Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD4767

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-10-2001
Datum publicatie
24-10-2001
Zaaknummer
AWB 00/877
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 00/877 18 oktober 2001

5125

Uitspraak in de zaak van:

Stichting Holtinger Schaapskudde, te Uffelte, appellante,

vertegenwoordigd door: A en B, bestuursleden,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr A. Worlanyoh, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 6 november 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 4 oktober 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen zijn besluit van 19 juni 2000 tot niet-ontvankelijkverklaring van appellantes aanvraag om steun in het kader van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling).

Op 23 april 2001 heeft het College van verweerder een verweerschrift ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2001, waarbij partijen de wederzijdse standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1. Artikel 8, eerste lid van Verordening (EEG) nr. 3887/92, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) 1648/95, luidt als volgt:

" 1. Behoudens overmacht leidt het te laat indienen van een aanvraag tot een verlaging van de steunbedragen waarop de aanvraag betrekking heeft, waarop het bedrijfshoofd recht zou hebben indien hij de aanvraag tijdig had ingediend, met 1% per werkdag. In geval van een vertraging van meer dan 25 dagen wordt de aanvraag niet ontvankelijk en kan deze niet langer tot toekenning van een bedrag leiden."

Ingevolge artikel 2.6, eerste lid, van de Regeling is een aanvraag als bedoeld in artikel 2.5 van de Regeling, niet-ontvankelijk indien deze niet binnen de door de Minister voor die aanvraag vastgestelde periode schriftelijk is ontvangen.

Voor het verkoopseizoen 2000 heeft de Minister voor aanvragen als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van de Regeling de periode van 10 januari tot en met 10 februari 2000 vastgesteld (Regeling vaststelling aanvraagperioden 2000 EG-premies ooien, stieren en ossen; Stcrt. 1999, 221).

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 16 juni 2000 heeft LASER van appellante een aanvraagformulier in het kader van de Regeling ontvangen.

- Bij besluit van 19 juni 2000 heeft LASER de aanvraag van appellante niet-ontvankelijk verklaard, aangezien de aanvraag niet tijdig is ingediend.

- Tegen voormeld besluit heeft appellante bij brief van 25 juli 2000 bij verweerder bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - samengevat - onder meer het volgende in.

Voor het verkoopseizoen 2000 heeft de Minister de aanvraagperiode vastgesteld van 10 januari 2000 tot en met 10 februari 2000. Met betrekking tot aanvragen die tot en met 25 dagen na 10 februari 2000 zijn ingediend wordt een korting van 1% per werkdag berekend. Deze kortingsperiode liep tot en met 6 maart 2000. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Verordening (EEG) 3887/92 is een aanvraag die meer dan 25 dagen te laat door LASER wordt ontvangen niet ontvankelijk, behoudens indien sprake is van overmacht.

Voor de bepaling of de aanvraag tijdig is gaan de Regeling en de daaraan ten grondslag liggende Verordeningen uit van de ontvangsttheorie. De aanvraag van appellante is op 16 juni 2000 door LASER ontvangen, derhalve na het verstrijken van de door de Minister vastgestelde aanvraagperiode en de daarop volgende kortingsperiode van 25 dagen.

Geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken, welke zouden kunnen wijzen op overmacht.

4. Het standpunt van appellant

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante heeft tijdig per gewone post een premie-aanvraag voor het aanhouden van ooien aan LASER toegezonden. Nadat appellante had ontdekt dat deze aanvraag niet door LASER was ontvangen, heeft zij alsnog - nadat de indieningstermijn was verstreken - een aanvraag ingediend.

Appellante beroept zich op overmacht.

5. De beoordeling van het geschil

In het onderhavige geding dient te worden beoordeeld of verweerder terecht zijn beslissing waarbij hij de aanvraag van appellante niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van termijnoverschrijding, heeft gehandhaafd. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Het betoog van appellante dat zij tijdig per post een aanvraag heeft verzonden aan LASER, doch dat deze aanvraag niet door LASER is ontvangen, overtuigt het College bij gebrek aan bewijs ter ondersteuning van dit betoog, niet. Indien een niet-aangetekend verzonden brief niet wordt ontvangen, ligt het risico daarvoor bij de verzender. Het feit dat een verzonden brief niet wordt ontvangen levert op zichzelf geen overmacht op, tenzij een dergelijke brief aangetekend zou zijn verzonden.

Zoals het College reeds eerder heeft overwogen volgt uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dat in een geval als het onderhavige sprake is van overmacht, indien het niet tijdig indienen van de aanvraag het gevolg is van de volstrekte onmogelijkheid om de geldende termijn na te leven, dan wel te wijten is aan abnormale en onvoorziene omstandigheden, die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet kunnen worden vermeden. Dergelijke omstandigheden zijn in het onderhavige geding gesteld noch gebleken.

Niet in geschil is dat verweerder op 16 juni 2000 van appellante een aanvraag heeft ontvangen. Verweerder heeft deze aanvraag op goede gronden - onder toepassing van het hiervoor in rubriek 2.1. weergegeven kader - niet-ontvankelijk verklaard, nu deze aanvraag is ontvangen na het verstrijken van de door de Minister vastgestelde aanvraagperiode, en de daarop gevolgde kortingsperiode van 25 dagen, terwijl naar het oordeel van het College geen sprake is van overmacht.

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2001.

w.g. W.E. Doolaard w.g. Th.J. van Gessel