Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD4766

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-10-2001
Datum publicatie
24-10-2001
Zaaknummer
AWB 01/707
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/707 12 oktober 2001

11246

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorzieningen in de zaak van:

A, te X, verzoeker,

tegen

de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

gemachtigde: mr G. de Goede, werkzaam op verweerders ministerie.

1. De procedure

Bij besluit van 13 juli 2001 heeft verweerder verzoeker een tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 86 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Wet) toegekend. Bij dit besluit heeft verweerder bepaald dat verzoeker een korting van 70% van de taxatiewaarde van zijn in het kader van de bestrijding van het mond- en klauwzeervirus gedode veestapel en vernietigde producten en voorwerpen wordt opgelegd.

Bij faxbericht gedateerd 17 augustus 2001 heeft verzoeker bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 juli 2001.

Bij faxbericht van 30 augustus 2001 heeft verzoeker zich tot de president van het College gewend met het verzoek voorlopige voorzieningen te treffen, inhoudende dat de aan verzoeker opgelegde verplichting tot terugbetaling van een gedeelte van het hem bij wijze van voorschot op de tegemoetkoming in de schade uitbetaalde geldbedrag wordt geschorst, alsmede dat verweerder wordt verplicht onverwijld over te gaan tot betaling van zodanige aanvullende tegemoetkoming in de schade dat 100% van de taxatiewaarde van de in het kader van de bestrijding van het mond- en klauwzeervirus gedode veestapel en vernietigde producten en voorwerpen wordt vergoed.

Bij brief van 18 september 2001 heeft verweerder een reactie op het verzoek ingezonden.

De president heeft het verzoek behandeld ter zitting van 5 oktober 2001, alwaar partijen hun standpunt nader hebben toegelicht. Van de zijde van verzoeker waren daarbij aanwezig diens echtgenote en de heer B. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet wordt onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 21

1. Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester, zo nodig na overleg met het hoofd van de voor de provincie waar het geval zich heeft voorgedaan, door de stichting genoemd in artikel 82 aangewezen of ingestelde gezondheidsdienst voor dieren, zo spoedig mogelijk mede welke maatregelen tot bestrijding van de ziekte door hem nodig worden geacht.

(…)

Artikel 22

1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:

(…)

f. het doden van zieke en verdachte dieren;

g. het onschadelijk maken van gedode of gestorven, zieke en verdachte dieren, en van produkten en voorwerpen, die besmet zijn of ervan worden verdacht gevaar op te leveren voor verspreiding van smetstof;

(…)

Artikel 86

1. Uit het Diergezondheidsfonds wordt aan de eigenaar een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd, indien:

a. dieren krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden gedood;

b. produkten en voorwerpen krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel g, onschadelijk worden gemaakt;

(…)

2. De tegemoetkoming in de schade bedraagt:

a. voor verdachte dieren: de waarde in gezonde toestand,

b. voor zieke dieren: het bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gedeelte van de waarde in gezonde toestand,

c. voor produkten en voorwerpen: de waarde op het moment van de maatregel,

met dien verstande, dat het aldus bepaalde bedrag met bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentages kan worden verlaagd. Deze percentages verschillen naar gelang aan de in de laatste zinsnede bedoelde maatregel gestelde eisen ter zake van de inrichting van het bedrijf is voldaan en door de eigenaar in die maatregel bedoelde maatregelen zijn genomen om de gezondheid van de dieren op het bedrijf te waarborgen.

(…)

Artikel 104

1. Een ieder wie zulks aangaat is verplicht te handelen overeenkomstig dan wel zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van een krachtens deze wet gegeven bevel of genomen maatregel.

(…)

Artikel 109

Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven."

In het Besluit verlaging tegemoetkoming aangewezen dierziekten (Stb 2000, 537; hierna: het Besluit), wordt onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. wet: Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

(…)

c. maatregel: maatregel als bedoeld in artikel 22 van de wet;

d. tegemoetkoming: tegemoetkoming als bedoeld in artikel 86, eerste lid, van de wet.

Artikel 3

1. De in artikel 86, tweede lid, van de wet bedoelde percentages tot verlaging van de tegemoetkoming bedragen:

a. indien de eigenaar of onder diens verantwoordelijkheid werkzame personen de artikelen 19, 25, 29, 101 of 104 van de wet niet naleven: 100%;

(…)

f. indien de eigenaar of onder diens verantwoordelijkheid werkzame personen het bepaalde bij of krachtens de artikelen 10a, 35, 36 of 38, eerste of derde lid, van de Veewet of de artikelen 3, 4, 6, 8, 9, 10, 11, 17, 18, 20, 26, eerste lid, 30, 96 of 97 van de wet niet naleven, voorzover de bepaling betrekking heeft op de dierziekte in verband waarmee de maatregel is toegepast, op de diersoort waarop de maatregel is toegepast of op de diersoort die getroffen kan worden door de dierziekte in verband waarmee de maatregel is toegepast: 35% per gebeurtenis:

(…)

h. indien de eigenaar of onder diens verantwoordelijkheid werkzame personen door een bedrijfslichaam vastgestelde regels niet naleven die betrekking hebben op de preventieve gezondheidszorg bij het houden van dieren van de soort waarop de maatregel is toegepast: 35% per gebeurtenis.

2. Indien een tegemoetkoming meer dan één keer wordt verlaagd wegens een van de gronden, genoemd in de onderdelen a tot en met h van het eerste lid, worden de toepasselijke percentages bij elkaar opgeteld tot een maximum van 100.

3. Een verlaging van de tegemoetkoming vindt niet plaats, indien:

a. de verlaging zou moeten worden opgelegd wegens een verzuim dat zich heeft voorgedaan langer dan zeventien weken voor de bekendmaking van het besluit tot het nemen van de maatregel op grond waarvan het recht op een tegemoetkoming bestaat, en

b. in een aaneengesloten periode van zeventien weken nadat het verzuim zich heeft voorgedaan in Nederland geen dieren zijn gedood of raten zijn vernietigd ter uitvoering van een maatregel ter bestrijding van dezelfde dierziekte als waarop de maatregel, bedoeld in onderdeel a, betrekking heeft."

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorzieningen gaat de president uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- In het kader van de bestrijding van het mond- en klauwzeervirus is de veestapel van verzoeker gedood en is een aantal op zijn bedrijf aanwezige producten en voorwerpen vernietigd.

- De totale waarde van de op het bedrijf van verzoeker gedode veestapel (inclusief BTW) en de op dit bedrijf vernietigde producten en voorwerpen (exclusief BTW) is op 23 en 26 april 2001 getaxeerd. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze taxatie, waarop verweerder bij brief van 30 juli 2001 onder toepassing van artikel 87, tweede lid, van de Wet de kantonrechter heeft ingeschakeld.

- Bij ongeadresseerd schrijven van 24 april 2001 heeft verweerder te kennen gegeven dat, vooruitlopend op de vaststelling van de tegemoetkoming in de schade, een voorschot wordt verstrekt van 50% van de door de taxateur opgegeven bedragen. Bij de vaststelling van de tegemoetkoming wordt dit voorschot verrekend.

- In zijn besluit van 13 juli 2001 heeft verweerder onder meer het volgende overwogen.

" Op de tegemoetkoming zoals die volgt uit het bepaalde in het tweede lid van artikel 86 Gwwd is in uw geval een korting toegepast. Uit het rapport van de AID, bijgevoegd als bijlage bij deze beschikking, blijkt dat u niet heeft voldaan aan de eisen zoals genoemd in het Besluit (…).

De eisen waar u niet aan heeft voldaan, vindt u in het bijgevoegde AID-rapport. Dit leidt tot een kortingspercentage van 70%.

Na toepassing van voornoemd kortingspercentage bedraagt de tegemoetkoming f. 59.618,61. Het aan u verstrekte voorschot wordt met dit bedrag verrekend."

- Het rapport van 14 juni 2001 van de Algemene Inspectiedienst (AID) met betrekking tot het bedrijf van verzoeker met Uniek Bedrijfsnummer P bevat onder meer de volgende passages:

" (…)

De dierenarts E. de Haan bevond zich op 05-04-2001 omstreeks 09.30 uur en later op het bedrijf van A boven genoemd. Drs. De Haan was daar aanwezig om de aanwezige dieren, die daarvoor in aanmerking komen, te vaccineren. Op een gegeven moment wilde Drs. De Haan de runderen, eveneens behorende bij het bedrijf van A boven genoemd, vaccineren welke in het weiland, gelegen achter de stal, liepen. A gaf aan Drs. De Haan geen toestemming om het weiland te betreden. (…)

Bovenstaande is in strijd met artikel 104 lid Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD).

Er hebben varkenstransporten plaats gevonden, waarvoor door de exploitant van het varkenshouderijbedrijf, waarvan varkens werden afgevoerd, geen melding is gedaan aan het Identificatie & Registratiebureau Varkensleveringen te Deventer.

Het betreft de volgende varkensleveringen:

Datum transport (…) Bestemmingsbedrijf

25-11-2000 (…) UBN Q

16-01-2001 (…) idem

14-03-2001 (…) idem

Bovenstaande is in strijd met artikel 16 van de Regeling varkensleveringen.

Er heeft nog geen jaarlijkse hygiëne-check plaats gevonden (Artikel 24, onder 15 van de Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten). Op 26-04-2001 is er bij de Stichting Centraal Bureau Diensten aan Slachtdieren (CBD) opgevraagd of er in het verleden een hygiënecheck heeft plaatsgevonden op het bedrijf van gecontroleerde A. Op 27-04-2001 is hierop het antwoord ontvangen dat er in het verleden nog nooit een hygiënecheck heeft plaatsgevonden op het bedrijf van gecontroleerde A.

(…)

Tijdens de ruiming werd met betrekking tot de I&R-controle runderen het navolgende geconstateerd.

· Op het bedrijf werden 5 runderen aangetroffen welke niet identificeerbaar waren.

· Op de I&R stallijst d.d. 25-04-2001, welke door ons tijdens de ruiming gebruikt werd, kwamen 10 ID-Codes voor, behorende bij runderen, welke niet op het bedrijf werden aangetroffen. (…)

· 4 runderen welke op het bedrijf aanwezig waren, waren niet aangemeld binnen het I&R-systeem.Als betreffende runderen zijn aangevoerd voor het vervoersverbod is het e.e.a. in strijd met artikel 13 lid 1 en 2 van de Verordening Identificatie en registratie runderen 1998. Als betreffende runderen aangevoerd zijn na ingang van het vervoersverbod, dan is het e.e.a. in strijd met het betreffende artikel van de Regeling vervoersverbod Mond en Klauwzeer. (…)

· 2 kalveren, waren nog niet aangemeld binnen het I&R-systeem. Betreffende kalveren waren in ieder geval ouder dan 10 werkdagen. (…)

Bovenstaande is in strijd met artikel 7 lid 3, artikel 9 en artikel 13 lid 1 en 2 van de Verordening Identificatie en registratie runderen 1998.

I&R Varkens:

Er hebben een aantal varkenstransporten plaats gevonden waarvan door de ondernemer van betreffend varkenshouderijbedrijf geen afmeldingen zijn gedaan aan het I&R-systeem. Het betreft de volgende varkenstransporten:

Datum transport (…) Bestemmingsbedrijf

25-11-2000 (…) UBN Q (…)

(…)

28-11-2000 R

16-01-2001 (…) Q (…)

14-03-2001 idem

Artikel 13, lid 1 van de Verordening Identificatie en Registratie Varkens 1998.

Gecontroleerde A verklaarde dat hij een deel van zijn biggen afmest op de lokatie Q. Hij was in de veronderstelling dat het aanmelden op het varkenshouderijbedrijf te Y voldoende was en dat hij de biggen niet apart nog hoefde af te melden op het varkenshouderijbedrijf te X.

(…)."

- Bij brief van 10 augustus 2001 heeft verweerder verzoeker onder meer het volgende bericht:

" De Minister heeft in een brief van 20 juli jl. aan de Vaste Commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij toegezegd de 240 dossiers waarin kortingen zijn opgelegd, opnieuw te bezien aan de hand van de voorgenomen bijstellingen van het kortingenregime. De eerste bijstelling die is voorzien zal er toe leiden dat tekortkomingen op een bedrijf ten aanzien van de ene diersoort niet leiden tot een verlaging van de tegemoetkoming voor de andere diersoort(en) op het bedrijf. De tweede bijstelling die is voorzien is dat bij niet naleving van I&R voorschriften in beginsel een korting van 15% (of 35% bij vijf of meer overtredingen) zal worden opgelegd, behoudens indien de dierziektebestrijding verwijtbaar in gevaar is gebracht. Ook zal het percentage waarmee de tegemoetkoming wordt verlaagd voor overtredingen van de Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000 worden vastgesteld op 15% (of 35% bij vijf of meer overtredingen). (…) Tenslotte zal géén verlaging worden toegepast op de tegemoetkoming voor producten en voorwerpen.

Tevens is toegezegd dat de dossiers andermaal zouden worden onderzocht of in de uitvoering geen kortingen zijn opgelegd wegens futiliteiten. Tenslotte zouden de dossiers waarin naar verwachting geen positief resultaat te verwachten was, nogmaals worden doorgelicht op aperte onbillijkheden.

Hoewel naar verwachting het debat met de kamer over een eventuele meer fundamentele wijziging van het kortingenregime nog wordt voortgezet en voorts met de wijziging van het besluit de nodige tijd is gemoeid, is besloten in de financiële uitvoering van de kortingen dossiers feitelijk reeds overeenkomstig bovengenoemde lijnen te handelen.

(…)

Bij bestudering van de kortingdossiers is gebleken dat één en ander voor u naar alle waarschijnlijkheid niet zal leiden tot een wijziging in het kortingspercentage. Nader bestudering van uw dossier leerde dat sprake is van een overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 104 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Voor deze overtredingen geldt een verlaging van 100%. Aangezien de herziening van het beleid en de regelgeving tot doel heeft de gevolgen van het kortingenregime te verzachten wordt deze gelegenheid niet aangegrepen om de gevolgen in uw geval te verergeren. Het percentage van de verlaging wordt derhalve gehandhaafd op 70%. Wèl leiden bovengenoemde wijzigingen er naar alle waarschijnlijkheid toe dat uw tegemoetkoming voor producten en voorwerpen zal worden bijgesteld. U heeft derhalve recht op een voorschot. In de bijlage kunt u zien wat - zoals het zich thans laat aanzien - de consequentie is voor uw tegemoetkoming. Bij de uiteindelijke vaststelling van de definitieve tegemoetkoming zal dit voorschot met u worden verrekend.

Deze brief is informatief van aard en bevat nog niet het definitieve besluit waarin de hoogte van de tegemoetkoming in uw schade wordt vastgesteld. Dit besluit zal u over enige tijd worden toegezonden nadat de regelgeving is gewijzigd. (…)

(…)."

- Bij brief van 17 augustus 2001 heeft verweerders dienst LASER verzoeker onder meer het volgende bericht:

" Bij de beschikking van 10 augustus 2001 werd abusievelijk een onjuiste versie van de berekening schadeloos stelling bijgevoegd.

Hierbij doen wij u de juiste versie toekomen. Hieruit blijkt dat de som van de door u ontvangen bedragen hoger is dan het bedrag waar u recht op heeft.

Derhalve verzoek ik u het ten onrechte ontvangen bedrag ad fl. 33.484,76 binnen 8 dagen na dagtekening van deze brief terug te betalen. (…)

Mocht u aan dit verzoek niet voldoen, wil ik u erop wijzen dat na het verstrijken van bovengenoemd termijn de vordering zal worden overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder. De daaruit voortvloeiende kosten zullen voor uw rekening zijn."

3. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft, zakelijk weergegeven en voor zover in dit kader van belang, het volgende aangevoerd.

Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorzieningen. De bank heeft geweigerd hem krediet te verstrekken zolang de besluitvorming over de tegemoetkoming in de schade niet is afgerond. Zonder dit krediet wordt de bedrijfsvoering ernstig bemoeilijkt. Indien verzoeker thans het voorschot dient terug te betalen, leidt dat ertoe dat hij een deel van zijn pas aangeschafte veestapel weer zal moeten verkopen. Voorts wordt bij uitblijven van betaling van een aanvullend voorschot de bedrijfsvoering van verzoeker bemoeilijkt in die zin dat het voor hem in dat geval niet mogelijk is zijn varkens in een gesloten systeem te houden.

Verweerder verwijt verzoeker ten onrechte dat hij geen medewerking heeft verleend aan de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees (hierna: RVV). De RVV is onaangekondigd langsgekomen op het bedrijf. Op dat moment stond een aantal runderen in de wei. Verzoeker heeft de RVV voorgesteld deze runderen de volgende morgen in te enten, omdat ze dan op stal zouden staan. Wanneer de RVV de runderen in de wei zou benaderen, zouden de runderen erg onrustig worden, wat het inenten ernstig zou bemoeilijken en in ieder geval erg tijdrovend zou zijn. De RVV heeft ingezien dat het inenten van de runderen in de wei geen optie was en heeft het bedrijf van verzoeker verlaten nadat het vee dat op stal stond, was ingeënt. Dierenarts De Haan heeft verzoeker verteld dat hij heeft geweigerd de zijdens verweerder opgestelde verklaring te ondertekenen, omdat De Haan het niet eens is met de manier waarop verweerder de gang van zaken voorstelt. Een niet ondertekende verklaring kan niet tot bewijs dienen. Verzoeker acht het wrang dat hem gebrek aan medewerking wordt verweten, nu uitgerekend hij erg veel heeft gedaan door de RVV. Zo is hij voorafgaand aan een aantal ruimingen op verzoek van de RVV naar het betrokken bedrijf gegaan om met de veehouder te praten en de gemoederen tot bedaren te brengen. Ook is hij op verzoek van de RVV naar een aantal blokkades toegegaan om degenen die deze hadden opgeworpen tot rede te brengen.

Verweerder presenteert een lijst met overtredingen die verzoeker zou hebben begaan, maar deze lijst geeft een vertekend beeld. Een aantal runderen ten aanzien waarvan de voorschriften niet zouden zijn nageleefd, wordt twee keer genoemd. Deze runderen waren traceerbaar en vormden dus geen enkel risico. De twee beweerdelijk niet gemelde kalveren waren ten tijde van het besluit tot verdachtverklaring net geboren en zijn in het kader van dit besluit door de RVV geregistreerd. Een aantal overtredingen was ten tijde hier van belang meer dan zeventien weken oud en derhalve niet relevant. Gedurende deze termijn van zeventien weken heeft verzoeker twee keer de afvoer van een partij varkens niet gemeld. De ontvanger van deze partijen heeft de varkens echter wel aangemeld, zodat deze varkens traceerbaar waren. De verplichting tot het (laten) verrichten van een hygiënecheck is gebaseerd op een op 20 december 2000 in werking getreden besluit. Nu in dit besluit wordt bepaald dat de eerste check binnen een jaar moet worden uitgevoerd, is van overtreding van dit besluit geen sprake.

4. Het standpunt van verweerder

In reactie op het verzoek om voorlopige voorzieningen heeft verweerder onder meer het volgende naar voren gebracht.

Verweerder zal het door verzoeker terug te betalen geldbedrag niet invorderen voordat op het bezwaar is beslist. Verweerder is bereid te zijner tijd een betalingsregeling te treffen indien de financiële situatie van verzoeker daartoe aanleiding geeft.

Verzoeker heeft meerdere overtredingen van de ter zake geldende voorschriften begaan.

Uit de stukken komt naar voren dat verzoeker geen medewerking als bedoeld in artikel 104 van de Wet heeft verleend. Ook indien de verklaring van De Haan zou worden aangepast op de door verzoeker voorgestane wijze, blijft verweerder van oordeel dat sprake is van gebrek aan medewerking. Verweerder constateert evenwel dat de rapportage van de AID ter zake en de daaraan ten grondslag liggende gegevens in het geheel niet stroken met de door verzoeker ter zitting omtrent de gebeurtenissen afgelegde verklaring. Verweerder ziet hierin alle aanleiding zeer grondig onderzoek te doen verrichten alvorens een besluit op bezwaar te nemen. Alle door verzoeker aangedragen argumenten zullen in de besluitvorming worden betrokken.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, wat gelet op het bepaalde bij artikel 109 van de Wet hier het geval is, de president van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

5.2 Met betrekking tot de spoedeisendheid van het verzoek overweegt de president als volgt.

Ter zitting is zijdens verweerder toegezegd dat niet tot invordering van het - in de visie van verweerder - door verzoeker terug te betalen bedrag van fl. 33.484,76 zal worden overgegaan tot op het door verzoeker gemaakte bezwaar tegen het besluit van 13 juli 2001 is beslist. Gelet op deze toezegging is de president voorlopig van oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang (meer) heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening waarbij de hem opgelegde verplichting tot terugbetaling van bovengenoemd geldbedrag wordt geschorst.

Naar voorlopig oordeel van de president is onvoldoende aannemelijk geworden dat verzoeker bij het uitblijven van de door hem verlangde aanvullende tegemoetkoming in de schade op korte termijn in zodanige financiële problemen zal geraken, dat hij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, waarbij verweerder wordt verplicht onverwijld over te gaan tot het uitbetalen van zodanige aanvullende tegemoetkoming in de schade. De president acht aannemelijk dat de uitbraak van het mond- en klauwzeervirus verzoeker zwaar heeft getroffen, maar verzoeker heeft geen stukken overgelegd waaruit naar het voorlopige oordeel van de president onmiskenbaar blijkt dat het voortbestaan van zijn bedrijf op korte termijn ernstig wordt bedreigd indien hij niet over een aanvullende tegemoetkoming kan beschikken.

Het vorenstaande leidt de president, voorlopig oordelend, tot de slotsom dat het verzoek om voorlopige voorzieningen niet voor inwilliging vatbaar is, nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorzieningen.

5.3 In aanvulling op het vorenstaande overweegt de president in het voetspoor van eerdere uitspraken dat in beginsel slechts aanleiding kan zijn tot het treffen van een voorlopige voorziening in een zaak als de onderhavige, waar het gaat om een financieel belang, indien, ook zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht, ernstig dient te worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is.

Een situatie als omschreven in de vorige alinea doet zich naar het voorlopige oordeel van de president hier niet voor. Met verweerder is de president van oordeel dat de visie van verzoeker, in elk geval wat betreft het door verweerder gestelde gebrek aan medewerking, dermate afwijkt van het beeld dat uit de zijdens verweerder in het geding gebrachte stukken naar voren komt, dat een grondig nader onderzoek naar de gang van zaken aangewezen is te achten. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de zaak wat betreft de feiten zo duidelijk is dat het treffen van een voorlopige voorziening in beeld komt.

Naar voorlopig oordeel van de president roept deze zaak, behalve vragen over de feitelijke gang van zaken, ook ten aanzien van het recht vragen op die zich in beginsel niet lenen voor beantwoording in het kader van een verzoek om voorlopige voorziening. Zo is de president voorlopig van oordeel dat niet zonneklaar is dat het verweerder vrijstaat het verzoeker opgelegde kortingspercentage te fixeren op 70, indien verweerder na het verrichten van aanvullend onderzoek naar de feiten bij zijn standpunt zou blijven dat verzoeker geen medewerking heeft verleend. Dat zodanige fixatie naar voorlopig oordeel niet in strijd komt met het verbod van reformatio in peius, ontslaat verweerder niet van de verplichting te bezien of het billijk is te achten dat verzoeker bij een herbeoordeling van zijn dossier, die voortvloeit uit het voornemen van de minister het Besluit te wijzigen ten voordele van de veehouders aan wie een korting op de tegemoetkoming in de schade als gevolg van de mond- en klauwzeercrisis 2001 is opgelegd, alsnog nadelige gevolgen ondervindt van een overtreding die verweerder in eerste instantie, naar eigen zeggen abusievelijk, over het hoofd heeft gezien. Evenmin kan naar voorlopig oordeel van de president op voorhand worden gezegd dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd met betrekking tot het niet (doen) verrichten van een hygiënecheck zonder grond is, terwijl evenmin op voorhand duidelijk is dat verzoeker, zoals verweerder kennelijk voorstaat, kan worden verweten dat op zijn bedrijf ook in het verleden geen hygiënecheck heeft plaatsgevonden, nu de betreffende regelgeving ten tijde hier van belang niet langer van kracht was.

Het vorenstaande leidt de president tot het voorlopige oordeel dat deze zaak zowel wat betreft de feiten als het recht niet zo duidelijk ligt dat het treffen van de gevraagde voorlopige voorzieningen in beeld komt.

5.4 Het vorenstaande leidt de president tot de slotsom dat geen aanleiding bestaat tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorzieningen.

De president acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

6. De beslissing

De president wijst het verzoek om voorlopige voorzieningen af:

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr drs B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2001.

w.g. C.M. Wolters w.g. B. van Velzen