Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD4703

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-10-2001
Datum publicatie
19-10-2001
Zaaknummer
AWB 00/773
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 00/773 3 oktober 2001

5135

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr W. Frankema, werkzaam bij AVM Juristen, te Leeuwarden,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr M.M.F. Lobles en D. Özdemir, beiden werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 26 september 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 augustus 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen verweerders beslissing op zijn aanvraag op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouw-gewassen (hierna: de Regeling) ongegrond verklaard.

Verweerder heeft op 2 februari 2001 een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op 24 juli 2001 nog nadere gronden aan het College doen toekomen.

Op 22 augustus 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht. Appellant is voorts in persoon verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 10 van Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen luidt, voor zover van belang, als volgt:

"Artikel 10

(…)

2. Om voor het compensatiebedrag in aanmerking te komen moet de producent uiterlijk op 15 mei voorafgaand aan de betrokken oogst:

- hebben ingezaaid;

- een aanvraag hebben ingediend."

Bij Verordening (EG) nr. 1098/1999 van de Commissie van 27 mei 1999 tot uitstel van de uiterste datum voor het inzaaien van sommige akkerbouwgewassen in bepaalde gebieden voor het verkoopseizoen 1999/2000 is de uiterste datum voor Nederland vastgesteld op 31 mei 1999.

Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92, zoals gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 229/95, is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 4

(…)

2. a) De steunaanvraag "oppervlakten" mag na de uiterste datum voor de indiening ervan worden gewijzigd op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten de wijzigingen uiterlijk op de data als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad ontvangen.

Wat de percelen landbouwgrond betreft, mag de steunaanvraag "oppervlakten" slechts worden gewijzigd in bijzondere gevallen die naar behoren zijn gemotiveerd, zoals met name een overlijden, een huwelijk, aan- of verkoop of de sluiting van een pachtovereenkomst. De Lid-Staten stellen de desbetreffende voorwaarden vast. Het is evenwel niet mogelijk een perceel toe te voegen aan de percelen die voor een braaklegging of als voederareaal zijn aangegeven, tenzij het een geval betreft dat overeenkomstig de desbetreffende bepalingen naar behoren is gemotiveerd en op voorwaarde dat dit perceel reeds voor braaklegging of als voederareaal was opgenomen in een steunaanvraag van een ander bedrijfshoofd, welke laatste steunaanvraag dan dienovereenkomstig wordt gecorrigeerd.

b) Met betrekking tot het gebruik of de betrokken steunregeling kunnen in alle gevallen wijzigingen worden aangebracht. Het is evenwel niet mogelijk een perceel toe te voegen aan de percelen die voor een braaklegging zijn aangegeven.

(…)

Artikel 5 bis

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 4 en 5 kan een steunaanvraag, in geval van een door de bevoegde instantie erkende klaarblijkelijke fout, na de indiening op elk moment worden aangepast."

In de Regeling is ten tijde hier van belang onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 9

1. Na sluiting van de aanvraagperiode doch uiterlijk tot en met 15 mei voorafgaand aan het betrokken verkoopseizoen kan de aanvraag oppervlakten worden gewijzigd in de gevallen bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a, van verordening 3887/92.

2. In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag oppervlakten na 15 mei worden gewijzigd:

a. in geval van een duidelijke fout;

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft op 28 april 1999 bij de uitvoeringsdienst LASER een formulier "Aanvraag oppervlakten 1999 vereenvoudigde regeling en voederareaal" ingediend.

- Bij brief van 31 mei 1999, ontvangen door LASER op 1 juni 1999, heeft appellant LASER verzocht wijzigingen in zijn aanvraag toe te staan met betrekking tot zeven percelen.

- Op 7 juli 1999 heeft LASER aan appellant medegedeeld dat een aantal onvolkomen-heden zijn geconstateerd in de aanvraag en dat het aanvraagformulier op initiatief van LASER op die punten is gewijzigd.

- Verweerder heeft appellant op 15 juli 1999 bericht dat de door appellant bij brief van 1 juni 1999 voorgestelde wijzigingen betrekking hebben op het toevoegen van braakpercelen en van graanpercelen, welke wijzigingen uiterlijk op 31 mei 1999 door LASER ontvangen hadden moeten zijn. Bij de beoordeling van de aanvraag van appellant zal derhalve worden uitgegaan van de gegevens zoals die door verweerder in de bovengenoemde brief van 7 juli 1999 zijn aangegeven. Appellant wordt uiterlijk december 1999 een beslissing op zijn aanvraag in het vooruitzicht gesteld.

- Appellant heeft op 21 juli 1999 bezwaar gemaakt tegen de beslissing van 15 juli 1999.

- Bij brief van 23 juli 1999 heeft verweerder aan appellant medegedeeld dat de brief van 15 juli 1999 geen voor bezwaar vatbaar besluit betreft, zodat het bezwaarschrift als voortijdig wordt beschouwd. De behandeling van het bezwaar wordt aangehouden tot het begin van de bezwaartermijn, welke vermeld zal staan in de nog aan appellant te zenden beslissing op de aanvraag.

- Bij besluit van 1 december 1999, dat op 16 december 1999 aan appellant is verzonden, heeft verweerder diens aanvraag gedeeltelijk toegewezen.

- Bij brief van 2 januari 2000, door LASER ontvangen op 4 januari 200 heeft appellant verzocht zijn bezwaar mede gericht te achten tegen de beschikking van 1 december 1999.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt, voor zover te dezen van belang, het volgende in.

De brief van 15 juli 1999 bevat geen definitieve beslissing op de aanvraag van appellant. Eerst de beslissing van 1 december 1999 is voor bezwaar en beroep vatbaar.

Uit onderzoek binnen LASER is verweerder niet gebleken dat aan appellant tegenstrijdige informatie is verstrekt.

Artikel 9, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat na sluiting van de aanvraagperiode doch uiterlijk tot en met 15 mei voorafgaand aan het betrokken verkoopseizoen de aanvraag oppervlakten kan worden gewijzigd in de gevallen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder 1, van de Verordening (EEG) nr. 3887/92.

Wegens de slechte weersomstandigheden is de uiterste inzaaidatum voor 1999 echter vastgesteld op 31 mei 1999. Dit houdt in dat aanvragen, mede gelet op artikel 10, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 1765/92, kunnen worden gewijzigd tot 31 mei 1999. Het verzoek tot wijziging van de aanvraag is op 1 juni 1999, derhalve ná de uiterste datum van 31 mei 1999, ontvangen.

Artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling bepaalt dat de aanvraag oppervlakten in afwijking van het eerste lid na 15 mei kan worden gewijzigd in geval van een duidelijke vergissing. Van een dergelijke duidelijke vergissing is naar het oordeel van verweerder geen sprake.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellant heeft zijn verzoek tot wijziging van de aanvraag tijdig bij verweerder ingediend. Verweerder hanteert een te beperkte uitleg van artikel 10, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 1765/92, nu daarin niet is bepaald dat de aanvraag uiterlijk op 31 mei 1999 ontvangen moet zijn, maar dat deze uiterlijk op 31 mei 1999 moet zijn ingediend. Artikel 10 van voormelde Verordening dient naar analogie van artikel 6:9 van de Awb te worden uitgelegd. Een aanvraag dient als tijdig ingediend te worden beschouwd, indien deze voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en binnen een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Appellant heeft te goeder trouw gehandeld. De bestreden beslissing is onzorgvuldig tot stand gekomen. Verweerder heeft appellant tijdens telefoongesprekken op 26 april 1999 en 27 april 1999 tegenstrijdige informatie verstrekt. Uit het gesprek op 26 april 1999 heeft appellant begrepen dat hij wel eerst een voorlopige aanvraag kon invullen en dat hij na 15 mei 1999 zonder problemen nog wijzigingen kon doorvoeren. Enige voorwaarde was dat de wijzigingen moesten zijn doorgegeven voordat er een AID-controle was geweest. Nadat appellant op 27 mei 1999 met verweerder had gebeld en hij op 31 mei 1999 zijn wijzigingsaanvraag had toegezonden werd hem medegedeeld dat de door hem doorgegeven wijzigingen uiterlijk op 31 mei 1999 ontvangen hadden moeten zijn. Dit is in strijd met het vertrouwensbeginsel. Appellant had in de gelegenheid dienen te worden gesteld om te worden gehoord. Nu dit niet is geschied is appellant in zijn processuele belangen geschaad.

De brief van 15 juli 1999 is een voor bezwaar vatbare beslissing. Verweerder heeft de bewijspositie van appellant bemoeilijkt door de behandeling van het bezwaar aan te houden tot begin december 1999. Hoe langer wordt gewacht met onderzoek naar mondelinge mededelingen, des te groter is de kans dat een betreffende medewerker zich een gesprek niet meer kan herinneren.

Verweerder heeft intern onderzoek gedaan naar de gang van zaken. Appellant is van mening dat hij in de gelegenheid had behoren te worden gesteld om te reageren op de bevindingen van verweerder.

5. De beoordeling van het geschil

Het College dient te beoordelen of verweerder het op 1 juni 1999 door verweerder ontvangen verzoek van appellant tot wijziging van diens aanvraag, terecht als niet tijdig ingediend heeft beschouwd. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Het betoog van appellant dat hem telefonisch door een medewerker van LASER zou zijn medegedeeld dat hij, behoudens een controle door de AID, ook na 15 mei 1999 zonder problemen wijzigingen kon doorgeven, overtuigt het College niet nu ter ondersteuning van deze stelling geen bewijs wordt aangedragen. Hierbij komt dat verweerder dienaangaande intern onderzoek heeft gepleegd, waaruit geen feiten naar voren zijn gekomen die het standpunt van appellant ondersteunen. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel faalt mitsdien.

Verweerder hanteert voor de beantwoording van de vraag of een wijziging van een aanvraag in het kader van de Regeling tijdig is ingediend, de ontvangsttheorie, welk uitgangspunt is opgenomen in de bij de aanvraag oppervlakten behorende brochure. Dit beleid - waarmee appellant aldus bekend had kunnen zijn - is naar het oordeel van het College niet strijdig met artikel 10, tweede lid, van Verordening 1765/92, waarin is bepaald dat een producent om voor het compensatiebedrag in aanmerking te komen, uiterlijk op 15 mei voorafgaand aan de betrokken oogst - voor 1999 is deze termijn verlengd tot 31 mei - een aanvraag moet hebben ingediend.

Dat artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht aldus wordt gehanteerd dat voor de vraag of een bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend onder omstandigheden de verzendtheorie doorslaggevend is, doet het voorgaande niet anders zijn, nu het daarbij gaat om procedures op grond van nationaal recht en het in het onderhavige geval een aanvraag betreft die zijn grondslag vindt in de communautaire regelgeving. Het gaat derhalve niet om vergelijkbare gevallen en artikel 6:9 van de Awb kan niet zonder meer naar analogie op het onderhavige geval worden toegepast.

Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een kennelijke vergissing als bedoeld in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling, op grond waarvan verweerder wijziging van de aanvraag na 31 mei had moeten toestaan.

Hetgeen appellant voor het overige heeft aangevoerd doet, wat daar overigens van zij, het vorenoverwogene niet anders zijn, en kan derhalve onbesproken blijven.

Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2001.

w.g. D. Roemers w.g. Th.J. van Gessel