Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD4780

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-10-2001
Datum publicatie
24-10-2001
Zaaknummer
AWB 00/601
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:5, geldigheid: 2001-10-17
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 1 onder j en k, geldigheid: 2001-10-17
Elektriciteitswet 1998 1 onder o, geldigheid: 2001-10-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 00/601 17 oktober 2001

27000

Uitspraak in de zaak van:

V.O.F. Digitex, te C, appellant,

gemachtigde: mr J.G.M. Nass, bedrijfsadviseur te Sittard,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr I.A.M. van Nieuwkerk en mr B.B. Zuiderwijk.

1. De procedure

Op 19 juli 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 juni 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen het niet in behandeling nemen van een verzoek om een S&O-verklaring als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.

Op 11 oktober 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 2 mei 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaats gevonden, waarbij partijen hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 4:2

1. De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de aanvrager;

b. de dagtekening;

c. een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.

2. De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Artikel 4:5

1. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen."

Bij de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: de WVA) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

j. S&O-inhoudingsplichtige: (…)

k. S&O-belastingplichtige: een natuurlijke persoon ten aanzien van wie zelfstandigenaftrek als bedoeld in artikel 44m van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt toegepast;

l. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in Nederland verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek of de ontwikkeling (…);

Artikel 24

1. Aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een kalenderjaar speur- en ontwikkelingswerk te verrichten geeft Onze Minister van Economische Zaken op verzoek een S&O-verklaring af.

(…)

2. Aan een S&O-belastingplichtige die voornemens is in een kalenderjaar tenminste 875 uren van zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd te besteden aan speur- en ontwikkelingswerk geeft Onze Minister van Economische Zaken op verzoek een S&O-verklaring af. (…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

- Bij daartoe voorgeschreven formulier, ondertekend door A op 2 december 1999, is bij verweerder een verzoek ingediend om een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 24 van de WVA. Het aanvraagformulier vermeldt onder meer het volgende:

" Onderneming /onderzoeksinstelling : DIGI-TEX i.o.

(…)

Ondernemingscode : 07 Vennootschap onder firma

(…)

Aantal werknemers : 1

(…)

Aantal S&O-werknemers : 1

Loon S&O (NLG) : 54.000,00

(…)

Aantal zelfstandigen : 1

(…)

OVERZICHT PROJECTUREN ZELFSTANDIGEN

Onderneming /onderzoeksinstelling : DIGI-TEX i.o.

(…)

Naam Zelfstandige : A

Sofi nr. Zelfstandige : B

Projectnummer Uren

Digi-tex 001 900

Totaal aantal uren 900 "

- Bij brief van 24 februari 2000 heeft verweerder appellante, onder meer als volgt bericht:

" De afhandelning van uw aanvraag is opgeschort omdat er geen of een incorrect loonbelastingnummer bij mij bekend is. Ik verzoek u daarom mij een kopie van het aangiftebiljet loonbelasting/premie volksverzekeringen te verstrekken of de brief van de Belastingdienst waaruit blijkt dat u als inhoudingsplichtige in haar administratie bent opgenomen. Om misverstanden te voorkomen verzoek ik u niet alleen het loonbelastingnummer te vermelden, maar de gevraagde kopie te verstrekken.

Indien u nog geen loonbelastingnummer is toegekend verzoek ik u een kopie van het uittreksel uit het handelsregister te verstrekken. Mocht de B.V. in oprichting zijn en nog niet ingeschreven dan verzoek ik u de namen van oprichters van deze B.V. te verstrekken. Na ontvangst van deze gegevens zal ik u in een later stadium alsnog schriftelijk verzoeken een kopie van het aangiftebiljet loonbelasting/premie volksverzekeringen of de brief van de Belastingdienst te overleggen.

Het niet verstrekken van de verlangde gegevens leidt tot niet in behandeling nemen van uw aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ik verzoek u dan ook voor 15 maart 2000 de gevraagde informatie te verstrekken. De termijn waarbinnen op uw aanvraag moet worden beschikt, wordt op grond van artikel 4:15 Awb opgeschort tot het moment dat de antwoordtermijn is verstreken dan wel uw antwoord is ontvangen."

- Bij brief van 21 maart 2000 heeft verweerder appellante onder meer het volgende medegedeeld:

" De volledige gevraagde informatie heb ik niet tijdig ontvangen. Door het ontbreken van deze gegevens is het voor mij niet mogelijk om de aanvraag te beoordelen. Derhalve neem ik op grond van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht uw aanvraag niet in behandeling. "

- Bij brief van 3 april 2000 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt op de volgende grond:

" In reactie op uw eerder schrijven van 24 februari 2000 delen wij u mede dat Digitex VOF géén personeel in dienst heeft en geen WBSO-loonkostensubsidie heeft aangevraagd. Cliënte verzoekt om toepassing van de WBSO-(zelfstandigen)aftrek regeling. "

- Desgevraagd heeft appellante bij brief van 29 mei 2000 een verklaring gegeven voor de te late toezending van de gegevens die verweerder bij zijn brief van 24 februari 2000 had gevraagd.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Het bestreden besluit is onder meer als volgt gemotiveerd:

" Op 3 december 1999 heeft u een aanvraag ingediend in het kader van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekering, hoofdstuk VIII (S&O-afdrachtvermindering). Bij deze aanvraag waren gegevens niet correct ingevuld. Daaropvolgend heb ik aan u op 24 februari 2000 een herstelbrief verzonden met het verzoek mij de ontbrekende gegevens te verstrekken. Vervolgens heb ik u te kennen gegeven dat indien u de verlangde gegevens niet vóór 15 maart 2000 zult verstrekken ik op grond van artikel 4:5 van de Awb kan beslissen uw aanvraag niet in behandeling te nemen. Aangezien ik geen reactie op mijn herstelbrief heb ontvangen heb ik derhalve besloten uw aanvraag niet in behandeling te nemen.

Middels uw bezwaarschrift geeft u te kennen dat Digitex een vennootschap onder firma (V.O.F.) is en dat u geen personeel in dienst heeft. Vervolgens verzoekt u mij u een zelfstandigenaftrek toe te kennen. In uw brief van 30 mei 2000 geeft u oorzaken aan die de te late toezending van de gegevens verklaren. Ten eerste stelt u dat u op 24 februari 2000 in afwachting was van inschrijving van de V.O.F. bij de Kamer van Koophandel en toezending van het uittreksel uit het Handelsregister. Voorafgaande toezending van de namen van de oprichters leek u daarom niet nodig. Daarnaast geeft u aan dat uw aanvraag is gebaseerd op een verzoek voor het verkrijgen van een extra zelfstandigenaftrek in de zin van artikel 44m, lid 4 van de Wet op de inkomstenbelasting. Tenslotte stelt u dat u op 15 maart 2000 nog niet kon beschikken over een brief van de Belastingdienst waaruit blijkt dat u als inhoudingsplichtige in haar administratie bent opgenomen.

U heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om binnen de door mij, in de herstelbrief van 24 februari 2000, gestelde termijn uw aanvraag aan te vullen. Noch heeft u binnen de gestelde termijn gemotiveerd uitstel gevraagd. De ontbrekende gegevens zijn door u te laat, te weten tijdens de bezwaarprocedure, verstrekt. Onder deze omstandigheden is het mijn vaste beleid een aanvraag, overeenkomstig artikel 4:5 Awb, buiten behandeling te laten. Slechts onder bijzondere omstandigheden wordt een overschrijding van de termijn als bedoeld in artikel 4:5 Awb door mij gepardonneerd. In dit geval zijn zodanige bijzondere omstandigheden door u niet gesteld en mij ook niet gebleken. Na afweging van de belangen zie ik dan ook geen aanleiding om mijn eerder genomen besluit van 21 maart 2000 te herroepen en uw aanvraag alsnog in behandeling te nemen. "

Ter zitting heeft verweerder onder meer het volgende aangevoerd:

" Uit het aanvraagformulier blijkt dat appellante naast zelfstandigenaftrek ook een S&O verklaring voor een medewerker heeft aangevraagd. Appellante heeft in het aanvraagformulier een S&O-loon van NLG 54.000,- opgegeven. De Minister was daarom gehouden een vragenbrief te sturen en een loonbelastingnummer op te vragen.

Appellante heeft daarnaast een aanvraag ingediend onder de naam "Digitex VOF i.o.". Door de aanvraag aldus in te dienen is de nodige verwarring ontstaan over de rechtsvorm van Digitex. Een VOF mist rechtspersoonlijkheid en kent voor het aangaan van een maatschap naast het sluiten van een overeenkomst geen specifieke oprichtingsvereisten, zodat de "i.o." onnodig zijn toegevoegd. De Minister moest uit zorgvuldigheidsoverwegingen onderzoeken of in casu de aanvraag was ingediend door een rechtspersoon in oprichting. De typering "i.o." komt de Minister in praktijk vaak tegen bij S&O-aanvragen van Besloten vennootschappen in oprichting".

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft bij haar beroepschrift onder meer het volgende aangevoerd:

" De relatief onduidelijke vragen en stellingen in de brief van Senter d.d. 24 februari 2000, alsmede de administratieve moeilijkheden en doorlooptijden bij Digitex VOF, hebben er toe geleid dat wij alle gevraagde gegevens weliswaar aan Senter hebben overlegd, maar dit op een tijdstip hebben gedaan buiten de gestelde termijnen.

Wij zijn van mening dat de onduidelijkheid in de brief van Senter van 24 februari 2000 in combinatie met een aantal irrelevante vragen (o.a. loonbelastingnummer, B.V. i.o., kopie aangiftebiljet loonbelasting) welke door Senter zijn gesteld, reëler wijze tot een te late beantwoording (kunnen) leiden. Dit kan vervolgens géén reden zijn om de aanvraag niet te behandelen wegens niet tijdige beantwoording van vragen. Wij hebben alle vragen - weliswaar in de visie van Senter niet tijdig - beantwoord.

Het risico van een tardieve beantwoording van de onduidelijke en op punten irrelevante vragen dient voor rekening en risico van Senter te komen."

5. De beoordeling

5.1 Hetgeen appellante heeft aangevoerd, strekt ten betoge dat de overschrijding van de termijn die haar is gesteld voor de beantwoording van vragen die voor haar onduidelijk en deels ook irrelevant waren, niet voor risico van appellante behoort te komen. Het College volgt appellante niet in dit betoog en overweegt hiertoe als volgt.

Appellante heeft in het aanvraagformulier onder meer aangegeven dat zij een werknemer heeft die bij het project is betrokken en dat zij het S&O-loon op fl. 54.000,00 begroot.

In het licht hiervan is verweerders verzoek aan appellante om aan te tonen dat zij als inhoudingsplichtige bij de belastingdienst bekend staat, niet irrelevant voor de vraag of een S&O-verklaring aan een S&O-inhoudingsplichtige is af te geven.

Het heeft op de weg van appellante gelegen om zo nodig verweerder te vragen zijn verzoek toe te lichten en/of de gestelde termijn te verlengen. Het College ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat appellante niet in verzuim is geweest door binnen deze termijn geen enkele reactie op verweerders verzoek te geven.

5.2 Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder op grond van artikel 4:5 van de Awb heeft kunnen besluiten de aanvraag van appellante buiten behandeling te laten. Het College overweegt dienaangaande als volgt.

Dat met appellantes aanvraag niet is voldaan aan een enig wettelijk voorschrift, heeft verweerder niet gesteld en is het College ook niet gebleken.

Verweerder heeft voor een beslissing op appellantes aanvraag gegevens nodig geacht, waaruit blijkt dat appellante als inhoudingsplichtige bij de belastingsdienst bekend staat, althans dat sprake is van (de oprichting van) een besloten vennootschap.

Appellantes aanvraag is echter met name gericht op een S&O-verklaring omtrent de werkzaamheden die de belastingplichtige A, vennoot van appellante, als zelfstandige verricht.

Waarom een beslissing op de aanvraag voor A als belastingplichtige niet mogelijk zou zijn zonder gegevens over appellante als inhoudingsplichtige, heeft verweerder niet aangegeven.

Dit valt zonder meer ook niet in te zien, waar de WVA in zijn artikelen 1 en 24 een onderscheid maakt tussen een S&O-verklaring aan een inhoudingsplichtige en een S&O-verklaring aan een belastingplichtige.

Verweerders veronderstelling dat de opgegeven ondernemingnaam "Digitex i.o." zou wijzen op een besloten vennootschap en niet - zoals in het aanvraagformulier was vermeld en uit het handelsregister is gebleken - een vennootschap onder firma, staat op zich zelf niet in de weg aan een beoordeling van de werkzaamheden die de belastingplichtige

A voornemens is als zelfstandige te verrichten.

De conclusie is dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom op grond van artikel 4:5 van de Awb de aanvraag buiten behandeling is gelaten, voor zover de aanvraag is gericht op een S&O-verklaring over de werkzaamheden die de belastingplichtige A voornemens is als zelfstandige te verrichten.

5.3 Gelet op voorgaande overwegingen is het bestreden besluit genomen in strijd met het artikel 7:12 , eerste lid, van de Awb.

Derhalve dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd.

Het College acht termen aanwezig voor de volgende, in het dictum vermelde, nadere beslissingen.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 27 juni 2000;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar van appellante beslist met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellante, vastgesteld op fl. 1.420,00 (zegge:

veertienhonderd-en-twintig gulden) en te vergoeden aan appellante door de Staat der Nederlanden;

- bepaalt dat het door appellante betaalde griffiegeld ten bedrage van fl. 450,00 (zegge: vierhonderd-en-vijftig gulden) wordt

vergoed door de Staat der Nederlanden;

- wijst af het meer en anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2001.

w.g. M.J. Kuiper w.g. F.W. du Marchie Sarvaas