Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB3080

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-07-2001
Datum publicatie
03-08-2001
Zaaknummer
AWB 00/317
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/317 10 juli 2001

24030

Uitspraak in de zaak van:

Mactra B.V., te 's-Gravenhage, appellante,

gemachtigde: mr E.J. Pot, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen

De Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Haaglanden, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerster,

gemachtigde: R. van Steveninck, werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Op 18 april 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerster van 7 maart 2000.

Bij dat besluit heeft verweerster opnieuw beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de handelsregisterbijdrage voor 1996, behorende bij de rangschikking van haar onderneming in groep XII van de bijdragenschaal die is vastgesteld op grond van artikel 22 van de Handelsregisterwet.

Bij brief van 15 mei 2000, ingekomen ter griffie van het College op 18 mei 2000, heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 17 april 2001, waar partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader hebben doen toelichten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij artikel 22 van de Handelsregisterwet (hierna: de Wet) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald.

" 1. Voor de inschrijving van een onderneming bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken, in welker gebied zij is gevestigd, is over elk kalenderjaar waarin de onderneming is ingeschreven of behoort te zijn ingeschreven aan die Kamer verschuldigd een door die Kamer bij verordening vast te stellen bedrag.

2. De Kamer kan bij een verordening als in het eerste lid bedoeld voor geen onderneming een hoger bedrag vaststellen dan het bij algemene maatregel van bestuur voor de betrokken groep van ondernemingen bepaalde bedrag.

3. Bij de in het tweede lid bedoelde maatregel worden de ondernemingen in groepen ingedeeld naar gelang van het in de onderneming gestoken kapitaal, met aftrek van de verliezen. Bij die maatregel kunnen in bijzondere gevallen ondernemingen volgens andere maatstaven in groepen worden ingedeeld. Voor elke groep van de ondernemingen wordt, met het oog op de toepassing van het eerste lid, een bedrag bepaald.

4. Onder het in de onderneming gestoken kapitaal worden mede verstaan:

a. reserves en voorzieningen, behalve die, welke dienen tot dekking van verplichtingen of onmiddellijk aanwijsbare risico's, voor zover het bedrag daarvan dat van deze verplichtingen of risico's niet te boven gaat;

b. schulden met een looptijd van een jaar of langer."

Artikel 22a, vierde lid, van de Wet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

" De Kamer van Koophandel en Fabrieken rangschikt een onderneming in een groep, waarvoor een hoger bedrag geldt dan hetwelk geldt voor de groep, waartoe die onderneming volgens de aangifte behoort, indien zij van oordeel is dat de onderneming tot eerstbedoelde groep behoort of dat de betekenis der onderneming rangschikking in die groep wettigt."

Gelet op onder meer artikel 22, tweede en derde lid, van de Wet is vastgesteld het Besluit bijdragen handelsregister (hierna: het Besluit), waarvan artikel 6a, eerste lid, aanhef en onder a., als volgt luidt.

" 1. Voor de toepassing van artikel 22 van de wet alsmede voor de toepassing van artikel 23a van de wet mede in verband met artikel 23b, eerste lid, van de wet worden ondernemingen - niet zijnde ondernemingen als in de artikelen 4-6 bedoeld -, welke behoren aan een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die voor ten minste 95 ten honderd deelneemt in het geplaatste kapitaal van een of meer andere naamloze vennootschappen of besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, ingedeeld in de groepen, welke in de kolommen 1 en 2 van de in artikel 3, eerste lid, opgenomen staat zijn omschreven, onderscheidenlijk aangeduid, met dien verstande dat voor die indeling het in de onderneming gestoken kapitaal wordt verminderd:

a. met de waarde op haar balans van haar aandelen in bovenbedoelde andere naamloze vennootschappen of besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, (…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In het handelsregister van verweerster zijn ingeschreven appellante en haar moedermaatschappij, Sifab Holding B.V..

Laatstgenoemde vennootschap neemt voor tenminste 95% deel in het geplaatste kapitaal van appellante.

- In haar jaarstukken over 1993 heeft de Holding als de waarde van haar deelneming in Mactra B.V. een bedrag van fl. 43.958.915,39 opgegeven.

- Op grond van die gegevens heeft de Kamer appellantes onderneming voor het jaar 1996 gerangschikt in groep XII.

- Tegen de op die rangschikking gebaseerde nota voor het bijdragejaar 1996 heeft appellante op 27 februari 1996 bij verweerster bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 8 maart 1996 heeft verweerster het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

- Tegen dit besluit heeft appellante op 19 april 1996 bij het College beroep ingesteld.

- Bij uitspraak van 17 februari 2000 heeft het College het beroep van appellante gegrond verklaard, het aangevallen besluit vernietigd en verweerster opgedragen opnieuw op het bezwaarschrift van appellante te beslissen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit heeft verweerster terzake het volgende overwogen.

" Voor wat betreft de Jaarlijkse Bijdragen Handelsregister over (…) 1996 zullen wij handelen overeenkomstig de vingerwijzing van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, zoals vervat in haar uitspraken van 17 februari 2000 (…).

Uit de jaarrekening 1993 van Sifab Holding B.V. blijkt dat de waarde van de deelneming Mactra B.V. Fl. 43.958.915,39 bedraagt.

Nu de rangschikkingen 1995 en 1996 van Sifab Holding B. V. zijn vastgesteld aan de hand van het in de onderneming geïnvesteerd kapitaal minus

Fl. 43.958.915,39 als zijnde het geïnvesteerde kapitaal in de dochtermaatschappij Mactra B.V., dient Mactra B.V. , zoals vastgelegd in

art. 6a van het Besluit bijdragen Handelsregister van 5 december 1968, te worden gerangschikt op basis van dit bij de moeder in mindering gebrachte kapitaal.

Uit de kapitaalaangiften 1995 en 1996 van Mactra B.V. blijkt echter dat het totaal van het in deze vennootschap geïnvesteerde kapitaal aanzienlijk lager ligt dan de genoemde Fl. 43.958.915,39.

Gezien de discrepantie die zou ontstaan, wanneer wij genoemde kapitaal-aangiften zouden volgen, tussen de rangschikkingen van de "moeder" Sifab Holding B.V. en de "dochter" Mactra B.V., rangschikken wij Mactra B.V., overeenkomstig het bepaalde in art 22a lid 4 van de Handelsregisterwet 1918, op basis van de maatschappelijke betekenis van de onderneming voor beide jaren in bijdrage groep XII (geïnvesteerd vermogen 30 tot 60 miljoen guldens).

De jaarlijkse bijdrage (inclusief opcenten SER) bedraagt in geval van een dergelijke rangschikking voor het jaar (…) 1996 Fl. 6.551,40."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Uit eerdere uitspraken van het College blijkt dat een juiste uitleg van artikel 22 van de Handelsregisterwet met zich meebrengt dat in de verhouding tussen een moeder-vennootschap en een dochtervennootschap, (stille) reserves niet tweemaal mogen worden belast, maar ook niet onbelast mogen blijven. De (stille) reserves moeten echter bij de moedervennootschap worden belast (in casu Sifab Holding B.V.) en niet bij de dochtervennootschap (in casu appellante). Verweerster had appellante over het jaar 1996 derhalve moeten indelen in groep VIII in plaats van in groep XII van de bijdragenschaal en de (stille) reserves hadden over dat jaar bij Sifab Holding B.V. moeten worden belast.

De omstandigheid dat verweerster inmiddels te laat is om over het jaar 1996 bedoelde (stille) reserves bij Sifab Holding B.V. te belasten, betekent geenszins dat deze (stille) reserves alsnog bij appellante als dochtervennootschap in rekening mogen worden gebracht.

5. De beoordeling van het geschil

Met ingang van 1 oktober 1997 is de Handelsregisterwet 1996 in werking getreden. Ingevolge artikel 37 van de (nieuwe) Handelsregisterwet 1996 is de Handelsregisterwet met ingang van vermelde datum ingetrokken. Bij gebreke van andersluidende bepalingen in de (nieuwe) Handelsregisterwet 1996 is de verschuldigdheid van een handelsregister-bijdrage over de periode te rekenen tot 1 oktober 1997, alsmede de daarmee verband houdende rangschikking van de desbetreffende onderneming in één der tariefgroepen, te beoordelen op grond van het bepaalde bij en krachtens de Handelsregisterwet.

Bij artikel 6a van het hier van toepassing zijnde Besluit is een voorziening getroffen voor moeder- en dochterondernemingen teneinde te voorkomen dat het door de moeder-onderneming in de dochteronderneming geïnvesteerde kapitaal in feite tweemaal bij een heffing wordt betrokken.

Voor de beantwoording van de vraag betreffende de toepassing van deze aftrekregeling die partijen in deze zaak verdeeld houdt, verwijst het College naar zijn overwegingen omtrent dezelfde vraag in zijn eerdere uitspraak van 11 februari 1993, zaaknr. 91/2655/076/003, eveneens inzake Mactra B.V. Daarin is onder meer het volgende overwogen:

" Het College kan het in het bestreden besluit vervatte standpunt van verweerster in zoverre onderschrijven dat een juiste hantering van de regels terzake van de rangschikking meebrengt dat de toepassing van artikel 6a van het Besluit niet tot gevolg mag hebben dat een deel van het kapitaal dat in de moeder-onderneming is gestoken noch bij de moederonderneming noch bij de dochteronderneming bij een heffing wordt betrokken. Immers, meergenoemd artikel 6a heeft geen verdergaande strekking dan te voorkomen dat het door de moederonderneming in de dochteronderneming geïnvesteerde kapitaal in feite tweemaal bij een heffing wordt betrokken. De weg die verweerster heeft gekozen om aan bovenbedoelde consequentie te ontkomen, acht het College, gelet op de daarbij gegeven motivering, evenwel niet juist.

Noch uit de tekst noch uit de toelichting van genoemd artikel 6a volgt dat het al dan niet toepassen van de daarin opgenomen aftrekregeling gevolgen heeft voor de rangschikking van andere ondernemingen dan de desbetreffende moedervennootschappen.

Nu ook andere bij of krachtens de Wet vastgestelde bepalingen geen aanknopingspunt bieden voor een andersluidend oordeel, moet de conclusie luiden dat de kapitaalsopgave van de dochteronderneming zelfstandig dient te worden beoordeeld en op haar eigen merites dient te worden bezien.

Door aan de toepassing van meergenoemd artikel 6a ten aanzien van Sifab Holding B.V. zonder meer het gevolg te verbinden dat bij verzoekster de kapitaalsaangifte werd verlaten als grondslag voor de heffing, heeft verweerster dit laatste miskend.

Voor een rangschikking van een (dochter) onderneming in een groep waarvoor een hoger bedrag geldt dan de groep waartoe de onderneming volgens de aangifte behoort, biedt artikel 22a, vierde lid, van de Wet een grondslag.

Aan dit artikel heeft verweerster blijkens de in het bestreden besluit gegeven motivering evenwel geen toepassing gegeven. (…)

Nu gelet op de door verweerster terecht aangebrachte samenhang in het bestreden besluit tussen de rangschikking van verzoekster en die van Sifab Holding B.V. de beide rangschikkingen na vernietiging van dat besluit opnieuw moeten worden overwogen en vastgesteld, merkt het College ter voorlichting van partijen nog het volgende op. Wanneer geen toepassing wordt of kan worden gegeven aan artikel 22a, vierde lid, van de Wet bij de dochtervennootschap kan de situatie ontstaan dat, zoals in casu, een vermindering van het in een (moeder)onderneming gestoken kapitaal op grond van artikel 6a van het Besluit tot feitelijk gevolg heeft dat, tegen de bedoeling van dit artikel in een deel van het in de moederonderneming gestoken kapitaal van heffing zou worden vrijgesteld. Een dergelijk gevolg moet dan worden gekeerd binnen het kader van artikel 6a en (dus) bij de bepaling van de heffing ten aanzien van de moederonderneming, waarbij de toepassing van artikel 6a aan de orde kan zijn, zijnde in dit geval Sifab Holding B.V."

Het College voegt hieraan het volgende toe.

Op grond van artikel 22a, vierde lid, van de Wet heeft verweerster de mogelijkheid een onderneming te rangschikken in een groep, waarvoor een hoger bedrag geldt dan hetwelk geldt voor de groep, waartoe die onderneming volgens de aangifte behoort. Van deze mogelijkheid kan onder meer gebruik worden gemaakt, indien verweerster van oordeel is dat de betekenis van een dergelijke onderneming rangschikking in die groep wettigt.

Verweerster heeft in het bestreden besluit ten aanzien van appellante van bovenomschreven mogelijkheid gebruik gemaakt en heeft appellante op grond van de maatschappelijke betekenis van haar onderneming gerangschikt in groep XII van de bijdragenschaal. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerster enkel gewezen op de discrepantie die zou ontstaan tussen de rangschikkingen van moederonderneming Sifab Holding B.V. en de rangschikking van appellante wanneer de kapitaalaangifte van appellante, die veel lager is dan het kapitaal dat de moederonderneming in appellante heeft geïnvesteerd, zou worden gevolgd.

Het College is van oordeel dat verweerster met genoemde summiere onderbouwing van haar standpunt niet heeft kunnen volstaan. Verweerster heeft immers op geen enkele wijze aangegeven op welke grond(en) zij tot de conclusie is gekomen dat de betekenis van appellante rangschikking in een hogere groep wettigt. Van verweerster had minstgenomen verwacht mogen worden dat zij concrete gegevens omtrent de maatschappelijke betekenis van appellante zelf, dus los van de aftrek die Sifab Holding B.V. heeft gekregen, aan het bestreden besluit ten grondslag zou hebben gelegd. Nu dit in casu niet is geschied berust het bestreden besluit derhalve niet op een deugdelijke motivering.

Gelet hierop moet het onderhavige beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerster dient opnieuw op het bezwaarschrift van appellante te beslissen met inachtneming van hetgeen het College in deze uitspraak heeft overwogen.

Het College acht termen aanwezig voor nadere beslissingen als in het dictum van deze uitspraak vermeld. Voor een proceskostenveroordeling bestaat, in verband met

artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in deze zaak geen grond, aangezien deze zaak samenhangt met zaak no. AWB 00/299, waarin het College heden uitspraak heeft gedaan onder veroordeling van verweerster in de proceskosten van appellante.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 7 maart 2000;

- bepaalt dat verweerster opnieuw op het bezwaarschrift van appellante beslist met inachtneming van hetgeen in deze

uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ad fl. 450,-- door verweerster wordt vergoed.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr C.M. Wolters en mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr drs M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2001.

w.g. H.C. Cusell w.g. M.S. Hoppener