Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD4935

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-10-2001
Datum publicatie
31-10-2001
Zaaknummer
AWB 00/315
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/315 16 oktober 2001

20310

Uitspraak in de zaak van:

A, te Nijkerk, appellante van een op 23 februari 2000, onder nummer TS 2/2000 tegen haar gewezen tuchtbeschikking van het Tuchtgerecht van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten (hierna: het Tuchtgerecht).

1. De procedure

Bij beroepschrift van 12 april 2000, ingekomen ter griffie van het College op 17 april 2000, heeft appellante beroep ingesteld tegen voormelde tuchtbeschikking, die appellante ter kennis is gebracht bij aangetekende brief van 10 april 2000.

De secretaris van het Tuchtgerecht heeft het College bij brieven van 13 juni 2000 en 11 september 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 4 september 2001. Ter zitting zijn inlichtingen verstrekt door J.A.M. Knoben, directeur van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De toepasselijke regelgeving

In het Reglement op de Tuchtrechtspraak van de Stichting Nederlands Eiercontrole Bureau (hierna: Reglement op de Tuchtrechtspraak) is onder meer als volgt bepaald:

" Artikel 2

(…)

2. Het tuchtgerecht is samengesteld uit een lid-voorzitter, een lid-vice-voorzitter en twee andere leden. Het wordt bijgestaan door een secretaris.

(…)

Artikel 6

(…)

2. Het tuchtgerecht houdt zitting met drie leden, de voorzitter daaronder begrepen. Het wordt zowel ter zitting als in de raadkamer door de secretaris bijgestaan.

3. De voorzitter bepaalt in welke personele samenstelling het tuchtgerecht zitting heeft en welk lid een voor een zitting aangewezen lid bij diens verhindering zal vervangen.

4. Indien een voor een zitting aangewezen lid verhinderd is de zitting bij te wonen, geeft hij daarvan onverwijld kennis aan de secretaris die alsdan het als vervanger aangewezen lid oproept.

Artikel 8

1. Het tuchtgerecht kan aan een aangeslotene die een voorschrift heeft overtreden één of meer van de volgende maatregelen opleggen:

(…)

b. een geldboete van ten hoogste f 10.000,--;

(…)"

In de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: de Wet) is onder meer als volgt bepaald:

" Art. 17. Het beroep kan worden ingesteld ter zake dat:

(…)

c. het tuchtgeding is gevoerd in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijke rechtspraak;

(…)"

In het Landbouwkwaliteitsbesluit scharreleieren is onder meer als volgt bepaald:

" Artikel 2

1. Op kleine verpakkingen met eieren van klasse A mag, ter aanduiding van de produktiemethode, een van de volgende vermeldingen worden aangebracht:

(…)

c. scharreleieren;

(…)

2. Het is, bij het verhandelen van eieren, verboden op of bij eieren dan wel op of bij de verpakking ervan:

a. de vermeldingen als bedoeld in het eerste lid aan te brengen of te bezigen, tenzij met betrekking tot deze eieren is voldaan aan het bij of krachtens de artikelen 3 en 4 van dit besluit bepaalde;

(…)

Artikel 3

1. Onze Minister stelt voor eieren, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, regelen met betrekking tot:

a. de hoedanigheid, de sortering, de verzorging, de verpakking en de aanduiding;

b. de inrichting en het gebruik van de ruimte bestemd voor de kippen, die deze eieren voortbrengen;

c. de voeding, drenking en verzorging van de kippen, die deze eieren voortbrengen;

d. de kippen die deze eieren voortbrengen."

In het Reglement Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiprodukten betreffende het verloop van de keuring en het uitreiken van tekenen en bewijsstukken inzake scharreleieren is onder meer als volgt bepaald:

" Artikel 14

1. De aangesloten pakstationhouder is voorts verplicht:

a. een adminsitratie te voeren met betrekking tot de ontvangst van scharreleieren, waarin tenminste moeten zijn vermeld de aantallen en het gemiddelde gewicht, de datum van ontvangst alsmede de namen en adressen van leveranciers, een en ander gestaafd door facturen of afleveringsbonnen;

b. een administratie te voeren met betrekking tot de aflevering van scharreleieren, waarin tenminste moeten zijn vermeld de aantallen, de data van aflevering alsmede de namen en adressen van afnemers, een en ander gestaafd door copiefacturen;

c. het voeren van een adminstratie waaruit aangehouden voorraden scharreleieren duidelijk blijken."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Het proces-verbaal van de behandeling van onderhavige zaak door het Tuchtgerecht op 23 februari 2000 is getekend door mr A.H. Weijsenfeld, voorzitter en mr C.J.M. Meekers, secretaris. Dit proces-verbaal bevat voorts de volgende passage: "Samenstelling van het Tuchtgerecht: Mr. A.H. Weijsenfeld, voorzitter … ...

Mr. C.J.M. Meekers, secretaris".

- Het slot van de bestreden tuchtbeschikking van het Tuchtgerecht van 23 februari 2000 luidt als volgt:

" Aldus gewezen door Mr. C.J.M. Meekers, voorzitter, K. Versluis en

Ir. J.M.H. Timmers, leden en uitgesproken te Utrecht op voormelde terechtzitting zijnde de secretaris buiten staat de zitting bij de wonen."

3. De bestreden tuchtbeschikking

Bij de bestreden tuchtbeschikking heeft het Tuchtgerecht appellante bij wege van tuchtrechtelijke maatregel een geldboete opgelegd van fl. 250,--.

Deze tuchtbeschikking berust op een berechtingsrapport, alsmede op de schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 10, lid 1, van het Reglement op de Tuchtrechtspraak.

Ter zake van de gronden waarop de bestreden tuchtbeschikking berust, wordt kortheidshalve verwezen naar de inhoud van die beschikking, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in haar beroepschrift het volgende naar voren gebracht.

In de tuchtbeschikking staat: "welke eieren door de aangeslotene vanuit haar bedrijf aan de B waren afgeleverd."

Dit klopt niet, aangezien het bedrijf is gevestigd aan de C. Derhalve is sprake van een procedurefout.

Op het woonadres aan de B bevindt zich de administratie, die door het Controlebureau is gecontroleerd.

Appellante tekent beroep aan tegen de opgelegde boete.

5. De beoordeling

5.1 Het College stelt allereerst vast dat mr C.J.M. Meekers, naar luid van de bestreden tuchtbeschikking, ter zitting van het Tuchtgerecht op 23 februari 2000 is opgetreden als voorzitter van het Tuchtgerecht. Tevens stelt het College vast dat in het op 23 februari 2000 opgemaakte proces-verbaal van de zitting van het Tuchtgerecht is vermeld dat het Tuchtgerecht was samengesteld uit - voor zover hier van belang - mr A.H. Weijsenfeld als voorzitter en mr C.J.M. Meekers als secretaris. Voorts is dit proces-verbaal getekend door mr C.J.M. Meekers, ditmaal in zijn hoedanigheid van secretaris van het Tuchtgerecht.

Het College is van oordeel dat, gezien deze tegenstrijdigheid tussen de tuchtbeschikking en het proces-verbaal van de tuchtzitting, de bestreden tuchtbeschikking de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan.

Immers, een dergelijke tegenstrijdigheid impliceert dat hier van toepassing is de beroepsgrond, genoemd in artikel 17, onder c, van de Wet, in dier voege dat het tuchtgeding is gevoerd in strijd met het beginsel van behoorlijke rechtspraak dat een uitspraak wordt gewezen door de voorzitter en de leden die volgens het proces-verbaal op de zaak hebben gezeten.

Het bovenstaande heeft tot gevolg dat het beroep reeds om deze reden gegrond is. De tuchtbeschikking zal derhalve vernietigd worden.

Het College ziet termen om de zaak zelf af te doen.

5.2 Ter zitting heeft J.A.M. Knoben, voornoemd, verklaard dat is gebleken dat de in het geding zijnde partij eieren niet vanuit de B, maar vanuit appellantes pakstation in de C, zijn afgeleverd.

Naar het oordeel van het College noopt het vorenstaande tot de conclusie dat niet is bewezen hetgeen appellante ten eerste ten laste is gelegd.

5.3 Niet in geschil is dat met betrekking tot de ontvangst, aflevering en aangehouden voorraden van scharreleieren geen juiste administratie is gevoerd, zoals appellante als tweede feit ten laste is gelegd, zulks in strijd met artikel 14, lid 1, onder a, b en c van het Reglement betreffende het verloop van de keuring en het uitreiken van tekenen en bewijsstukken inzake scharreleieren. Voorts is voor het College genoegzaam komen vast te staan dat de administratie door appellante in de B wordt gevoerd.

Weliswaar is sprake van samenhang tussen de beide tenlastegelegde feiten en is door het Tuchtgerecht voor het tweede feit geen afzonderlijke straf opgelegd, echter, ingevolge artikel 8 van het Reglement op de Tuchtrechtspraak kan op overtreding van een afzonderlijk voorschrift een aldaar genoemde tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd.

Naar het oordeel van het College rechtvaardigt het ten tweede tenlastegelegde feit als zodanig de oplegging van een geldboete van f 250,--.

Deze uitspraak berust op de voorschriften, vermeld in de bestreden tuchtbeschikking, alsmede op het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de Landbouwkwaliteitswet en de artikelen 17, 28 en 29 van de Wet.

Derhalve wordt als volgt beslist.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeschikking;

- bepaalt dat niet is bewezen overtreding van artikel 2, lid 2, van het Landbouwkwaliteitsbesluit scharreleieren in samenhang

met artikel 3, lid 1, van dat besluit;

- bepaalt dat is bewezen overtreding van artikel 14, lid 1, onder a, b en c, van het Reglement betreffende het verloop van de

keuring en het uitreiken van tekenen en bewijsstukken inzake scharreleieren;

- besluit tot oplegging aan appellante van een geldboete van fl. 250,-- (zegge: tweehonderdvijftig gulden):

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2001.

w.g. B. Verwayen w.g. A.J. Medze