Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB3257

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-07-2001
Datum publicatie
09-08-2001
Zaaknummer
AWB 01/159
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/159 27 juli 2001

5196

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

A, te B, verzoeker,

gemachtigde: mr L.J.L. Heukels, advocaat te Haarlem,

tegen

de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr J.C.M. Oudshoorn, werkzaam bij verweerder,

1. De feiten

Bij besluit van 20 februari 2001 heeft verweerder de kosten van onderzoek van de op verzoekers bedrijf aanwezige, ingevolge artikel 4 van de Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten onder toezicht geplaatste runderen tot een totaalbedrag van fl. 103.263,78 bij verzoeker in rekening gebracht. In de bijlage bij dit besluit is - voorzover hier van belang - het volgende bepaald:

" Betalingsvoorwaarden

Alle betalingen dienen op de hiernagenoemde wijze en onder de hiernagenoemde voorwaarden plaats te vinden:

1. Betaling dient bij het Ministerie te zijn ontvangen binnen een termijn van dertig dagen na dagtekening van de factuur waarin debiteur om betaling is verzocht, tenzij in deze factuur een andere betalingstermijn is opgenomen in welk geval deze andere betalingstermijn geldt.

2. Indien betaling dertig dagen na de in punt 1 genoemde betalingstermijn niet heeft plaatsgevonden wordt, zonder dat aanmaning of ingebrekestelling is vereist, aanspraak gemaakt op wettelijke rente.

3. In geval van invordering van het verschildigde c.q. een deel daarvan door derden zijn de kosten van invordering, zowel gerechtelijke als buitengerechtelijke, voor rekening van de debiteur (…)

4. (…)

5. De verplichting tot betaling wordt niet opgeschort door het voeren van een beroepsprocedure bij de daartoe bevoegde administratieve rechter.

6. (…)"

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 7 maart 2001 een bezwaarschrift ingediend. Voorts heeft hij bij verzoekschrift van gelijke datum aan de president van het College verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen "dat de verplichting tot betaling wordt opgeschort totdat definitief in het beroepschrift is beslist".

Op 20 maart 2001 heeft verweerder verzoeker bericht dat niet zal worden overgegaan tot invordering van het bij besluit van 20 februari 2001 in rekening gebrachte bedrag totdat de rechtmatigheid van dit besluit definitief vaststaat.

Bij brief van 30 maart 2001 heeft verweerder te kennen gegeven geen aanleiding te zien verzoekers proceskosten te vergoeden indien verzoeker zijn verzoek om voorlopige voorziening intrekt, omdat er naar verweerders mening om de navolgende reden geen sprake is geweest van enig spoedeisend belang:

" Mij is namelijk gebleken dat verzoeker niet binnen de termijn van 30 dagen is overgegaan tot betaling van de factuur, hetgeen inhoudt dat verweerder dus door middel van een gerechtelijke invorderingsprocedure verzoeker zal moeten dwingen tot daadwerkelijke betaling over te gaan.

Indien verweerder tot een gerechtelijke invordering overgaat zal hij zich echter eerst tot de civiele rechter moeten richten om een executoriale titel te verkrijgen. Het lijkt mij zeer waarschijnlijk dat deze titel alleen door verweerder zal worden verkregen indien door u is geoordeeld dat het bestreden besluit rechtmatig genomen is en derhalve in stand kan blijven. Met andere woorden er is geen sprake van spoedeisendheid en behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening is door handelen van verzoeker overbodig gemaakt."

Bij brief van 12 april 2001 heeft verzoeker zijn verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, waarbij hij de president heeft verzocht verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure.

Bij brief van 1 mei 2001 heeft verweerder, onder verwijzing naar onder meer zijn brief van 30 maart 2001, een verweerschrift ingediend strekkende tot afwijzing van dit verzoek.

2. De beoordeling van het verzoek om toepassing van artikel 8:75a van de Awb

Ingevolge artikel 8:84, vierde lid, juncto artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan in geval van intrekking van het verzoek om een voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld.

De president is van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval aan de indiener van het verzoekschrift tegemoet is gekomen. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

In de als bijlage bij het door verzoeker aangevochten besluit van 20 februari 2001 gevoegde Betalingsvoorwaarden is bepaald dat de verplichting tot betaling niet wordt opgeschort door het voeren van een beroepsprocedure bij de administratieve rechter. Door verzoeker mede te delen dat niet zal worden overgegaan tot invordering van het aan hem in rekening gebrachte bedrag totdat de rechtmatigheid van het besluit van 20 februari 2001 definitief vaststaat is verweerder hiervan uitdrukkelijk teruggekomen. Aldus is de ingevolge dat besluit op verzoeker rustende betalingsverplichting opgeschort en is verweerder in zoverre aan verzoeker tegemoetgekomen.

Wat betreft het gestelde in verweerders brief van 30 maart 2001, waarnaar verweerder in zijn reactie op het verzoek om toepassing van artikel 8:75a van de Awb verwijst, volstaat de president ermee op te merken dat de betalingsverplichting niet is opgeschort door het enkele feit dat verzoeker niet binnen de gestelde termijn heeft betaald.

Gelet op het vorenstaande ligt het verzoek om kostenveroordeling kennelijk voor toewijzing gereed en veroordeelt de president verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten van het geding.

Met toepassing van artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie in samenhang met de artikelen 8:84 en 8:54 van de Awb leidt dit tot de volgende uitspraak.

3. De beslissing

De president:

- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb toe;

- veroordeelt verweerder in de kosten die verzoeker in verband met het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op fl. 710,-- (zegge: zevenhonderdentien gulden);

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr R.R. Winter, president, in tegenwoordigheid van

mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2001.

w.g. R.R. Winter w.g. W.F. Claessens

Een belanghebbende kan tegen deze uitspraak ingevolge artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht binnen 6 weken na de dag van verzending gemotiveerd verzet doen bij het College, door middel van een ondertekend verzetschrift. De indiener kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.