Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB3163

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-07-2001
Datum publicatie
08-08-2001
Zaaknummer
AWB 99/450 en 99/451
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/450 en 99/451 31 juli 2001

27605

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te C, appellanten,

gemachtigde: J.M. Beumers, te D,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr drs R.F. Jassies, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Bij gelijkluidende beroepschriften, bij het College ontvangen op 11 mei 1999, is namens appellanten beroep ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 16 april 1999.

Bij deze, gelijkluidende, besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellanten, tegen de afwijzing van hun verzoeken om verklaringen af te geven als bedoeld in artikel 11, aanhef en eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB).

Op 22 juli 1999 heeft het College terzake van de twee beroepen gelijkluidende verweerschriften van verweerder ontvangen.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van het College, gehouden op 6 maart 2001, waar appellanten niet zijn verschenen en verweerder bij monde van zijn gemachtigde zijn standpunt nader heeft toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet IB is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 11

1. In geval in een kalenderjaar:

a. (…);

b. in een onderneming die de belastingplichtige voor eigen rekening feitelijk drijft voor een bedrag van meer dan f 3700 wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van investeringen die door Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie (energie-investeringen), wordt - onverminderd de toepassing van onderdeel a - op verzoek bij de aangifte van de belastingplichtige een in het tweede lid, onderdeel b, aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).

(…)

Onder investeren wordt verstaan het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing of de verbetering van een bedrijfsmiddel, zomede het maken van voortbrengingkosten te dier zake (…).

11. Het eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, is slechts van toepassing indien de energie-investering is aangemeld bij Onze Minister binnen een door hem te stellen termijn.

12. Bij ministeriële regeling kunnen:

a. in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken - zo nodig afwijkende - regels worden gesteld met betrekking de in het eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, bedoelde verklaring;"

Op grond van deze bepaling is vastgesteld de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek (hierna: de Uitvoeringsregeling) (Stcrt. 1996, nr. 248), waarbij onder meer is bepaald:

" Artikel 2

Als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie

(energie-investeringen) als bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin,

onderdeel b, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfs-

middelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage I van deze regeling,

mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de

bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en

bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen.

Artikel 3

1. De termijn bedoeld in artikel 11, elfde lid, van de wet waarbinnen de aangegane verplichtingen dan wel de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van een investering als bedoeld in artikel 2 moeten zijn aangemeld, wordt gesteld op drie maanden. Deze termijn vangt aan:

a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichtingen;

b. met betrekking tot voortbrengingskosten: bij de aanvang van het kalenderkwartaal volgend op dat waarin de kosten zijn gemaakt dan wel, ingeval het bedrijfsmiddel of het onderdeel ter zake waarvan de kosten zijn gemaakt in het kalenderkwartaal in gebruik is genomen, bij de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel respectievelijk het onderdeel.

(…)

Artikel 5

1. De verklaring van de Minister van Economische Zaken bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de wet vermeldt in welke aangewezen bedrijfsmiddelen of onderdelen is geïnvesteerd alsmede het bedrag van de uitgaven ter zake.

2. (…)

3. Het verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan bij de aanmelding bedoeld in artikel 3 en 4."

In de Toelichting bij de Uitvoeringsregeling is onder meer het volgende bepaald:

" Het tweede type bedrijfsmiddelen betreft specifiek benoemde

bedrijfsmiddelen of onderdelen van bedrijfsmiddelen (hierna:

bedrijfsmiddelen) die onder alle omstandigheden leiden tot voldoende

energiebesparing.

(…)

Artikel 5 en 6 hebben betrekking op de verklaring van de Minister van

Economische Zaken.

(…)

Artikel 5, derde lid, ziet op het verzoek om de verklaring. Gelet op artikel 5,

tweede lid, is dit van toepassing voor alle overige investeringen; dit zijn de

investeringen waarvan de code op de lijst met '2' of '3' aanvangt. Voor deze

investeringen geldt de aanmelding tevens als het verzoek om de verklaring

van de Minister van Economische Zaken.

(…)

Tegen de inhoud van een verklaring afgegeven door Senter kan bezwaar

worden gemaakt bij Senter. Tegen de uitspraak op het bezwaar is beroep

mogelijk bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven."

In de in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling bedoelde bijlage (hierna: de Energielijst 1998) (Stcrt. 1997, nr. 250) is onder meer het volgende bepaald:

" Bedrijfsmiddelen of onderdelen van bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen voor EIA dienen tenminste te bestaan uit de bestanddelen vermeld achter 'en bestaande uit'. Indien zij uit deze bestanddelen bestaan mogen de bestanddelen vermeld achter '(eventueel)' daaraan worden toegevoegd.

(…)

(210403)

Isolatie

a. Bestemd voor: het isoleren van vloeren, daken, plafonds of wanden van verwarmde ruimten van bedrijfsgebouwen, die grenzen aan de buitenlucht of die grenzen aan onverwarmde en ongekoelde ruimten uitgezonderd koel-, droog- of klimatiseercellen, en bestaande uit: isolatiemateriaal met een warmteweerstand R (isolatie) = (…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaken de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij daartoe bestemde formulieren, door het Bureau energie-investeringsaftrek van de Belastingsdienst ontvangen op 12 maart 1998, hebben appellanten, die in de vorm van een vennootschap onder firma een verspanningstechniekbedrijf exploiteren, verzoeken gedaan om een verklaring dat de daarbij aangemelde investeringen in isolatiemateriaal, onder code 210403 in de Energielijst 1998, investeringen zijn, die zijn aangewezen als zijnde in het belang van een doelmatig gebruik van energie in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB (hierna: energie-verklaring).

- Bij faxbericht van 27 november 1998 hebben appellanten verweerder (desgevraagd) nadere gegevens over de bedrijfsmiddelen verstrekt, middels overlegging van facturen van E d.d. 25 november 1997 en van F d.d. 28 november 1997, houdende de bestelling van de isolatiematerialen, met als totaalbedrag f. 9.635,64, exclusief BTW. In voornoemd faxbericht van 27 november 1998 hebben appellanten aan verweerder, voor zover hier van belang, het volgende medegedeeld:

" Hierbij ontvangt u de datums van bestelling van de

isolatiematerialen. De bestellingen zijn mondeling gedaan.

* Tempex PS-20 f 185,64 excl btw

besteldatum + 25-11-'97

* Mastor-plus profielplaat f 9.450,- excl btw

besteldatum + 23-11-'97

P.S. de betreffende fakturen zijn bijgevoegd."

- Bij besluiten van 29 december 1998 heeft verweerder op de verzoeken om een energie-verklaring afwijzend beslist. In deze besluiten heeft verweerder onder meer het volgende beslist:

" U meldt het bedrag van de investering aan als zijnde

voortbrengingkosten. Daar het gemelde bedrijfsmiddel echter

niet in eigen onderneming is vervaardigd, worden de door u

gemaakte kosten aangemerkt als zijnde aanschaffingskosten.

Indien het aanschaffingskosten betreft, moet een melding

binnen drie maanden na het verstrekken van de opdracht

ontvangen zijn bij bureau EIA te Breda. De melding is

ontvangen op 12 maart 1998 en de opdrachten voor de

hieronder gemelde kosten zijn gegeven op 23 en 25 november

1997. Dit betekent dat de kosten te laat gemeld zijn en ik kan

voor uw melding dan ook geen verklaring afgeven."

- Bij brieven van 26 januari 1999, aangevuld bij brieven van 5 maart 1999, hebben appellanten tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

- Bij brieven van 11 maart 1999 zijn appellanten de gelegenheid geboden om op

1 april 2001 op hun bezwaren te worden gehoord. Op 1 april 1999 hebben appellanten telefonisch te kennen gegeven van deze gelegenheid geen gebruik te maken.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten en het standpunt van verweerder

Bij de bestreden besluiten is onder meer als volgt overwogen en beslist.

" In uw bezwaarschrift stelt u dat de melding naar uw mening wel op tijd is gedaan. Daarbij gaat u er van uit dat er in uw geval geen sprake is van aanschafkosten, maar van voortbrengingskosten. Met deze zienswijze ben ik het niet eens. Van voortbrengingskosten is sprake als een bedrijfsmiddel (gedeeltelijk) in de eigen onderneming is vervaardigd. Alle kosten die hiervoor binnen de eigen onderneming zijn gemaakt behoren tot de voortbrengings-kosten. Het kan bijvoorbeeld gaan om de arbeidskosten van een werknemer die een in delen geleverde machine in elkaar zet. Onder aanschafkosten vallen de koopsom plus de bijkomende kosten die noodzakelijk zijn om een bedrijfsmiddel bedrijfsklaar te krijgen. Uit de door u geleverde informatie concludeer ik dat u isolatiemateriaal hebt aangeschaft. Dit materiaal is door u zelf of door derden aangebracht, doch het is niet binnen uw onderneming vervaardigd. Daarmee is er mijns insziens geen sprake van voortbrengingskosten met betrekking tot isolatie, maar van aanschaf van het isolatiemateriaal.

U stelt verder in uw bezwaarschrift dat de aangeschafte isolatie op zich niet gekwalificeerd kan worden als bedrijfsmiddel als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter b van de Wet IB. De isolatie gaat deel uitmaken van de vloer waarin deze wordt verwerkt. Na voltooiing van de vloer ontstaat er één bedrijfsmiddel met één gebruikswaardeverloop. Hierover wil ik opmerken dat in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling is aangegeven welke investeringen worden aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie. Het moet gaan om investeringen in bedrijfsmiddelen of onderdelen daarvan die zijn opgenomen in bijlage I, de Energielijst, van de Uitvoeringsregeling. In onderhavig geval is het bedrijfsmiddel vloer niet aangewezen in de Energielijst, doch wel het onderdeel isolatie. Ik blijf daarom van mening dat alleen de investering die betrekking heeft op de aanschaf van het isolatiemateriaal in aanmerking genomen kan worden. Ik moet echter tevens vaststellen dat u deze investering te laat hebt gemeld, waardoor ik geen verklaring kan afgeven als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter b van de Wet IB omdat niet is voldaan aan de termijn zoals die wordt genoemd in artikel 3, lid 1 van de Uitvoeringsregeling.

Hoewel ik met de Energie-investeringsaftrek beoog energiebesparing en inzet van duurzame energie door het Nederlandse bedrijfsleven te stimuleren, ben ik tevens gehouden aan hetgeen in de Wet IB staat omschreven. Ik zal mijn beschikking van 29 december 1998 niet herzien."

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder daaraan nog het volgende toegevoegd.

In de Wet IB noch in de Uitvoeringsregeling is steun te vinden voor het standpunt van appellanten dat verplichtingen die worden aangegaan met betrekking tot onderdelen van bedrijfsmiddelen dienen te worden beschouwd als voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel.

Voor de toepassing van de Uitvoeringsregeling is het niet van belang of de isolatie een zelfstandige functie vervult in de onderneming van appellanten. Het gaat bij de toepassing van de Uitvoeringsregeling in de eerste plaats om de vraag of het gemelde bedrijfsmiddel op de Energielijst 1998 is geplaatst.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of het (onderdeel van het) bedrijfsmiddel in de eigen onderneming van appelanten is voortgebracht of dat er verplichtingen met betrekking tot de aanschaf daarvan zijn aangegaan. Voor de aanschaf van isolatie zijn verplichtingen aangegaan, zodat sprake is van aanschafkosten.

De gemelde isolatie is onderdeel van een bedrijfsmiddel. Het maakt echter niet uit in welk bedrijfsmiddel de isolatie wordt verwerkt, aangezien de gemelde isolatie als zodanig op de Energielijst 1998 is aangewezen, de vloer of het gebouw waarvan de isolatie onderdeel gaat uitmaken, niet. Het bedrijfsmiddel vloer of gebouw komt niet voor op de Energielijst 1998.

Dit levert reeds reden tot weigering van de verklaring op.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van hun beroepen - samengevat - het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

Ten onrechte heeft verweerder de verzochte verklaringen geweigerd af te geven, aangezien appellanten de verzoeken daartoe tijdig hebben gedaan.

Voor de beantwoording van de vraag of de onderhavige verzoeken door appellanten tijdig zijn gedaan, dient te worden vastgesteld of er sprake is van het aangaan van verplichtingen dan wel van voortbrengingskosten. In de onderhavige gevallen is er sprake van voortbrengingskosten. Immers, verplichtingen met betrekking tot onderdelen van bedrijfsmiddelen dienen te worden beschouwd als voortbrengingskosten van die bedrijfsmiddelen. Van aanschaffingskosten in de zin van de energie-investeringsaftrek kan slechts worden gesproken als het een aanschaffing betreft welke gekwalificeerd kan worden als een bedrijfsmiddel als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder b van de Wet IB. De betreffende isolatie kan op zichzelf niet worden gekwalificeerd als bedrijfsmiddel, de vloer echter wel, aangezien de gemelde isolatie een onderdeel van het bedrijfsmiddel 'vloer' betreft. Na voltooiing van de vloer, met daarin verwerkt de isolatie, ontstaat er één bedrijfsmiddel.

Nu de isolatie een onderdeel vormt van het bedrijfsmiddel 'vloer' en die vloer in eigen beheer is vervaardigd, is er aldus sprake van voortbrengingskosten. Dat slechts een onderdeel van de voortbrengingskosten, namelijk de isolatie, in aanmerking komt voor energie-investeringsaftrek doet daar niet aan af. De gemelde isolatie, als onderdeel van het bedrijfsmiddel 'vloer' komt in aanmerking voor voornoemde verklaring.

Aangezien er sprake is van voortbrengingskosten zijn de onderhavige verzoeken om een energieverklaring tijdig gedaan, namelijk binnen 3 maanden na afloop van het kwartaal waarin de voortbrengingskosten zijn gemaakt.

Overigens zou de te late indiening van de onderhavige verzoeken geen reden opleveren voor afwijzing van de verzochte verzoeken, nu deze verzoeken aan alle gestelde eisen voldoen. Doel van de onderhavige verzoeken is immers slechts om te controleren of een bepaalde investering voldoet aan de in de Energielijst 1998 voorkomende specificaties. Dit is het geval.

Appellanten vorderen vernietiging van de bestreden besluiten onder gegrondverklaring van hun beroepen.

5. De beoordeling van de geschillen

5.1 Ter beoordeling ligt de vraag voor of verweerder terecht heeft beslist dat appellanten de, bij de aanmeldingen van de investeringen met betrekking tot isolatie gedane, verzoeken om een energieverklaring niet tijdig hebben ingediend. Het College overweegt daartoe als volgt.

Bij de beantwoording van die vraag stelt het College voorop dat ingevolge artikel 2 van de Uitvoeringsregeling slechts die investeringen in (onderdelen van) bedrijfsmiddelen voor een energieverklaring in aanmerking komen, die zijn aangewezen in de Energielijst 1998 en die bestaan uit de in die bijlage genoemde bestanddelen.

Voormeld artikel sluit aldus investeringen uit die niet op de Energielijst 1998 voorkomen.

Partijen verschillen niet van mening dat de onderhavige isolatiematerialen als onderdeel van het bedrijfsmiddel 'vloer' moet worden aangemerkt.

De stelling van appellanten dat verplichtingen die worden aangegaan met betrekking tot onderdelen van bedrijfsmiddelen (in dit geval: het isolatiemateriaal), dienen te worden beschouwd als voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel (in dit geval: de vloer) kan niet worden gevolgd. Daartoe overweegt het College als volgt.

Het College is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat uit de genoemde omschrijving in rubriek 210403 in de Energielijst 1998 voortvloeit dat, in de onderhavige gevallen, de aangemelde isolatiematerialen zijn aan te merken als energie-investering in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB. Immers, het isolatiemateriaal staat, onder code 210403, aangewezen in de Energielijst 1998. Uit artikel 2 van de Uitvoeringsregeling en de Toelichting daarop vloeit voort dat ook investeringen, die slechts onderdelen van bedrijfsmiddelen betreffen, op de Energielijst 1998 kunnen worden geplaatst en aldus als energie-investering als bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de Wet IB worden aangewezen. Het College overweegt voorts dat verweerder, blijkens de omschrijving in code 210403 in de Energielijst 1998, bij de omschrijving van die code er reeds rekening mee heeft gehouden dat isolatiemateriaal deel kan uitmaken van een bedrijfsmiddel, aangezien in die code is vermeld dat isolatie bestemd is voor het isoleren van, ondermeer, vloeren.

Gelet op het vorenstaande valt niet in te zien dat de bepalingen in artikel 3, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inzake de aanmeldingstermijn van verplichtingen, niet ten volle ten aanzien van de in de Energielijst 1998 geplaatste onderdelen van bedrijfsmiddelen zouden gelden. Evenmin is anderszins in de Wet IB of in de Uitvoeringsregeling steun te vinden voor voornoemd standpunt van appellanten.

Niet in geschil is dat appellanten het betreffende isolatiemateriaal van derden hebben betrokken. Het College overweegt hierbij nog dat uit de in rubriek 2.2. aangehaalde facturen van E, gedateerd 25 november 1997 en van F gedateerd 28 november 1997, alsmede de begeleidende brief van appellanten, volgt dat appellanten het isolatiemateriaal bij deze twee ondernemingen hebben besteld en gekocht. Het College is gezien het vorenstaande van oordeel dat, nu appellanten het onderhavige isolatiemateriaal van voornoemde derden hebben betrokken, verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat appellanten met de investeringen met betrekking tot dat isolatiemateriaal verplichtingen zijn aangegaan als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a van de Uitvoeringsregeling.

5.2 Terzake van de vraag of verweerder terecht heeft beslist dat appellanten de verzoeken om een energieverklaring niet tijdig hebben gedaan wordt tenslotte het volgende overwogen. Volgens vaste jurisprudentie van het College (laatstelijk no. Awb 99/657 d.d. 10 juli 2001, te raadplegen op www.rechtspraak.nl) volgt, gelet op tekst en strekking van de in rubriek 2.1 aangehaalde bepalingen van de Wet IB, uit artikel 3, eerste lid, juncto artikel 5, derde lid, van de Uitvoeringsregeling, dat de verzoeken om een energieverklaring gedaan dienen te worden binnen drie maanden na het aangaan van de verplichtingen.

Gelet op de hierboven genoemde facturen en de verklaring van appellanten in hun faxbericht van 27 november 1998, dat de op de factuur vermelde bestellingen mondeling zijn gedaan op 23 november 1997 respectievelijk 25 november 1997, is naar het oordeel van het College verweerder op goede gronden ervan uitgegaan dat laatstgenoemde data de tijdstippen zijn waarop appellanten verplichtingen zijn aangegaan ter zake van de door hen aangemelde investeringen. Aangezien vaststaat dat de onderhavige verzoeken om een energieverklaring door verweerder zijn ontvangen op 12 maart 1998, zijnde meer dan drie maanden nadien, is niet voldaan aan het voorschrift in voornoemde artikelen van de Uitvoeringsregeling.

Dat de gemelde investeringen voldoen aan de op de Energielijst 1998 vermelde omschrijving, naar appellanten hebben gesteld, doet aan het vorenstaande niet af.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat verweerder terecht heeft beslist dat appellanten de, bij de aanmeldingen van de investeringen met betrekking tot isolatie gedane, verzoeken om een energieverklaring niet tijdig hebben ingediend. Gelet daarop kon verweerder beslissen geen energieverklaringen af te geven.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr M.A. Fierstra en dr B. Hessel, in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2001.

w.g. B. Verwayen w.g. I.K. Rapmund

Tegen een uitspraak waarin de begrippen "investeren" en "bedrijfsmiddelen" worden toegepast kan beroep in cassatie worden ingesteld. Verwezen wordt naar de aanbiedingsbrief bij deze uitspraak.