Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB3183

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-07-2001
Datum publicatie
08-08-2001
Zaaknummer
AWB 98/798
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(tweede enkelvoudige kamer)

No. AWB 98/798 24 juli 2001

11200

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: mr M.T.C.A. Smets, advocaat te Waalre,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder.

1. De procedure

Op 29 juli 1998 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 juni 1998. Bij dat besluit heeft verweerder appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen een beslissing van verweerder van 12 mei 1997, strekkende tot afwijzing van een door appellant ingediend verzoek om schadevergoeding.

Bij brief van 15 oktober 1998 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het College heeft het onderzoek ex artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie onder toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gesloten en doet derhalve zonder zitting uitspraak.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 106 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Wet) luidde ten tijde hier van belang als volgt:

" 1. Onder de uitvoering van deze wet en de krachtens deze wet gestelde regelen is begrepen de bevoegdheid van een door Onze Minister aangewezen ambtenaar, indien dit ter voorkoming van verspreiding van smetstof noodzakelijk is, tot het op kosten van de overtreders doen verrichten van hetgeen in strijd met deze wet of die regelen is of wordt gedaan, ondernomen of nagelaten.

2. Tenzij in spoedeisende gevallen neemt een door Onze Minister aangewezen ambtenaar een in het eerste lid genoemde maatregel niet dan na een daartoe door hem aan betrokkene gegeven waarschuwing of gedane aanzegging."

2.2 Op grond van de stukken zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 4 april 1997 heeft appellant verweerder verzocht om vergoeding van de schade die hij had geleden door de vernietiging van varkens die op 13 februari 1997 door hem werden vervoerd. Deze vernietiging heeft plaatsgevonden na aanhouding van het transportmiddel van deze varkens in een gebied, waar in verband met de uitbraak van klassieke varkenspest een vervoersverbod van kracht was.

- Bij brief van 12 mei 1997 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen. In deze brief heeft verweerder onder meer opgemerkt dat de inbeslagname en vernietiging van de varkens het gevolg is van overtreding van een vervoersverbod, zodat appellant de hieruit voortvloeiende schade zelf heeft te dragen.

- Bij brief van 5 juni 1997 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de beslissing van

12 mei 1997. Nadat appellant op 16 oktober 1997 was gehoord omtrent zijn bezwaar, heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit heeft verweerder onder meer het volgende overwogen.

" (…)

Het vaststellen van vervoersverboden en het plaatsen van waarschuwingsborden rondom het aldus verboden gebied gebeurt op grond van artikel 30 van de Wet. Uw verzoek is derhalve op te vatten als een verzoek om vergoeding van schade, die veroorzaakt zou zijn binnen het kader van de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. De afwijzende beslissing van 12 mei 1997 op Uw verzoek betreft derhalve een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, en wel een zogenaamd zuiver schadebesluit.

Beroep tegen een zuiver schadebesluit is echter alleen mogelijk, indien eveneens beroep openstaat tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf.

De schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid bestaat naar Uw zeggen uit het per direct afsluiten van een gebied waarvoor een vervoersverbod is vastgesteld, het niet ter plekke op juiste wijze aangeven van het gebied waarbinnen en waar vanuit het, op grond van het vervoersverbod Best, verboden is om vee te vervoeren, alsmede uit het in beslag nemen en vernietigen van de vervoerde varkens. Het vernietigen van de varkens berust niet op een schriftelijk genomen besluit. Reeds omdat er in deze situatie geen sprake is van enige schriftelijke beslissing, betreft dit vermeende schadeveroorzakende handelen geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen op grond van art. 8:1 van de Awb beroep open staat. Daarnaast betreft het al dan niet ter plekke plaatsen van waarschuwingsborden op grond van artikel 30, derde lid, van de Wet, feitelijk handelen. Tegen feitelijk handelen staat op grond van artikel 8:1, eerste lid, juncto artikel 1:3 van de Awb, eveneens geen beroep open.

Gelet op het vorenstaande kan derhalve tegen het besluit van 12 mei 1997 geen beroep worden ingesteld en kan daartegen op grond van art. 7:1 van de Awb evenmin bezwaar worden gemaakt.

Voor zover U betoogt dat Uw schade is ontstaan door het vaststellen van een vervoersverbod zoals dat door middel van het Vervoersverbod Best is gedaan, dan wel het niet op juiste wijze bekendmaken en in werking treden van de wijziging van het Vervoersverbod Best, merk ik op dat ook hiertegen geen beroep en bezwaar mogelijk is. Het Vervoersverbod Best is immers een algemeen verbindend voorschrift, waartegen op grond van artikel 8:2, onder a, juncto artikel 7:1 van de Awb geen bezwaar openstaat.

(…)."

4. Het standpunt van appellant

In het beroepschrift heeft appellant ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende aangevoerd.

" (…)

Terecht overweegt de minister dat het verzoek moet worden opgevat als een verzoek om vergoeding van schade die veroorzaakt is binnen het kader van de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. (…)

De minister heeft zich in dit geval ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen beroep openstaat tegen de schade veroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf.

Het in beslag nemen respectievelijk vernietigen van de varkens heeft (…) niet plaatsgevonden op grond van artikel 95 respectievelijk 177 Wetboek van Strafvordering. Op grond daarvan kan dan ook niet anders geconcludeerd worden dan dat de inbeslagname en de vernietiging gezien moeten worden als toepassing van bestuursdwang als bedoeld in artikel 106 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. (…)

(…)

(…) Tegen bestuursdwangbesluiten staat bezwaar en beroep open op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Als de minister zijn bevoegdheid op een juiste wijze had toegepast door vooraf danwel achteraf een schriftelijk besluit uit te vaardigen dan had beroep opengestaan tegen het schade veroorzakende besluit zelf.

(…)

Cliënte is overigens van oordeel dat de stelling van de minister dat er aan zijn handelen geen schriftelijk besluit ten grondslag ligt niet juist is. (…) Naar mijn oordeel dient de brief van 12 mei 1997 (…) gezien te worden als het schriftelijk besluit van de minister waarin de toepassing van bestuursdwang schriftelijk is vastgelegd. (…)

(…) Op grond van het voorgaande kom ik tot de conclusie dat het bezwaarschrift van cliënte ten onrechte niet ontvankelijk verklaard is.

(…)."

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt voorop dat, blijkens hetgeen van de zijde van verweerder naar voren is gebracht in reactie op het beroepschrift, met het treffen van de gewraakte maatregel - het vernietigen van de door appellant vervoerde varkens - is beoogd toepassing te geven aan artikel 106 van de Wet.

Voor de beantwoording van de vraag of appellant ontvankelijk is in zijn bezwaar tegen de weigering van verweerder van 12 mei 1997 de uit de vernietiging van de varkens voortvloeiende schade te vergoeden, is beslissend of ter zake van deze schade een besluit is aan te wijzen waartegen op grond van de Awb rechtsmiddelen konden worden aangewend.

Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe dat aan voormelde uitoefening van bestuursdwang geen aan appellant gedane schriftelijke waarschuwing of aanzegging, als bedoeld in het tweede lid van artikel 106 van de Wet, is voorafgegaan. Derhalve moet worden geoordeeld dat aan het door appellant gestelde schadeveroorzakend handelen geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, te weten een schriftelijke beslissing inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, ten grondslag heeft gelegen.

De bestuursrechtelijke jurisprudentie hield ten tijde hier van belang, kort gezegd, in dat ter zake van bestuursdwang geen voorziening op grond van de Awb mogelijk werd geacht, indien geen sprake was van een, aan de tenuitvoerlegging van de dwangmaatregel voorafgegane, schriftelijke waarschuwing of aanzegging. Een dergelijke situatie doet zich hier voor.

Naar het oordeel van het College kan de brief van 12 mei 1997 van verweerder niet worden aangemerkt als een besluit waarin de toepassing van bestuursdwang wordt bevestigd, maar slechts als een reactie op het door appellant bij brief van 4 april 1997 ingediende verzoek om schadevergoeding.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat appellant, gelet op het bepaalde in de artikelen 1:3, 8:1 en 7:1 van de Awb, niet kon worden ontvangen in zijn bezwaar tegen de beslissing van verweerder van 12 mei 1997.

Het beroep van appellant dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

De toepassing van artikel 8:54 van de Awb is mede gegrond op het feit dat het College de in de tweede alinea van deze rubriek geformuleerde vraag reeds heeft beantwoord in zijn uitspraak van 17 april 2001 (AWB 98/1000; te raadplegen op www.rechtspraak.nl).

Onder verwijzing naar artikel 8:71 van de Awb merkt het College op dat een vordering betreffende de in geding zijnde schade uitsluitend bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr drs B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2001.

w.g. H.C. Cusell w.g. B. van Velzen

Een belanghebbende kan tegen deze uitspraak ingevolge artikel 8:55 van de Awb binnen zes weken na de dag van verzending gemotiveerd verzet doen bij het College, door middel van een ondertekend verzetschrift. De indiener kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.