Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB6573

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-07-2001
Datum publicatie
17-08-2001
Zaaknummer
AWB 01/392
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/392 27 juli 2001

14010

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

V.o.f. P.B. Rijswijk, te Wateringen, verzoekster,

gemachtigde: mr J.B. Vallenduuk, advocaat te Haarlem,

tegen

de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO), verweerster,

gemachtigde: mr P.Th.J.M. Hamilton, werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Bij besluit van 27 oktober 2000 heeft verweerster de aanvraag van verzoekster om een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer, als bedoeld in artikel 8 van de Wet goederenvervoer over de weg, afgewezen.

Tegen deze beslissing heeft verzoekster bij brief van 1 november 2000 een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 5 april 2001 heeft verweerster het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 16 mei 2001 beroep ingesteld bij het College, geregistreerd onder no. AWB 01/391.

Bij brief van 15 mei 2001 heeft verzoekster zich tot de president van het College gewend met het verzoek, bij wege van voorlopige voorziening, dit besluit van verweerster te schorsen en te bepalen dat verweerster de gevraagde vergunning alsnog toewijst, alsmede onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, onder veroordeling van verweerster in de kosten van de procedure.

Op 1 juni 2001 heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening nader onderbouwd.

Verweerster heeft bij brief van 18 juni 2001 gereageerd op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

De president heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld ter zitting van 19 juli 2001, waar partijen, bij monde van hun gemachtigden, hun standpunten nader hebben toegelicht.

Aan de zijde van verzoekster is tevens verschenen A, vennoot van verzoekster. Namens verweerster is tevens het woord gevoerd door de heer F.P.L. Schouwaert, inspecteur afdeling goederenvervoer bij de Rijksverkeersinspectie (RVI), thans IVW.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Wet goederenvervoer over de weg (hierna: de Wgw) is onder meer het volgende bepaald:

"Art. 8 - 1. Een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer wordt verleend indien wordt voldaan aan de eisen van:

(…)

c. vakbekwaamheid, door degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het beroepsvervoer of indien deze leiding bij meer personen berust, door ten minste een van hen.

(…)

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Op 3 oktober 1991 is P.B. Rijswijk B.V. opgericht. Aan haar is vervolgens een vergunning tot het verrichten van beroepsvervoer verleend door verweerster.

- In 1993 is A directeur geworden van P.B. Rijswijk B.V. In 1994 is tevens diens echtgenote B als directrice benoemd. Zij is in bezit van het vereiste vakdiploma.

- Op 1 januari 1996 is verzoekster opgericht en zijn de vervoersactiviteiten van

P.B. Rijswijk B.V. naar verzoekster overgegaan. In december 1998 is de B.V. verkocht aan derden.

- Op 14 augustus 2000 is door de Rijksverkeersinspectie een onderzoek verricht bij C, in verband met verdenking van overtreding van artikel 5 van de Wgw en het verhuren van vergunningsbewijzen. In het betreffende onderzoeksrapport is door een bestuurder van deze onderneming onder meer als volgt verklaard:

" Via de NPD ben ik in contact gekomen met A te Wateringen. Ik kon bij hem gedurende de tijd die ik nodig had een vergunning huren voor beroepsvervoer. Uiteraard zaten hier kosten aan verbonden. (…) De facturen van deze kosten kan ik u tonen. A deed het mij voorkomen alsof ik dan zonder in overtreding te zijn beroepsvervoer kon verrichten en in die tussentijd mijn vakbekwaamheid kon halen."

- Op 28 augustus 2000 heeft verzoekster een aanvraag om een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer ingediend.

- Op 28 september 2000 is door de RVI een onderzoek verricht bij verzoekster, in verband met de verhuur van vergunningbewijzen. In het ter zake opgemaakte onderzoeksrapport is onder meer het volgende vermeld:

" - A gaf te kennen dat er binnen de BV geen activiteiten meer

plaatsvonden, maar dat de activiteiten plaatsvonden binnen de onderneming "VOF P.B. Rijswijk", gevestigd op genoemd adres. Op ons verzoek overhandigde hij ons een afschrift van de vennootschapsakte.

- A bevestigde dat het vervoer, dat plaats zou vinden in de genoemde

vennootschap onder firma, werd verricht door een viertal vennoten, met gebruikmaking van vergunningbewijzen op naam van de besloten vennootschap;

(…)

Bij nader onderzoek zagen wij het volgende:

1. Op naam van de onderneming "P.B.Rijswijk B.V.", niwonummer 06544, zijn bij rijksverkeersinspectie verklaringen van dienstbetrekking ontvangen t.n.v. o.a. D, E, F en G. Blijkens deze informatie zouden zij dus als chauffeur in loondienst werkzaam zijn geweest bij deze onderneming;

2. Blijkens het uittreksel van de kamer van koophandel t.n.v. "V.O.F. P.B. Rijswijk", staan als vennoten ingeschreven, naast Rossel en zijn echtgenote, E, D, F en G.

3. Blijkens de informatie van de kamer van koophandel zijn de volgende ondernemingen bekend:

o H, (…) gedreven voor rekening van F, (…) blijkens het register van de RDW heeft deze persoon een bedrijfsvoertuig op zijn naam (…).Deze onderneming is geen NIWO-vergunninghouder;

o Mitch Transporten, (…) gedreven voor rekening van E, blijkens het register van de RDW heeft deze persoon een bedrijfsvoertuig op zijn naam (…). De onderneming is geen NIWO-vergunninghouder;

o I, (…) gedreven voor rekening van D, (…). Blijkens het register van de RDW heeft deze persoon een bedrijfsvoertuig op zijn naam (…). Deze onderneming is geen NIWO-vergunninghouder;

o J, (…) gedreven voor rekening van G, (…). Deze onderneming is echter per 1 april 2000 opgeheven. Bij de RDW zijn geen kentekens van bedrijfsvoertuigen bekend op naam van deze persoon.

o K, (…) gedreven voor rekening van A en echtgenote voornoemd. Aan deze onderneming is door de NIWO vergunning verleend onder nummer 15050, waarbij twee vergunningsbewijzen voor binnenlands vervoer zijn verstrekt. De onderneming heeft 2 bedrijfsvoertuigen met een laadvermogen van meer dan 500 kg op haar naam, (…).

Volgens deze informatie is A naast vennoot in de "V.O.F. P.B. Rijswijk" tevens vennoot in de onderneming "K.

Tevens blijkt hieruit dat de overige vennoten van "V.O.F. P.B. Rijswijk" als chauffeur in loondienst waren bij de onderneming "P.B. Rijswijk B.V." en dat zij daarnaast een eigen transportonderneming bezitten met daarbij een vergunningplichtig voertuig, terwijl zij niet in het bezit zijn van een daartoe strekkende vergunning, er van uit gaande dat binnen de genoemde ondernemingen beroepsvervoer wordt verricht.

Deze bevindingen zijn op 18 januari 2001 met de NIWO (Hr. Hamilton/Scherpenisse) besproken. Om nader inzicht te verkrijgen in de werkelijke bedrijfsvoering van deze ondernemingen, met de nadruk op de "V.O.F. P.B. Rijswijk, zal de NIWO de rijksverkeersinspectie verzoeken nader onderzoek in te stellen in de ondernemingen van genoemde vennoten. Dit tevens gezien het feit dat nog immer vergunningbewijzen zoek zijn van de opgeheven onderneming "P.B. Rijswijk B.V."

- Per 28 september 2000 heeft verweerster de vergunning van P.B. Rijswijk B.V. ingetrokken.

- Op 27 oktober 2000 is de aanvraag van verzoekster voor een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer door verweerster afgewezen.

- Tegen dit besluit is door verzoekster op 1 november 2000 bezwaar aangetekend.

- Op 2 februari 2001 is door de RVI een onderzoek verricht bij de ondernemingen I, waarvan D eigenaar is, en Mitch Transporten, waarvan E eigenaar is. In het onderzoeksrapport betreffende I, is onder meer het volgende vermeld:

" o Sedert 1 augustus 1995 staat hij als zelfstandig ondernemer ingeschreven bij

de kamer van koophandel onder genoemde naam.

(…)

o Het kenteken van dit voertuig staat op naam van D.

o Met dit voertuig wordt door D beroepsvervoer verricht, bestaande uit een koeriersdienst. Opdrachten worden verkregen van de Nederlandse Pakket Dienst (NPD)

o De brandstof, verzekering en betalingstermijnen in verband met een geldlening voor de aanschaf van dit voertuig, worden door D betaald;

o de transportaansprakelijkheidsverzekering wordt door D betaald.

o Vanaf plm 1995 tot plm 3 maanden geleden werd door D in de

vergunningplicht voorzien door huur van een vergunningsbewijs op naam van de onderneming "P.B. Rijwijk B.V.";

o Voor deze huur betaalde hij een bedrag aan de eigenaar van deze

onderneming, A, groot Fl 240,= per maand, en gefactureerd als "beleidswerkzaamheden";

o De door D verrichtte werkzaamheden werden door A gefactureerd aan de NPD. D factureerde op zijn beurt weer aan de "V.O.F. P.B. Rijswijk";

o De door D gerealiseerde omzet werd vervolgens door A aan D overgemaakt, nadat op dat bedrag in mindering waren gebracht de kosten voor beleidswerkzaamheden en bijdrage voor de accountant.

(…)

o D is er altijd vanuit gegaan dat hij voor zijn rekening en risico vervoer verrichtte, en dat hij daarvoor gebruik kon maken van de aan "P.B. Rijswijk B.V." verstrekte vergunningsbewijzen. Hij heeft zijn "eigen bedrijf".

(…)

o D heeft toegegeven dat deze constructie voornamelijk was bedoeld om te voorzien in de vergunningplicht."

Het onderzoeksrapport betreffende Mitch Transporten wijkt slechts op niet-essentiële onderdelen af.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit is als volgt beslist:

" Uit de door u tijdens de bezwaarschriftprocedure overgelegde gegevens kan echter niet worden afgeleid dat de vervoersactiviteiten voor rekening en risico van de V.o.f. plaatsvinden. Uit onderzoeken van de Rijksverkeersinspectie (RVI) is veeleer gebleken dat het vervoer voor rekening en risico van de afzonderlijke vennoten wordt verricht. De RVI heeft immers in gesprekken met de afzonderlijke vennoten en op basis van de overgelegde administratie o.a. het volgende geconstateerd:

o De afzonderlijke vennoten hebben allen een eigen eenmanszaak die als zodanig staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

o Binnen de afzonderlijke ondernemingen wordt één vrachtwagen ingezet.

Gebleken is dat de ondernemingen vergunningplichtig vervoer verrichten, maar zelf niet in bezit zijn van een vergunning beroepsvervoer. Tot voor kort werd gereden op de vergunning van de onderneming P.B. Rijsijk B.V.. Voor de huur van de vergunning werd een bedrag betaald aan A en gefactureerd als beleidswerkzaamheden.

o Voornaamste opdrachtgever is de Nederlandse Pakketdienst (NPD).

o De ondernemers betalen zelf de brandstof, verzekering, en de aflossingen voor de vrachtwagens.

o Al geruime tijd voeren de afzonderlijke vennoten alleen werkzaamheden uit voor de eigen onderneming.

o De afzonderlijke vennoten erkennen dat voor een V.o.f. is gekozen om te kunnen voorzien in de vergunningplicht.

In dit verband is ook niet aannemelijk dat B degene is die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden binnen aanvraagsters onderneming. Gelet hierop wordt niet aan de eis van vakbekwaamheid voldaan. Bovendien zijn tijdens de bezwaarprocedure ook geen bewijzen overgelegd, waaruit zou blijken dat B wél leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden.

De Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie is dan ook van mening dat het besluit van 27 oktober 2000, waarbij met inachtneming van artikel 8 Wgw uw aanvraag om vergunning voor binnenlands beroepsvervoer is afgewezen, terecht is genomen en heeft op 4 april 2001 besloten uw bezwaarschrift ongegrond te verklaren."

4. Het standpunt van verzoekster

Verzoekster heeft, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

Het bestreden besluit is strijdig de artikelen 7 en 8 van de Wgw.

Verzoekster is van mening dat geen van de situaties van artikel 7 op haar van toepassing is, zodat aan verzoekster alsnog een vergunning dient te worden verleend.

Voorts heeft verweerster verzoekster ten onrechte als vervoerder en niet als aanvrager beoordeeld op grond van artikel 8 Wgw. Verweerster kan nog geen oordeel hebben over de hoedanigheid van aanvrager als vervoerder, aangezien zij nog geen vergunning heeft.

Door aanvragen op deze wijze te toetsen, wordt er in strijd met de Wgw een geheel nieuw toetsingskader ten tonele gevoerd. De nadere toetsing van verweerster is in strijd met de limitatief in artikel 8 van de Wgw opgesomde toetsingscriteria. Of de vervoerder aan bijvoorbeeld de eis van "daadwerkelijk en permanent leiding geven" voldoet, kan pas getoetst worden als men ook reeds vervoerder is. Dat is een aanvrager op het moment dat hij zijn aanvraag indient nu juist niet. Derhalve handelt verweerster in strijd met artikel 8 Wgw, althans met doel en strekking van de wet door geen onderscheid te maken tussen vervoerder en aanvrager.

Doordat verweerster zich in de beslissing op bezwaar bedient van aannemelijkheden, in plaats van feitelijkheden, wordt de aanvrager belet het tegenbewijs te leveren. Dit is strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel

Nu verzoekster heeft voldaan aan de drie vereisten voor het verlenen van een vergunning, dient deze ook te worden toegekend.

Voorts kunnen de volgende opmerkingen op de rapporten van de RVI van 2 februari 2000 worden gemaakt.

Ten eerste betwist verzoekster dat sprake is van verhuur van vergunningen.

Ten tweede betwist verzoekster dat D aan P.B. Rijswijk B.V. factureert.

Ten derde staat in genen dele vast dat de vennoten geen kennis hadden van de gang van zaken binnen de vennootschap, zoals in de rapporten staat vermeld. Vast staat dat de vennoten het vennootschapscontract ondertekend hebben.

Ten vierde heeft verzoekster van beide vennoten vernomen dat de inspecteur van de RVI meer heeft gesproken dan zijzelf. Zij ontkennen dan ook de inhoud van de rapporten.

De rapporten liggen echter wel aan het bestreden besluit ten grondslag. Verzoekster heeft geen gelegenheid gehad zich vooraf tegen de aantijgingen in dit rapport te verweren. Inzage bij verweerster bleek niet mogelijk.

De spoedeisendheid van het belang van verzoekster is gelegen in de omstandigheid dat een wijziging in de rechtsvorm van B.V. naar v.o.f., leidende tot afwijzing van de vergunning, de stopzetting van de bedrijfsvoering met 6 vrachtwagens betekent. Hierdoor kunnen geen inkomsten worden gegenereerd, waardoor de vennoten zijn verstoken van inkomsten. Wachten totdat op beroep is beslist, zal ook kapitaalvernietiging tot gevolg hebben, in die zin dat voertuigen zullen moeten worden afgesloten en dat leasecontracten moeten worden beëindigd.

5. De beoordeling van het geschil

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb, juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Bij artikel 8:86 van de Awb is bepaald dat, indien de president van oordeel is dat, na de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening ter zitting, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De president acht op grond van de thans bekende feiten en omstandigheden geen termen aanwezig hiertoe over te gaan en overweegt daaromtrent het volgende.

Het standpunt van verzoekster dat de aanvraag om een vergunning op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wgw geacht moet worden te zijn toegewezen, moet worden verworpen, aangezien ter zitting is gebleken dat verweerster verzoekster bij brief van 25 september 2000 heeft medegedeeld dat de termijn voor het nemen van het besluit in primo op 13 november 2000 zou eindigen. Verweerster heeft binnen deze termijn, namelijk op 27 oktober 2000, op verzoeksters aanvraag beslist.

Ten aanzien van het door verzoekster aangevoerde spoedeisend belang wordt overwogen dat van onverwijlde spoed onder meer sprake is, indien sprake is van of dreiging met een noodsituatie, ter opheffing of leniging waarvan het onmiddellijk treffen van maatregelen is vereist.

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat hier van zo'n noodsituatie sprake is en dat zij aldus een spoedeisend belang heeft, aangezien afwijzing van de vergunning de stopzetting van de bedrijfsvoering met 6 vrachtwagens betekent, met alle gevolgen voor de vennoten van verzoekster van dien.

Dienaangaande overweegt de president dat vast staat dat verzoekster al sedert het moment van haar oprichting in januari 1996 niet beschikt over een vergunning tot het verrichten van binnenlands beroepsvervoer, als bedoeld in de Wgw. De aanvraag hiertoe werd pas op 28 augustus 2000 door verzoekster ingediend.

Het door verzoekster aangevoerde kan derhalve niet dienen ter adstructie van de aanwezigheid van spoedeisendheid in evenbedoelde zin.

Met betrekking tot het betoog van verzoekster dat haar ten onrechte een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer wordt onthouden, wordt in de eerste plaats overwogen dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren is gekomen dat binnen verzoeksters onderneming sedert 1 januari 1996 gebruik wordt gemaakt van vergunningbewijzen van P.B. Rijswijk B.V., welke vennootschap sedert deze datum niet meer actief is.

Voorts is uit de processen-verbaal en de gespreksverslagen in de onderzoeksrapporten van de RVI gebleken dat de afzonderlijke vennoten van verzoekster als eenmanszaak, en niet verzoekster als zodanig, voor eigen rekening en risico een vergunningplichtige transportonderneming drijven. De president ziet geen aanleiding van de juistheid van de bevindingen van de RVI in twijfel te trekken.

Voorshands valt evenmin te zien dat verweerster niet in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat B permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden binnen verzoeksters onderneming.

Naar de opvatting van de president is de feitelijke situatie met betrekking tot de bedrijfsvoering bij verzoekster dermate duidelijk dat naar zijn voorlopig oordeel niet kan worden staande gehouden dat verweerder ten onrechte bij het besluit op het verzoek om vergunning een beslissende betekenis heeft toegekend aan deze feitelijke situatie.

Voorts is het niet aannemelijk te achten dat, indien de vergunning aan verzoekster zou worden verleend, voor een andere dan de thans door verzoekster gepraktiseerde bedrijfsvoering zal worden gekozen.

Onder deze omstandigheden valt, naar voorlopig oordeel van de president, niet in te zien dat verweerster zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoekster niet voldeed aan de vereisten van artikel 8 Wgw.

Het verzoek om voorlopige voorziening dient derhalve te worden afgewezen.

6. De beslissing

De president wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, fungerend president, in tegenwoordigheid van

mr A.J. Medze, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2001.

w.g. H.C. Cusell w.g. A.J. Medze