorgedragen middelen van beroep beoordelen.

5.2.1 Naar het oordeel van het College valt in de brieven van klager aan de raad van tucht geen passage aan te wijzen waar specifiek wordt geklaagd dat appellant sub 1 klager niet op de hoogte heeft gesteld van de jegens klager bestaande verdenkingen, zodat de raad van tucht terecht heeft vastgesteld dat het door de raad geformuleerde klachtonderdeel b eerst ter zitting van de raad is geformuleerd. Het hierop betrekking hebbende middel van beroep faalt derhalve.

5.2.2 De raad van tucht heeft het klachtonderdeel b inhoudelijk beoordeeld. Naar het oordeel van het College staat het verdedigingsbeginsel eraan in de weg staat dat een eerst ter zitting van de raad van tucht geformuleerd klachtonderdeel in de beoordeling wordt betrokken. Ook dit onderdeel van de bestreden beslissing kan derhalve niet in stand blijven. Het College zal op dit punt zelf in de zaak voorzien en bepalen dat het meerbedoelde klachtonderdeel b eerst ter zitting is geformuleerd en derhalve buiten behandeling moet blijven, zodat dat klachtonderdeel ongegrond moet worden verklaard. Ter toelichting op dit laatste merkt het College op dat het weliswaar een gebruikelijke terminologie is om bijvoorbeeld bij een eerst ter zitting van de raad van tucht geformuleerd klachtonderdeel in het dictum te bepalen dat de klacht in zoverre niet-ontvankelijk wordt verklaard, maar dat het, in aanmerking nemende dat de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA), meer in het bijzonder artikel 52, eerste lid, van deze Wet, niet spreekt over niet-ontvankelijkverklaring van een klacht, ter vermijding van misverstand over de beroepsmogelijkheid, aanbeveling verdient ten aanzien van een klacht(onderdeel) waarvan uit de overwegingen blijkt dat deze (dit) buiten behandeling moet blijven, in het dictum te bepalen dat die klacht of dat klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard.

5.2.3 Uit de gedingstukken, in het bijzonder het onder rubriek 2 van deze uitspraak aangehaalde citaat uit één van de twee brieven van 20 september 1999 van klager aan de raad van tucht, blijkt voorts dat klager appellant sub 1 - kort samengevat - verwijt door onjuist handelen de reputatie van klager te hebben geschaad. Klager is van oordeel dat appellant sub 1 niet onafhankelijk is opgetreden en dat het optreden van appellant sub 1 debet is geweest aan het entameren van onderzoeken naar klager. De raad van tucht is voorbijgegaan aan deze stellingen van klager, hoewel in de in rubriek 2 aangehaalde brief van de raad van tucht van 21 september 1999 de raad aan klager heeft doen weten dat tijdens de mondelinge behandeling aan deze stukken aandacht zal kunnen worden besteed. Uit een oogpunt van goede procesorde had appellant sub 1 voorts in de gelegenheid gesteld moeten worden zich vóór de zitting van de raad van tucht nader uit te laten over de in klagers brief vervatte uitbreiding van de klacht. Niet is gebleken dat die gelegenheid is geboden. De raad van tucht heeft, blijkens de bestreden beslissing, niet beslist op de klacht in de omvang waarin klager deze heeft ingediend. Nu procedureel noch inhoudelijk op dit punt een beslissing door de raad van tucht is genomen, treft het tweede onder rubriek 4.2 van deze uitspraak weergegeven middel van beroep in zoverre doel, dat de bestreden tuchtbeslissing ook om die reden dient te worden vernietigd.

5.3 Gelet op het uitgangspunt van tuchtrechtspraak in twee instanties, acht het College termen aanwezig de zaak te verwijzen naar de raad van tucht om deze af te doen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Deze beslissingen berusten op de artikelen 44 en 54e tot en met 54h Wet RA en op de artikelen 5, 9, 11, 12, 14 en 28 GBR 1994.

6. De beslissingen

Het College:

- verklaart het beroep van appellant sub 1 gegrond;

- verklaart het beroep van klager gegrond;

- vernietigt de bestreden beslissing van de raad van tucht;

- verklaart de klacht, vervat in de eerste volzin van klachtonderdeel a, zoals omschreven door de raad van tucht, ongegrond;

- verklaart klachtonderdeel b, zoals omschreven dor de raad van tucht, ongegrond;

- verwijst de zaak naar de raad van tucht te Amsterdam om haar voor het overige af te doen met inachtneming van hetgeen in

deze uitspraak is overwogen.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H.C. Cusell en mr drs M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr drs B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2001.

w.g. B. Verwayen w.g. B. van Velzen