Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD4942

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-10-2001
Datum publicatie
31-10-2001
Zaaknummer
AWB 00/855
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/855 16 oktober 2001

20250

Uitspraak in de zaak van:

A, te De Moer, appellante van een op 13 oktober 2000, onder nummer TPPE 41/2000 tegen haar gewezen tuchtbeschikking van het Tuchtgerecht Productschap voor Pluimvee en Eieren (hierna: het Tuchtgerecht).

1. De procedure

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van 25 oktober 2000, heeft appellante beroep ingesteld tegen voormelde tuchtbeschikking, die appellante ter kennis is gebracht bij aangetekende brief van 13 oktober 2000.

De Productschappen Vee, Vlees en Eieren, respectievelijk de secretaris van het Tuchtgerecht hebben het College bij brieven van 13 november 2000, 6 en 19 maart 2001 de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 4 september 2001. Ter zitting zijn inlichtingen verstrekt door mr R.B.R. Henken, werkzaam bij het Gemeenschappelijk Secretariaat van de Productschappen Vee, Vlees en Eieren.

Voor appellante is ter zitting verschenen B, maat van de maatschap.

2. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeschikking heeft het Tuchtgerecht appellante een geldboete opgelegd van fl. 1.500,--, waarvan

fl. 500,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Deze tuchtbeschikking berust op een berechtingsrapport, welke door de Stichting Controlebureau Pluimvee, Eieren en Eiprodukten is opgesteld.

Ter zake van de gronden waarop de bestreden tuchtbeschikking berust, wordt kortheidshalve verwezen naar de inhoud van die beschikking, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in haar beroepschrift en ter zitting het volgende naar voren gebracht.

Iedere stal in leegstand wordt ontsmet en de hygiënevoorschriften ter voorkoming van ziekteinsleep worden zoveel mogelijk nageleefd. Van alle koppels gehouden in 1999 is slechts één koppel besmet geraakt, dit is nog geen 20%.

De niet naleving van de regels heeft niet moedwillig plaatsgevonden. De overtreding komt voort uit onwetendheid omtrent de regels die voor vleeskuikens gelden. Normaal heeft appellante parelhoenders op het bedrijf. Hiervoor gelden andere hygiëne-eisen.

De boete zou niet opgelegd mogen worden. Appellante heeft nog een schadepost van plm. fl. 120.000,-- in verband met de dioxinekwestie.

Sindsdien hebben geen overtredingen meer plaatsvonden op het bedrijf.

4. De beoordeling

Het College stelt voorop dat hetgeen door appellante is aangevoerd, geen betwisting inhoudt van hetgeen door het Tuchtgerecht bewezen is verklaard, namelijk dat een bij appellante opgezet koppel pluimvee niet was bemonsterd en onderzocht op de aanwezigheid van schadelijke micro-organismen en voorts dat, nadat bij appellante een Salmonella-besmetting was geconstateerd en na het reinigen en ontsmetten van de stal, geen hygiëneonderzoek was uitgevoerd.

De stelling van appellante dat onvoldoende rekening is gehouden met haar persoonlijke omstandigheden, waaronder is genoemd de financiële positie van appellante en het gebrek aan kennis omtrent de toepasselijke regelgeving, vat het College op als te zijn gericht tegen de opgelegde maatregel.

Het Tuchtgerecht heeft overwogen dat sprake is van ernstige overtredingen, daarbij in aanmerking nemend dat het belang van de volksgezondheid in het geding is.

Bij de vaststelling van de opgelegde maatregel heeft het Tuchtgerecht echter uitdrukkelijk rekening gehouden met de omvang van het bedrijf van appellante.

Het College heeft geen grond gevonden voor het oordeel dat het Tuchtgerecht deze omstandigheid in onvoldoende mate heeft laten meewegen bij de oplegging van de maatregel.

Gezien het geheel van de ter zake dienende feiten en omstandigheden acht het College de opgelegde boete, waarvan eenderde deel voorwaardelijk, niet zodanig dat geoordeeld moet worden dat het Tuchtgerecht niet in redelijkheid tot de opgelegde maatregel heeft kunnen komen.

Het beroep dient dan ook te worden verworpen.

Deze uitspraak berust op de voorschriften, vermeld in de bestreden tuchtbeschikking, alsmede op artikel 13, tweede lid, van de Landbouwkwaliteitswet en op titel IV van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie.

5. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2001.

w.g. B. Verwayen w.g. A.J. Medze