Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD1164

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-07-2001
Datum publicatie
29-08-2001
Zaaknummer
AWB 99/965
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No.AWB 99/965 12 juli 2001

27000

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: drs N.P.M. Klein, werkzaam bij PNO Consultants B.V. te Breda,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr ir R.J.J. Wijnands en mr R.E. Groenewold, beiden werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 25 november 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 oktober 1999.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de weigering haar een verklaring als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen af te geven.

Op 11 februari 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 25 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaat gehad, waarbij partijen hun standpunt nader hebben uiteengezet. Aan de zijde van appellante is tevens ter zitting verschenen C, werkzaam bij D.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: de WVA) is - ten tijde hier van belang - onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

l. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in Nederland verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek of de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudingsplichtige onderscheidenlijk de S&O-belastingplichtige technisch nieuwe:

1°. fysieke producten;

2°. onderdelen van fysieke producten;

3°. fysieke productieprocessen;

4°. onderdelen van fysieke productieprocessen;

5°. programmatuur of

6°. onderdelen van programmatuur;

alsmede daaraan voorafgaand in Nederland verricht haalbaarheidsonderzoek;

(…)

n. haalbaarheidsonderzoek: een activiteit gericht op het tot stand brengen van een schriftelijk rapport, inhoudende een systematisch opgezette en afgeronde analyse van de technische mogelijkheden van speur- en ontwikkelingswerk;

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft bij een daartoe strekkend aanvraagformulier, getekend 10 december 1998, bij verweerder een aanvraag ingediend om een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 24 van de WVA, met betrekking tot (voorzover hier van belang) een viertal projecten, welke als volgt zijn aangeduid:

" Project - 9701

(…)

Projecttitel : Daglicht/kunstlicht

Type Project : Ontwikkelingsproject

(…)

Omschrijving:

(…) Dit project is gericht op het ontwikkelen van de technische oplossing om het kunstlicht te vervangen. Daarbij kan gedacht worden aan spiegels en reflecterende plafonds. Probleem vormt onder andere de relatie van deze doelstelling met het toepassen van klimaatgevels, welke kunnen leiden tot lichtvermindering.

(…)

Technische nieuwheid:

De technische nieuwheid is gelegen is de spiegel- en andere reflectietechnieken met de daarbij behorende constructieve eisen en een optimale daglichtbenutting.

(…)

Project - 9702

(…)

Projecttitel : Dubo-gebouw

Type Project : Technisch-wetenschappelijk onderzoeksproject

(…)

Omschrijving:

(…) Doelstelling is om de technisch-wetenschappelijke kennis te verwerven over energietechnisch mogelijkheden van een licht gebouw. In de bestaande concepten zijn zware gebouwen nodig voor een goede warmte/koude-accumulatie. Door de energieopslag in de koude/warmteopslag te laten plaatsvinden kan lichter en daardoor duurzamer gebouwd worden. Belangrijk punt is de bepaling van de Energie Prestatie Norm (EPN). Met de diverse partners worden de eisen aan het Dubo-gebouw bepaald en onderzocht op hun technische realiseringskansen in relatie tot de projectdoelstelling. Zo vormen ook ventilatoren een specifiek onderwerp om de luchtstroming koud/warm energetisch beter te regelen.

(…)

Technische nieuwheid:

Het verkrijgen van kennis omtrent energietechniek in relatie tot een lichtgebouw (bijv. snelheid installatie), en het concept van een direct aangedreven frequentieregeling van ventilatoren (vermijden energieverlies bij toepassing conventionele V-snaar).

(…)

Project - 9802

(…)

Projecttitel : Energie-infrastructuur

Type Project : Haalbaarheidsonderzoek

(…)

Omschrijving:

In dit project wordt een studie verricht naar de technische mogelijkheden om te komen tot een energie-infrastructuur voor de stationsomgeving Tilburg. Ondersteund door de NOVEM zal bepaald worden hoe de energievoorziening van de diverse gebouwen gekoppeld en geïntegreerd kunnen worden waardoor een EPC gehaald moet worden van 1,14 per gebouw. Ook voor het gebied Houthavens wordt bepaald wat de technische mogelijkheden zijn om een collectief systeem voor de energie-infrastructuur te realiseren

(…)

Project - 9804

(…)

Projecttitel : Integratie Zonne-energetische toepassingen

Type Project : Haalbaarheidsonderzoek

(…)

Omschrijving:

Het toepassen van zonne-energie vindt momenteel steeds meer ingang in de gebouwde omgeving.

De utiliteitsbouwsector blijft hierin echter achter. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door de veel ingewikkelder gebouwinstallaties en vooral door de onduidelijke gebruikersgedragspatronen. Met dit onderzoek wordt aan de hand van de voorhande zijnde projecten koppeling van zonthermische en photovoltaïsche toepassingen met technische oplossingen voor gebouwinstallaties (met name de warmtepompen) nagegaan. De economische en technische haalbaarheid wordt onderzocht.

(…)

Technische nieuwheid:

Koppeling van thermische en photovoltaïsche zonne-energietechniek met warmtepomptechniek in de utiliteitsbouw.

(…)."

- Bij brieven van 9 februari en 30 maart 1999 heeft verweerder appellante een aantal vragen over deze projecten gesteld.

- Hierop heeft appellante bij brieven van onderscheidenlijk 24 maart en 16 april 1999 aanvullende gegevens verstrekt.

- Bij besluit van 26 mei 1999 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

- Bij brief van 5 juli 1997 heeft appellante tegen deze beslissing bezwaar gemaakt.

- Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij brief van 22 juli 1999 een aantal, per project gespecificeerde vragen aan appellante gesteld.

- Bij brief van 31 augustus 1999 heeft appellante aanvullende gegevens verstrekt.

- Op 15 september 1999 is appellante ten kantore van verweerder in de gelegenheid gesteld haar bezwaarschrift mondeling toe te lichten. Van deze hoorzitting is een verslag opgesteld, in welk verslag onder meer het navolgende staat vermeld:

" Project 9701 'Daglicht/kunstlicht'

(…)

Senter: maar wat is daarbij door u ontwikkeld.

Aanvrager: wij maken niets, we zeggen daartegen wel wat derden moeten doen.

Senter: wat levert u deze derden aan?

Aanvrager: niets, we benoemen in ons concept alleen de benodigde componenten. Dit spelen we door aan onze opdrachtgever. We leveren dus een deel van het bestek aan.

Senter: welk technisch nieuw fysiek product ontwikkelt u zo naar uw mening?

Aanvrager: een systeem om effectief gebruik van zon- en daglicht te maken.

(…)

Senter: uw werkzaamheden zullen best innovatief voor uw bedrijf zijn maar zolang ons niet aannemelijk wordt gemaakt dat u zelf in fysieke zin iets nieuws ontwikkelt, is het moeilijk om de werkzaamheden als S&O toe te kennen. Wij vragen u niet voor niets welk technisch nieuw fysiek product u ontwikkeld.

Aanvrager: wij ontwikkelen een systeem voor lichttoetreding, dat is naar onze overtuiging een technisch nieuw fysiek product.

Senter: het kan zijn dat we hier met een interpretatieverschil te maken hebben. We kunnen ons voorstellen dat u het systeem als een technisch nieuw fysiek product beschouwt. Of dit in de zin van de wet ook zo is, valt nog te bezien. Dit zegt overigens niets over de innovativiteit van uw werkzaamheden.

Aanvrager: u moet zich wel realiseren dat wij een bestek schrijven. Hiervan mag niet worden afgeweken tenzij voor gelijkwaardige producten wordt gekozen. Dit bestek leidt tot een fysiek eindproduct.

Project 9702 'Dubo-gebouw'

Senter: u heeft dit project als technisch-wetenschappelijk onderzoek aangemeld. Kunt u toelichten waarom?

Aanvrager: dit project bestaat in feite uit twee deelprojecten. Het ene project is gericht op het vergaren van kennis met betrekking tot het gebruik van duurzame bouwmaterialen. Deze gegevens betrekken we van het Rijnland-gebouw. Daarnaast wordt onderzoek verricht om een methodiek te verkrijgen waardoor de milieufactor kan worden berekend. Einddoel van dit project is, door middel van de genoemde onderzoeken, vast te stellen in hoeverre het milieu door een gebouw wordt belast. Van ieder onderdeel in een gebouw dient de milieubelasting te worden berekend. Wat we dus doen is theorie en modellen ontwikkelen om de totale milieubelasting van een gebouw te kunnen berekenen.

(…)

Senter: wat is de technische component in het onderzoek?

Aanvrager: wat bedoelt u met technisch?

Senter: dat het onderzoek leidt tot inzicht in een bepaald werkingsprincipe.

Aanvrager: daar is in dit onderzoek zeker sprake van. We verkrijgen inzicht in het gedrag van diverse bouwmaterialen.

Project 9802 'Energie-infrastructuur'

Senter: u heeft dit project als haalbaarheidsonderzoek aangemeld. (…)

aan het begin van de hoorzitting hebben we u uitgelegd dat haalbaarheidsonderzoek wordt gevolgd door ontwikkelingswerk of technisch-wetenschappelijk onderzoek. Wat gebeurt er na het haalbaarheidsonderzoek, welke eigen ontwikkelingswerkzaamheden volgen er dan?

Aanvrager we hebben niet gezegd dat wij daarna iets gaan ontwikkelen. Onze opdracht is gericht op het inventariseren van de energiebehoefte.

(…)

Indien voor een gangbaar concept wordt gekozen, volgt er geen S&O. Indien voor een andere oplossing wordt gekozen, kan er wellicht S&O volgen. (…)

Project 9804 'Integratie zonne-energie toepassingen'

Senter: ook dit laatste project is als haalbaarheidsonderzoek aangevraagd. Het is aan u om dit project toe te lichten.

Aanvrager: componenten uit dit project zijn verweven met het eerder genoemde Ikea-project in Oosterhout. De vraag was of zonnecellen anders konden worden toegepast. Ook zijn hierbij de mogelijkheden van vloerverwarming in een asfalt dak onderzocht. Er is naar een zo goedkoop mogelijk concept gezocht. (…)

Senter: welke S&O-werkzaamheden hebben er na het haalbaarheidsonderzoek plaatsgevonden.

Aanvrager: we hebben door middel van wetenschappelijk onderzoek, aan de hand van modellen, de mogelijkheden tot het plaatsen van zonnecollectoren onderzocht. Het concept met betrekking tot de zonnecollectoren zien wij als ontwikkelingswerk."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft ter toelichting op zijn standpunt dat de door appellante op haar aanvraag vermelde projecten niet kunnen worden aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk in de zin van de WVA, in het verweerschrift onder meer het navolgende aangevoerd:

" Project 9701 'Daglicht/kunstlicht'

(…)

Concepten en systemen zijn geen fysieke producten. Mijn vragen in de bezwaarfase waren dan ook niet ingegeven door ondeskundigheid maar door bereidheid om appellante de mogelijkheid te geven aan te geven waar zij mogelijk dan wel ontwikkelingswerkzaamheden zou hebben verricht. Appelante antwoordde op de vraag: "wat is daarbij door u ontwikkeld":

"wij maken niets, maar zeggen derden wat zij moeten doen"; en op de vraag: "wat levert u deze derden aan" : "niets, wij benoemen in ons concept alleen de benodigde componenten. Dit spelen wij door aan onze opdrachtgever. We leveren dus een deel van het bestek aan". Hieruit blijkt geenszins dat appellante technisch nieuwe fysieke producten ontwikkelt.

Project 9702 'Dubogebouw'

(…)

Hieruit blijkt mijns inziens dat het onderzoek niet direct en uitsluitend gericht is op het vergroten van technisch wetenschappelijke kennis, enerzijds omdat de onderzoeksvragen niet gericht zijn op het onderzoeken van het "waarom" van bepaalde verschijnselen maar op het analyseren en rangschikken van effecten van producten en processen, anderzijds omdat het gericht is op het ontwikkelen van een methodiek. Voorts ontbreekt mijns inziens de wetenschappelijke component aangezien niet wordt gezocht naar wetmatigheden of theorieën, en ontbreekt de technische component aangezien niet een bepaald werkingsprincipe wordt onderzocht.

Doel van het onderzoek is te bepalen in hoeverre het milieu gedurende de gehele levensduur van een gebouw wordt belast om aldus te komen tot een standaardmethodiek/model om de milieubelasting van een (onderdeel van een) gebouw te kunnen berekenen. Hierbij ziet de methodiek/model wel op fysieke verschijnselen, echter slechts op de berekening van de milieubelasting, en niet op het verwerven van technisch nieuwe kennis die mogelijk een praktische toepassing zou kunnen vinden in nieuwe fysieke producten of productieprocessen. Hiermee is het onderzoeksproject niet aan te merken als technisch in de zin van de Wet.

(…)

Project 9802 'Energie-infrastructuur'

(…)

Zoals in mijn beschikking op het bezwaarschrift is uiteengezet volgt uit de Wet dat een haalbaarheidsstudie voorafgaat aan een voorgenomen S&O-project. Uit de tekst en systematiek van de Wet volgt eveneens dat het daarbij moet gaan om een voor de aanvrager voorgenomen S&O-traject. Hiervan is in het geval van appellante geen sprake, nu het eventueel op de haalbaarheidsstudie volgende speur- en ontwikkelingswerk niet door appellante wordt uitgevoerd en aldus ook geen voor appellante voorgenomen S&O betreft.

De uitzondering hierop wordt gevormd door een haalbaarheidstudie, welke in zichzelf speur- en ontwikkelingswerk betreft. Nu appellantes werkzaamheden bestaan uit het inventariseren van energiebehoeftes en het onderzoek naar de toepassingsmogelijkheden van bepaalde technieken betreft het hier eveneens geen speur- en ontwikkelingswerk. Er is immers geen sprake van de ontwikkeling van een technisch nieuw fysiek product of technisch wetenschappelijk onderzoek.

Overigens merk ik nog op dat appellantes opmerking in haar beroepschrift dat er nog steeds de intentie bestaat om technisch nieuwe producten of processen te ontwikkelen niet geheel strookt met haar opmerkingen tijdens de hoorzitting.

Tijdens de hoorzitting is aangegeven dat indien er, na appellantes inventarisatie van de energiebehoeftes, voor een gangbaar concept wordt gekozen, er in het geheel geen S&O volgt.

Project 9804 'Integratie zonne-energetische toepassingen'

(…)

Gezien het feit dat project 9804 is aangevraagd en toegelicht als haalbaarheidsstudie verwijs is tevens naar wat ik hierboven heb opgemerkt bij project 9802."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep in haar beroepschrift onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd:

" 9701 Daglicht/kunstlicht

Nieuwe systemen zijn ontwikkeld waarbij het fysieke produkt in het gebouw is geïntegreerd. Het vanuit een doelstelling ontwikkelen van dit nieuwe fysieke produkt resulteert in een nieuwe gecombineerde daglicht/kunstlichtinstallatie waarbij het voor ondeskundigen moeilijk blijkt dit als één produkt op te vatten daar de onderdelen als armaturen, daglichtsturingslamellen en regelcomponenten op diverse plaatsen in het gebouw zijn geïntegreerd. (…)

De hierbij gehanteerde werkwijze is, zoals reeds aangegeven,

a) Het onderzoeken en ontwikkelen van het fysieke produkt.

b) Het vanuit dit onderzoek genereren van specificaties en uitgangspunten voor de onderdelen waaruit de dag-/kunstlicht installatie is opgebouwd.

c) Mogelijk zoeken naar bestaande produkten waarmee aan de nieuwe randvoorwaarden kan worden voldaan.

d) Waar nodig nieuwe onderdelen laten vervaardigen om aan de in LS genoemde uitgangspunten te voldoen om het fysieke produkt mogelijk te maken. De produkten worden dus niet door derden ontwikkeld, zoals in de beschikking van Senter aangegeven, maar gefabriceerd volgens de specificaties welke uit de S&O werkzaamheden worden ontwikkeld.

Het betreft hier dus ook niet het in een nieuwe situatie samenbrengen van bestaande componenten om aan gewijzigde uitgangspunten vanuit de opdrachtgever middels hetgebruik van een bestaand concept te voldoen. Hier wordt een nieuw type installatie ontworpen om het energiegebruik van verlichting in gebouwen terug te dringen.

Project 9702 Het Dubogebouw

Technisch wetenschappelijk onderzoek wordt verricht naar de integrale milieubegroting van het gebouw of onderdelen daarvan. Hierbij wordt onderzocht, zoals aangegeven, in hoeverre technisch de mogelijkheid bestaat onderdelen milieuvriendelijk uit te voeren door bijvoorbeeld minder massa toe te passen. Of de samenhang van componenten zo te lezen dat demontabel bouwen en hierdoor een hogere recyclebaarheid mogelijk is. Hiertoe zijn beoordelingsmodellen/berekeningsmethoden aangepast voor de utiliteitsbouw.

EcoQuantummodel

Aangegeven is dat de ontwikkelde rekentechnieken worden getoetst aan praktijksituaties om de theorie "meetbaar" te maken. Tijdens de gevoerde correspondentie en de hoorzitting is met name gevraagd de wetenschappelijke kant van het onderzoek te onderbouwen. Geen additionele informatie is gevraagd om de technische kant verder toe te lichten. De technische aspecten komen naar onze mening reeds in de aanvraag tot uitdrukking.

De conclusie dat sprake is van inventariserend onderzoek bevreemdt ons. Juist het ontbreken van bestaande gegevens en ontwikkelde methodieken was de aanleiding voor ons onderzoek.

(…)

Project 9802 Energie infrastructuur

De genoemde rapportages betreffen haalbaarheidsstudies welke in aanmerking komen voor de S&O-regeling indien daarop volgend S&O-werkzaamheden worden verricht, zoals door Senter is aangegeven.

De werkzaamheden voor deze haalbaarheidsstudies worden uitgevoerd in opdracht van derden waarbij steeds de intentie bestaat om daadwerkelijk technisch nieuwe produkten of processen te ontwikkelen, zoals aangegeven tijdens de hoorzitting. Echter onze opdrachtgevers zijn vrij te bepalen of, en met welke deelnemers dit traject voort te zetten. Tot dusver zijn wij helaas niet in het vervolgtraject betrokken. Zoals tijdens de hoorzitting aangegeven wordt het vervolg van de haalbaarheidsstudie Oostelijke Handelskade momenteel uitgevoerd, hierbij zijn wij helaas niet betrokken. De onderzoekspartners van de haalbaarheidsstudie E en F echter wel, waarbij gebruik wordt gemaakt van de haalbaarheidsstudie.

Wij willen er tevens op wijzen dat dergelijke grote infrastructurele projecten hoge investeringen vragen en dienen te voldoen aan uitgebreide en ingewikkelde vergunningsprocedures, waardoor deze projecten een langzame voortgang kennen.

Hierom is het niet mogelijk duidelijk aan te geven op welke wijze het vervolg van de S&O-werkzaamheden zullen plaatsvinden daar wij, hoewel de intentie sterk aanwezig is, geen invloed op de procedures kunnen uitoefenen. Het concluderen dat opvolgende S&O-werkzaamheden niet plaatsvinden of zullen plaatsvinden is hierom onjuist.

Project 9804 Integratie zonne-energetische toepassingen

Voor dit project gelden dezelfde argumenten als beschreven bij project 9601 koude/warmte technieken."

Ter zitting van het College is door appellante nog het navolgende naar voren gebracht.

Voor de vaststelling of werkzaamheden zijn aan te merken als haalbaarheidsonderzoek in de zin van de WVA, zijn het werk en het oogmerk van de studie bepalend en niet of daadwerkelijk S&O-werk op de haalbaarheidsstudie zal volgen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ten algemene overweegt het College dat ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht de aanvrager de gegevens en bescheiden dient te verschaffen die voor de beslissing nodig zijn. Het heeft derhalve op de weg van appellante gelegen te onderbouwen dat zij voornemens was in 1999 werkzaamheden te verrichten, die voldoen aan de wettelijke begripsbepaling van speur- en ontwikkelingswerk, neergelegd in artikel 1, lid 1, onder l, van de WVA. Daarmee is dit geding beperkt tot de vraag of op grond van de door appellante zelf bij haar aanvraag gegeven omschrijving van haar werkzaamheden, alsmede de nadien door haar gegeven toelichting hierop, verweerder voor de verschillende projecten een S&O-verklaring heeft kunnen blijven weigeren.

5.2 Ten aanzien van project 9701 verschillen partijen van mening over beantwoording van de vraag of de werkzaamheden van appellante zijn gericht op de ontwikkeling van een technisch nieuw fysiek product.

Verweerder meent van niet, met name omdat appellante gebruik maakt van (combinaties van) bestaande technieken en van door derden geleverde componenten zonder dat door haar in technische zin iets nieuws wordt ontwikkeld.

Uit hetgeen appellante bij haar aanvraag heeft vermeld en nadien heeft aangevoerd, heeft verweerder niet kunnen concluderen dat de werkzaamheden binnen project 9701 als door appellant omschreven, zijn gericht op de ontwikkeling van een technisch nieuw product. Daartoe overweegt het College als volgt.

Dat appellante bij de ontwikkeling van nieuwe constructies en systemen streeft naar nieuwe oplossingen, betekent niet zonder meer dat ook naar oplossingen wordt gezocht waarvan de mogelijkheid in technisch opzicht niet bij voorbaat voor haar vaststond. Speur- en ontwikkelingswerk in de zin van de WVA draagt een hoge mate van technische onzekerheid met betrekking tot het uiteindelijk resultaat, zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de WVA en de hieraan voorafgaande Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (Kamerstukken II, 1993-1994, 23477, nr. 3 blz. 12). Zodanige technische onzekerheid blijkt niet uit appellantes aanvraag en uit haar in bezwaar gegeven toelichting.

Uit appellantes aanvraag en toelichting valt evenmin de conclusie te trekken dat de te ontwikkelen constructies en systemen worden samengesteld met componenten en technieken die door haar zelf worden ontwikkeld. Met name volgt die conclusie niet uit het gegeven dat appellante componenten benoemt in een bestek, noch uit de omstandigheid dat appellante - naar zij eerst in beroep heeft aangevoerd - specificaties opstelt waaraan door derden te fabriceren componenten moeten voldoen.

Uit appellantes omschrijving van, en toelichting op project 9701 blijkt dat zij bestekken schrijft voor een systeem op basis van componenten die volgens door appellante opgestelde specificatie door derden worden gefabriceerd. Op zich zelf is een bouwkundige beschrijving leidend tot een bestek, niet op één lijn te stellen met de ontwikkeling van een technische nieuw product.

De toepassing van spiegel- en andere reflectietechnieken wijst nog niet op de ontwikkeling van nieuwe, voor appellante onbekende technieken. Dat in de toepassing van genoemde technieken de door appellante samengestelde systemen zich onderscheiden van reeds bekende systemen op dit gebied, is op zich zelf onvoldoende voor de conclusie dat de door haar ontwikkelde systemen ook technisch nieuwe producten in de zin van de WVA zijn.

Die conclusie valt evenmin zonder meer te trekken uit de met project 9701 beoogde optimalisatie van zonwering en daglichtbenutting, nu uit de overgelegde gegevens niet valt af te leiden dat deze optimalisatie wordt nagestreefd door toepassing van een technisch nieuwe, appellante onbekende werking.

5.3 Ten aanzien van de projecten 9802 en 9804 is tussen partijen in geschil of de werkzaamheden van appellante moeten worden aanmerken als haalbaarheidsonderzoek, zoals appellante blijkens haar aanvraag heeft beoogd.

Verweerder meent van niet omdat niet is gebleken dat appellantes onderzoek is gevolgd door eigen speur- en ontwikkelingswerk.

Dienaangaande overweegt het College als volgt.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de WVA wordt onder speur- en ontwikkelingswerk mede begrepen daaraan voorafgaand haalbaarheidsonderzoek zijnde een activiteit, die is gericht op een schriftelijk rapport, inhoudende een analyse van de technische mogelijkheden van speur- en ontwikkelingswerk.

Het is aan de aanvrager al naar gelang het geval aan te tonen dat de werkzaamheden die hij als haalbaarheidsonderzoek heeft aangemeld, als resultaat hebben gehad

hetzij het daarmee beoogde eigenlijke speur- of ontwikkelingswerk,

hetzij de op een analyse gebaseerde conclusie dat dit speur- en ontwikkelingswerk technisch niet tot de mogelijkheden behoort.

Anders dan appellante heeft betoogd, is het voor de vaststelling of werkzaamheden zijn aan te merken als haalbaarheidsonderzoek, bepalend of op deze werkzaamheden daadwerkelijk speur- en ontwikkelingswerk zal volgen.

Appellante heeft op verweerders vraag welke S&O-werkzaamheden volgen op haar onderzoeksproject 9802, ter hoorzitting van 15 september 1999 geantwoord dat zij de energiebehoefte inventariseert, dat daarna door haar niets ontwikkeld gaat worden, maar wordt gekozen voor een gangbaar concept zonder S&O of voor een andere oplossing die wellicht gepaard gaat met S&O.

Naar het oordeel van het College heeft appellante, gegeven dit antwoord, aan verweerder onvoldoende grondslag geboden voor de vaststelling dat haar werkzaamheden binnen project 9802 waren gericht op een resultaat als evengenoemd en kunnen worden aangemerkt als haalbaarheidsonderzoek in de zin van artikel 1, eerste lid van de WVA.

Gelet op dit oordeel laat het College buiten beoordeling of verweerder terecht aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat appellantes onderzoek niet is gevolgd door eigen, door appellante zelf verricht, speur- en ontwikkelingswerk.

Evenmin ziet het College grond voor het oordeel dat verweerder de werkzaamheden binnen project 9804 had behoren aan te merken als haalbaarheidsonderzoek in de zin van de WVA.

Ter hoorzitting van 15 september 1999 heeft appellante toegelicht dat project 9804 deels verweven is met het bij die gelegenheid tevens besproken Ikea-project, en dat mogelijkheden zijn onderzocht van een andere toepassing van zonnecollectoren en van vloerverwarming in een asfaltdak, waarbij naar een zo goedkoop mogelijk concept is gezocht.

De door appellante aan verweerder verstrekte gegevens bieden echter geen enkel aanknopingspunt voor de vaststelling dat project 9602 of bepaalde (andere) S&O-werkzaamheden afhankelijk waren, en eerst zijn aangevangen als resultaat, van de uitslag van het in project 9804 verrichte onderzoek. Voorts voldoet dit onderzoek, voor zover dit is gericht op de economische en commerciële haalbaarheid, reeds hierom niet aan de vereisten waaraan een haalbaarheidsonderzoek dient te voldoen ingevolge artikel 1, eerste lid, onder n, van de WVA.

In beroep heeft appellante voor project 9804 volstaan met verwijzing naar haar argumenten bij project 9601.

Voor zover appellante hiermee heeft willen betogen dat project 9804 een haalbaarheids-onderzoek vormt, dat is voorafgegaan aan de werkzaamheden binnen project 9601, faalt dit betoog nu verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat de werkzaamheden binnen project 9601 niet zijn aan te merken als speur- en ontwikkelingswerk, zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraken van gelijke datum in de zaken AWB no. 99/962, no. 99/963 en no. 99/964. Ook overigens bieden de argumenten die door appellanten in deze zaken bij project 9601 naar voren zijn gebracht, geen aanknopingspunten voor de vaststelling dat de werkzaamheden van appellante binnen project 9804 hebben geresulteerd in het daarmee beoogde eigenlijke speur- of ontwikkelingswerk, dan wel in de conclusie dat dit speur- en ontwikkelingswerk technisch niet mogelijk is.

5.4 Partijen zijn ten derde verdeeld over de vraag of de werkzaamheden van appellante in het kader van project 9702 door verweerder hadden moeten worden aangemerkt als technisch-wetenschappelijk onderzoek, als bedoeld in artikel 1, onder l van de WVA.

Als speurwerk in de zin van deze begripsbepaling zijn werkzaamheden aan te merken die "direct en uitsluitend" zijn gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek.

Blijkens appellantes aanvraag en haar toelichting op project 9702 verricht zij binnen dit project onderzoek om een milieuvriendelijk en energiezuinig gebouw te ontwikkelen, waartoe zowel kennis wordt verworven over duurzaamheid van diverse bouwmaterialen als modellen worden ontwikkeld ter berekening van de totale milieubelasting van een gebouw.

Appellante heeft met haar onderzoek derhalve mede het oog op de ontwikkeling van een rekenmethodiek om aan de hand hiervan een product dat aan bepaalde eisen voldoet, te ontwikkelen. Hiermee is, naar vaste rechtspraak van het College, niet te verenigen dat de onderhavige onderzoekswerkzaamheden tevens direct en uitsluitend zouden zijn gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek in de zin van bedoelde begripsbepaling van speur- en ontwikkelingswerk. In deze begripsbepaling heeft de wetgever immers onderscheid gemaakt tussen onderzoek en ontwikkeling. Onderzoek als verricht binnen in het kader van project 9702, is aan te merken als gericht op een concreet product of productieproces (vergelijk uitspraken van het College van 15 december 1998 in de zaken no. AWB 97/314, Bureau Meeuws, en no. AWB 97/413, Etko).

De conclusie is dat de gegevens die appellante bij haar aanvraag en haar toelichtingen heeft verstrekt, verweerder geen grondslag hebben geboden om de werkzaamheden in het kader van project 9702 te kwalificeren als direct en uitsluitend gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek in de zin van artikel 1, eerste lid, onder l, van de WVA.

De conclusie is dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de werkzaamheden in het project 9702 zoals deze door appellante bij haar aanvraag zijn omschreven en nadien zijn toegelicht, niet zijn aan te merken als technisch-wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder l, van de WVA.

5.5 Het beroep dient gelet op het vorengaande ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2001.

w.g. M.J. Kuiper w.g. R.P.H. Rozenbrand