Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD4700

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-10-2001
Datum publicatie
19-10-2001
Zaaknummer
AWB 00/792
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 00/792 3 oktober 2001

5135

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr M.M.F. Lobles en D. Özdemir, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 4 oktober 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 7 september 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen verweerders beslissing op haar aanvraag op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) ongegrond verklaard.

Verweerder heeft op 20 november 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 22 augustus 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar verweerder bij monde van zijn gemachtigde zijn standpunt nader heeft toegelicht. Appellante is niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1. Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92 (hierna: de Verordening), zoals gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 229/95, is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 4

(…)

2. a) De steunaanvraag "oppervlakten" mag na de uiterste datum voor de indiening ervan worden gewijzigd op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten de wijzigingen uiterlijk op de data als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad ontvangen.

Wat de percelen landbouwgrond betreft, mag de steunaanvraag "oppervlakten" slechts worden gewijzigd in bijzondere gevallen die naar behoren zijn gemotiveerd, zoals met name een overlijden, een huwelijk, aan- of verkoop of de sluiting van een pachtovereenkomst. De Lid-Staten stellen de desbetreffende voorwaarden vast. Het is evenwel niet mogelijk een perceel toe te voegen aan de percelen die voor een braaklegging of als voederareaal zijn aangegeven, tenzij het een geval betreft dat overeen-komstig de desbetreffende bepalingen naar behoren is gemotiveerd en op voorwaarde dat dit perceel reeds voor braaklegging of als voederareaal was opgenomen in een steunaanvraag van een ander bedrijfshoofd, welke laatste steunaanvraag dan dienovereenkomstig wordt gecorrigeerd.

b) Met betrekking tot het gebruik of de betrokken steunregeling kunnen in alle gevallen wijzigingen worden aangebracht. Het is evenwel niet mogelijk een perceel toe te voegen aan de percelen die voor een braaklegging zijn aangegeven.

(…)

Artikel 5 bis

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 4 en 5 kan een steunaanvraag, in geval van een door de bevoegde instantie erkende klaarblijkelijke fout, na de indiening op elk moment worden aangepast.

Artikel 9

(…)

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de om de steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met:

tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 2% of dan 2 ha en niet groter dan 10% van de geconstateerde oppervlakte is;

30% wanneer het vastgestelde verschil groter dan 10% en niet groter dan 20% van de geconstateerde oppervlakte is.

Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

(…)"

In de Regeling is ten tijde hier van belang onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 11a

1. De in artikel 9 van verordening 3887/92 bedoelde sancties zijn niet van toepassing indien

a. een producent, nadat hij heeft vastgesteld dat zijn aanvraag fouten bevat die tot toepassing van een of meer van de genoemde sancties kunnen leiden, LASER daarvan op eigen initiatief schriftelijk in kennis stelt binnen 10 werkdagen nadat de fouten zijn vastgesteld,

b. de AID de producent niet heeft medegedeeld dat hij voornemens is een controle ter plaatse te verrichten of te laten verrichten,

c. de producent op geen enkele andere wijze kennis heeft kunnen krijgen van het onder b bedoelde voornemen, en

d. LASER, de AID of het productschap de producent nog niet over een of meer fouten als bedoeld in onderdeel a heeft ingelicht.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de fouten zijn toe te schrijven aan ernstige nalatigheid of opzet."

2.2. Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 3 mei 1999 (door LASER ontvangen op 5 mei 1999) bij verweerders uitvoeringsdienst LASER een formulier "aanvraag oppervlakten 1999 vereenvoudigde regeling en voederareaal" ingediend.

- Op 23 september 1999 heeft bij appellante een bedrijfscontrole door de AID plaatsgevonden, waarbij is geconstateerd dat in afwijking van de aanvraag, op de percelen 3 en 10 geen maïs maar gras stond.

- Bij brief van 28 september 1999 is namens appellante aan LASER bericht dat appellante op de aanvraag oppervlakten 1999, door mutaties in de perceelsnummers, per abuis had aangegeven dat op een drietal percelen, respectievelijk ter grootte van 1,07 ha, 0,03 ha en 0,18 ha, maïs werd geteeld, doch dat bij controle was gebleken dat dit niet het geval was; tevens is in deze brief verzocht één en ander zonder korting aan te passen.

- Bij besluit van 3 december 1999 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, nu tussen de aangevraagde oppervlakte maïs (6,72 ha) en de geconstateerde oppervlakte maïs (5, 47 ha) een verschil groter dan 20% aanwezig was, zodat geheel het recht op subsidie vervalt.

- Op 29 december 1999, door Laser ontvangen op 13 januari 2000, heeft appellante een bezwaarschrift ingediend tegen voornoemd besluit.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - samengevat - het volgende in.

De AID heeft tijdens een controle-onderzoek vastgesteld dat op de percelen met volgnummers 3 en 10 geen snijmaïs werd verbouwd, maar dat daarop gras stond. Appellante heeft dit erkend en geeft aan dat zij per abuis haar aanvraag oppervlakten onjuist heeft ingevuld.

Gelet op artikel 11a, eerste lid, van de Regeling kan de aanvraag van appellante na de AID-controle niet meer worden gewijzigd en zijn de sancties van artikel 9 van de Verordening (EEG) nr. 3887/92 van toepassing. Nu het verschil tussen de door appellante aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte snijmaïs, meer dan 20% bedraagt, vervalt geheel het recht op subsidie.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante kon eerst op 28 september 2001 een verzoek tot aanpassing van haar aanvraag indienen, omdat haar eerst toen bleek dat er door een ambtelijke mutatie van perceelsnummers misverstanden waren ontstaan waardoor per abuis subsidie was aangevraagd voor een perceel waarop geen maïs was geteeld.

In de bestreden beslissing heeft verweerder geen aandacht besteed aan de invloed van de mutatie op genoemd perceel. Appellante acht dit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Voorts doet appellante een beroep op het evenredigheidsbeginsel omdat de sanctie zeer grote financiële gevolgen heeft voor appellante.

5. De beoordeling van het geschil

Aan de orde is de vraag of verweerder bij het bestreden besluit zijn eerdere afwijzing van de aanvraag van appellante op grond van de Regeling mocht handhaven.

Dienaangaande overweegt het College als volgt.

Een aanvraag kan volgens de geldende regelgeving na de uiterste indieningsdatum slechts worden gewijzigd als sprake is van een duidelijke fout. De abusievelijke opgave door appellante in haar aanvraag oppervlakten van percelen waarop geen maïs stond, is niet als zodanig te beschouwen. De aanvraag is niet onlogisch, niet onvolledig en consequent ingevuld.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Verordening is verweerder gehouden het steun-bedrag te berekenen op basis van de bij de controle van de AID feitelijk geconstateerde oppervlakte. Aangezien bij de controle van het bedrijf van appellante bleek dat zij in de aanvraag oppervlakten een tweetal percelen voor maïspremie had opgegeven terwijl er gras op stond, konden deze percelen niet tot de feitelijk geconstateerde oppervlakte worden gerekend.

Gelet op het verschil tussen de in de aanvraag aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte was verweerder - nu ook van overmacht geen sprake was - op grond van artikel 9, tweede lid, laatste alinea, van de Verordening, gehouden aan appellante geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toe te kennen.

De schriftelijke mededeling van appellante aan LASER dat zij per abuis in de aanvraag oppervlakten voor een aantal percelen maïs had opgegeven, doet het voorgaande niet anders zijn, nu deze mededeling door appellante eerst is gedaan nadat de AID op het bedrijf de betreffende onjuistheden had geconstateerd en daarvan aan appellante mededeling had gedaan.

Uit de bestreden beslissing blijkt dat verweerder nota heeft genomen van het standpunt van appellante dat zij door mutaties van perceelsnummers per abuis voor een perceel maïspremie had aangevraagd, waarop geen maïs was geteeld. Verweerder heeft daarin kennelijk, en gelet op het vorenoverwogene naar het oordeel van het College terecht, geen aanleiding gezien tot een andersluidend oordeel. Schending van het zorgvuldigheids-beginsel doet zich in casu dan ook niet voor.

Overigens merkt het College op dat hem in het onderhavige geding op geen enkele wijze is duidelijk gemaakt hoe mutaties van perceelnummers kon leiden tot opgave van een verkeerd gewas.

De nationale bepalingen die tot deze sanctie nopen, alsmede die welke de zwaarte van de sanctie regelen berusten rechtstreeks op de toepasselijke communautaire regels, waarbij artikel 9, tweede lid, van de Verordening een naar de grootte van het verschil tussen opgegeven en feitelijk geconstateerde oppervlakte gedifferentieerde sanctionering voorschrijft. Er bestaat dan ook geen grond voor de stelling van appellante dat door oplegging van de betreffende sanctie het evenredigheidsbeginsel zou zijn geschonden.

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep van appellante ongegrond dient te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskosten-veroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2001.

w.g. D. Roemers w.g. Th.J. van Gessel