Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB6579

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-07-2001
Datum publicatie
17-08-2001
Zaaknummer
AWB 99/732
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Plantenziektenwet 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/732 24 juli 2001

32100

Uitspraak in de zaak van:

1. A, te te B, gemeente C,

2. D, te E,

3. F, te G, appellanten,

gemachtigde: mr drs G. van der Wende, advocaat te Rotterdam,

tegen

de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigden: mr L.P. de Wit en ir A. Oldenkamp, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 3 september 1999 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 26 juli 1999.

Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaarschrift van appellanten tegen de afwijzing van hun verzoek om toepassing van artikel 4 van de Plantenziektenwet (hierna: Pzw).

Verweerder heeft op 12 november 1999 een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben op 10 mei 2001 nadere stukken toegezonden.

Op 22 mei 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Bij die gelegenheid hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 4 van de Pzw luidt:

" Onze Minister is bevoegd in gevallen waarin de schade, welke het gevolg is van het toepassen van krachtens artikel 3 gegeven voorschriften, onevenredig zwaar op een of meer personen zou drukken, uit 's Rijks schatkist een tegemoetkoming te verlenen in de geleden schade."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluiten van 18 maart 1993 heeft verweerder de verzoeken van appellanten sub 1 en 2 en van de gebroeders H te G om een tegemoetkoming in de schade die door hen is geleden als gevolg van maatregelen in verband met een besmetting van hun bedrijven met Thrips palmi Karny afgewezen.

- Hiertegen hebben genoemde aanvragers bezwaarschriften ingediend, welke bij besluiten van 29 maart 1994 ongegrond zijn verklaard.

- Het College heeft bij uitspraak van 12 december 1995, nrs. 94/1736-1738/060/220 de tegen die beslissingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

- Bij verzoekschrift, ingekomen op 14 november 1997, hebben appellanten gevraagd om herziening van de uitspraak van 12 december 1995.

- Bij uitspraak van 22 juni 1999, nr AWB 97/1450, heeft het College het verzoek van appellante sub 3 niet ontvankelijk verklaard en de verzoeken van appellanten sub 1 en 2 ongegrond.

- Bij brief van 21 april 1998 hebben appellanten (wederom) verzocht de hogeromschreven schade te vergoeden.

- Bij besluit van 28 januari 1999 heeft verweerder het verzoek afgewezen.

- Hiertegen hebben appellanten een bezwaarschrift ingediend.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit luidt - voor zover thans van belang - als volgt.

" Resumerend merk ik op dat ik de door u gepresenteerde algemene theorie over de verspreiding van trips door Nederland via veilingkarren niet onderschrijf. Dat de trips zich op deze wijze zou hebben verspreid over andere gewassen en vervolgens over heel Nederland is, zoal niet volstrekt uitgesloten, dan toch zeer onwaarschijnlijk. Ook in uw geval houd ik het voor uitgesloten dat de trips langs deze weg op uw bedrijf is gekomen. Er is geen sprake van dat de PD zijn controlerende taken niet goed zou uitvoeren. Het moet er op grond van alle bekende feiten en omstandigheden voor worden gehouden dat de besmetting op uw bedrijf is gekomen doordat u plantmateriaal mét de onderhavige trips heeft geïmporteerd, respectievelijk betrokken van de importeur.

Overigens, zelfs indien de besmetting op andere wijze op uw bedrijf zou zijn gekomen - hetgeen niet het geval is - , zou dat de onderhavige zaak niet wezenlijk anders maken. Dat zou immers onverlet laten dat er sprake is van een normaal bedrijfsrisico. Mijn beleid strekt ertoe om ingeval van een schade die is terug te voeren op omstandigheden die behoren tot het normale bedrijfsrisico, geen vergoeding op grond van artikel 4 van de Plantenziektenwet toe te kennen.

Wat betreft F verwijs ik niet alleen naar vorenbedoelde pleitnota doch tevens naar de inhoud van mijn beslissing van 29 maart 1994 geadresseerd aan Gebrs. H. Ik verzoek u de inhoud van deze beslissing, die ik bij u bekend veronderstel, als hier herhaald en ingelast te beschouwen. Overigens merk ik nog op dat u tot op heden niet heeft aangetoond dat F, en niet Gebrs. H, de door u geclaimde schade heeft geleden.

Concluderend merk ik op dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die ik bij het nemen van mijn besluit van 29 maart 1994 niet heb gekend en die van dien aard zijn dat ik, zou ik ze toen wel gekend hebben, een ander besluit zou hebben genomen. Ik ben derhalve van mening dat ik uw hernieuwde verzoek om een vergoeding op grond van artikel 4 van de Plantenziektenwet terecht heb afgewezen en dat ik terecht niet ben teruggekomen op mijn besluit van 29 maart 1994."

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Ten tijde van de maatregel was appellante sub 3 de enige juridische entiteit, alle aanzeggingen en schade hadden dan ook betrekking op haar en niet op de gebroeders H.

Ten onrechte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft het verzoek behandeld als ware het een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 8:88 Awb en aldus ten onrechte verwezen naar de uitspraak van het College van 22 juni 1999. Door in zijn besluit te verwijzen naar de pleitnota in die procedure heeft verweerder voorts het motiveringsbeginsel geschonden.

In de opvatting van appellanten is sprake van de volgende nieuwe feiten en omstandigheden.

" - Het is het ministerie sinds 1984 bekend dat de trips palmi karny uit Zuidoost Azië via import door Nederland wordt doorgevoerd naar Amerika.

- Het is het ministerie sinds 1987 via eigen waarnemingen bekend dat de trips middels import van snijbloemen uit Zuidoost Azië op de Nederlandse veilingen terecht is gekomen. De huidige stelling van appellanten dat de trips palmi karny op deze wijze in grote hoeveelheden op de Nederlandse veilingen terechtkomt wordt door het ministerie niet betwist.

- Het was het ministerie voor 1992 bekend dat in andere Europese landen de trips middels import van snijbloemen uit Zuidoost Azië op de veilingen terechtkwam. Met name het onderzoek in Finland toont aan dat het gaat om grote hoeveelheden tripsen.

- Het was het ministerie voor 1992 bekend dat besmetting van kwekerijen via veilingen een serieus gevaar is. In eigen interne stukken maakt zij daar melding van. De huidige ontkenning is daarmee in tegenspraak, terwijl deze stelling ook op geen enkele wijze wordt onderbouwd. Ondanks deze kennis voert zij geen onderzoek uit.

- Ondanks de richtlijn van de Raad van de EG van 21 december 1976 laat het ministerie na gedegen onderzoek te doen, afdoende maatregelen te nemen en de betrokkenen juist te informeren.

- Nog nimmer is aangetoond dat de trips palmi karny in Guatemala voorkomt, sterker nog, in haar brief van 11 augustus 1994 heeft het ministerie aan dat de trips niet in Guatemala voorkomt.

- Bij de importcontrole in 1992 is geen trips ontdekt.

- De ficus is geen, althans een zeer slechte waardplant.

- In 1993 en volgende jaren worden de ficuskwekers geconfronteerd met regelmatige en strenge controles op de kwekerijen. Overige kwekers worden niet dan wel nauwelijk gecontroleerd. Ook is van belang mee te wegen dat een trips zich makkelijk op ficus laat zoeken, dit in tegenstelling tot andere gewassen.

- In 1994 en 1995 worden bij diverse kwekers tripsen gevonden. Het betreft overigens niet alleen vondsten in ficus. Bij sommige ficuskwekers wordt trips palmi karny gevonden terwijl zij geen enkele relatie met import hebben. Een verklaring van de besmetting is in deze gevallen niet voorhanden.

- In 1995 doen Seal & Klassen onderzoek naar de aanwezigheid van trips palmi karny in Nederland. De aanwezigheid is volgens deze Amerikaanse deskundigen duidelijk waargenomen.

- In 1997 treft het ministerie in een korte periode van controle op import van snijbloemen uit Zuidoost Azië tripsen aan. Zij gaat over tot vernietiging maar laat na de kwekers te informeren en verder actie te ondernemen.

- In augustus 1997 wordt er door Dr. L.A. Mound een onderzoek op de veiling te Aalsmeer gedaan. Daarbij worden enorme hoeveelheden trips palmi karny waargenomen in zendingen import orchideeën uit Zuidoost Azië.

- Als reactie op het onderzoek van Mound, waarvan zij de betekenis bestrijdt, gaat het ministerie zendingen van snijbloemen vanuit Zuidoost Azië op de veilingen aan strenge regels onderwerpen. Gevolg is, vele vernietigingen, gegaste import en een enorme teruggang in de import.

- Nadat de maatregelen t.o.v. import snijbloemen uit Zuidoost Azië op de veilingen zijn genomen vindt het ministerie geen tripsen meer bij de kwekers, behoudens een uitzondering, waarbij de besmetting in komkommers de oorzaak blijkt te zijn.

- De stellingen van appellanten worden door vele deskundigen onderschreven. Het ministerie staat geheel alleen. Zij vindt bij de externe deskundigen geen gehoor en kan geen bewijs voor haar stellingen produceren. Op verzoeken van appellanten om samen tot een totaal onderzoek te komen gaat zij niet in.

- Het ministerie geeft zelf in aan haar brief van 20 juni 1995 aan dat er in bepaalde gevallen sprake kan zijn van toeval. In dat geval is uitkering van schade overeenkomstig het gestelde in artikel 4 van de Plantenziektenwet gegeven."

5. De beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 4:6, eerste lid van de Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Doet hij dit niet, dan kan ingevolge het tweede lid van genoemd artikel het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere beschikking.

In dit geschil moet derhalve worden vastgesteld of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat van feiten c.q. omstandigheden als bedoeld geen sprake is. Het College beantwoordt die vraag bevestigend. Terzake wordt het volgende overwogen.

Hetgeen door appellanten naar voren is gebracht strekt er - wederom - toe hun ook reeds bij hun eerdere aanvraag naar voren gebrachte stelling dat de besmetting met Thrips palmi Karny bij de betrokken ficuskwekers in 1992 het gevolg was van overbrenging via de veiling en deswege op louter toeval berustte, met nieuwe argumenten te staven. Zij zijn daar naar het oordeel van het College niet in geslaagd.

Met betrekking tot de situatie in 1992 is door het College een oordeel gegeven in zijn eerder vermelde uitspraken van 12 december 1995 en 22 juni 1999. Daarin is vastgesteld dat er destijds vondsten van Thrips palmi Karny op veilingen zijn geweest, maar dat daarin niet de oorzaak van de besmetting kon worden gevonden. Voorts is vastgesteld - ondanks kennisneming van de brief van 11 augustus 1994 waarnaar door appellanten is verwezen - dat niet is uitgesloten dat de besmetting zijn herkomst vond in Guatemala. Appellanten voeren thans aan dat in het bijzonder in de jaren na 1997 veel grotere vondsten van Thrips palmi Karny op veilingen zijn gedaan en dat een daarop volgend stringenter beleid van de PD er toe heeft geleid dat inmiddels geen besmettingen van ficus bij de telers meer worden aangetroffen. Zij leiden daaruit kennelijk af dat de besmettingen in 1992 hebben plaatsgevonden als gevolg van het feit dat toen onvoldoende door de PD op de veilingen werd gecontroleerd c.q. ingegrepen.

Het College kan appellanten niet volgen in hun stelling dat een en ander een nieuw feit oplevert als bedoeld in voormeld artikel 4:6. Hetgeen is aangevoerd maakt niet dat, anders dan waar verweerder bij zijn eerdere besluiten van is uitgegaan en anders dan het College heeft vastgesteld in zijn eerdergenoemde uitspraken, thans zou zijn vastgesteld dat de Thrips palmi Karny reeds in 1992 in Nederland gevestigd was of dat de besmetting bij appellanten in 1992 via de veilingen heeft plaatsgevonden. Dit is niet meer dan een veronderstelling aan de zijde van appellanten. Ook terzake van de stelling van appellanten dat de besmetting op hun bedrijven niet een gevolg was van import van materiaal uit Guatemala zijn geen gegevens aangedragen die tot het oordeel leiden dat sprake is van een ander feit dan door het College in zijn meergenoemde uitspraak van 12 december 1995 is betrokken. Het College ziet in verband met een en ander geen termen voor het benoemen van een deskundige als door appellanten verzocht.

Het College is dan ook van oordeel dat voor terugkomen op de besluiten van 29 maart 1994 voor verweerder geen aanleiding bestond. Hij kon onder verwijzing naar zijn eerdere onherroepelijk geworden besluiten de aanvragen van appellanten sub 1 en 2 afwijzen. Dat verweerder in zijn besluit tevens heeft verwezen naar de pleitnota die door hem is ingebracht in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 22 juni 1999 leidt het College niet tot het oordeel dat bedoeld besluit deswege een deugdelijke grondslag ontbeert.

De besluiten van 29 maart 1994 hebben geen betrekking op appellante sub 3. Zij heeft niet eerder gevraagd om een tegemoetkoming, zodat ten aanzien van haar geen sprake is van een weigering om terug te komen van een eerder, onherroepelijk geworden besluit. Verweerder heeft evenwel ook de aanvraag van deze appellante terecht afgewezen. Daargelaten of de schade als gevolg van de aangezegde maatregelen nu door appellante sub 3 is geleden of door de gebroeders H, het verzoek kon worden afgewezen op dezelfde gronden als in de uitspraak van 12 december 1995 jegens de gebroeders H door het College genoegzaam zijn bevonden. Naar die uitspraak, die bij appellante sub 3 bekend is, wordt kortheidshalve verwezen.

Aangezien niet is gebleken dat het bestreden besluit onrechtmatig is, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr J.A. Hagen en mr H.A.A.G. Vermeulen in tegenwoordigheid van mr drs M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2001.

w.g. C.M. Wolters w.g. M.S. Hoppener