Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB3056

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-07-2001
Datum publicatie
03-08-2001
Zaaknummer
AWB 00/475
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No.AWB 00/475 3 juli 2001

24030

Uitspraak in de zaak van:

Stichting A, te B, appellante,

tegen

de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, verweerster,

gemachtigde: mr J.P.J. Leerling, werkzaam bij verweerster,

1. De procedure

Op 7 juni 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerster van 23 mei 2000.

Bij dit besluit heeft verweerster het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de haar voor 1997 opgelegde handelsregisterbijdrage, alsmede tegen de haar voor 1998, 1999 en 2000 opgelegde bijdragen op grond van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 (hierna: de Wet), niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 18 september 2000 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 oktober 2000 heeft appellante het College een reactie op de inhoud van voormeld verweerschrift doen toekomen.

In reactie op de brief van appellante van 29 oktober 2000 heeft verweerster het verweerschrift op 27 november 2000 nader aangevuld.

Op 22 mei 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Bij die gelegenheid is appellante, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In het handelsregister van verweerster (hierna: het handelsregister) is op

2 november 1994 ingeschreven de eenmanszaak C, welke onderneming wordt gedreven voor rekening van D.

- Met ingang van 25 november 1994 staat appellante in het handelsregister ingeschreven, met als enig bestuurder D.

- De eenmanszaak C is met ingang van 3 maart 1995 voortgezet door E B.V., met als enig bestuurder Stichting F. Als enig bestuurder van Stichting F staat D in het handelsregister ingeschreven.

- Vanaf 11 augustus 1995 staat in het handelsregister geregistreerd dat E B.V. met ingang van 8 augustus 1995 is omgezet in E Holding B.V., met als enig bestuurder Stichting F.

- Op 21 januari 1997 heeft de enig bestuurder van appellante aan verweerster een wijziging van het correspondentieadres van appellante doorgegeven, welke adreswijziging vervolgens door verweerster in het handelsregister is verwerkt.

- Op 1 april 1997 heeft verweerster naar het in het handelsregister opgenomen correspondentieadres van appellante een factuur verstuurd betreffende de door appellante voor 1997 te betalen handelsregisterbijdrage. Vervolgens heeft verweerster op 1 mei 1997 naar datzelfde correspondentieadres een betalingsherinnering verstuurd.

- Op 9 mei 1997 is in het handelsregister het faillissement van E Holding B.V., uitgesproken op 6 mei 1997, geregistreerd.

- Op 30 mei 1997 is in het handelsregister geregistreerd dat Stichting F per 29 mei 1997 is ontbonden.

- Op 7 mei 1998 heeft verweerster naar het in het handelsregister opgenomen correspondentieadres van appellante een factuur verstuurd betreffende de door appellante voor 1998 op grond van de Wet te betalen bijdrage. Vervolgens heeft verweerster op 29 juli 1998 naar datzelfde correspondentieadres een betalingsherinnering verstuurd.

- Verweerster heeft de vorderingen op appellante over 1997 en 1998 op 8 januari 1999 ter incasso overgedragen aan een incassobureau. Dit incassobureau heeft getracht appellante te benaderen op het in het handelsregister vermelde correspondentieadres, alsmede op het woonadres van de enig bestuurder van appellante.

- Op 19 februari 1999 heeft verweerster naar het in het handelsregister opgenomen correspondentieadres van appellante een factuur verstuurd betreffende de door appellante voor 1999 op grond van de Wet te betalen bijdrage. Vervolgens heeft verweerster op 2 juli 1999 naar datzelfde correspondentieadres een betalingsherinnering verstuurd.

- Op 13 maart 2000 heeft verweerster naar het in het handelsregister opgenomen correspondentieadres van appellante een factuur verstuurd betreffende de door appellante voor 2000 op grond van de Wet te betalen bijdrage.

- Op een het College onbekende datum heeft verweerster de op 13 maart 2000 aan het correspondentieadres van appellante verzonden factuur onbestelbaar retour ontvangen.

- Bij brief van 14 april 2000 heeft verweerster betalingsherinneringen betreffende de jaren 1997 tot en met 2000, alsmede een wijzigingsformulier handelsregister naar het woonadres van de enig bestuurder van appellante verzonden.

- Op 23 mei 2000 heeft verweerster de op 14 april 2000 verzonden facturen, alsmede het door de enig bestuurder van appellante ondertekende wijzigingsformulier handelsregister retour ontvangen. Op dit wijzigingsformulier heeft de enig bestuurder van appellante de volgende mededeling gedaan:

" Sedert circa 4 jaar is E B.V. failliet (u kunt dit nagaan in uw registratie). Sinds die tijd bestaat er geen A meer. Ik ben er van uitgegaan en ga er nog steeds van uit dat de curator voor uitschrijving heeft zorg gedragen!"

- Verweerster heeft voormelde reactie van de enig bestuurder van appellante als bezwaarschrift tegen de door appellante voor de jaren 1997 tot en met 2000 verschuldigde bijdragen aangemerkt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verweerster

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaarschrift van appellante

kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. In het verweerschrift van 18 september 2000 heeft verweerster deze niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift van appellante, voorzover te dezen relevant, als volgt nader gemotiveerd.

" (…)

Overschrijding termijn voor indienen bezwaarschrift

Uit artikel 6:4 AWB valt af te leiden dat het mogelijk is om bezwaar in te dienen tegen het besluit van de Kamer tot heffing van de jaarlijkse bijdrage. In de artikelen 6:7, 6:8 en 6:9 AWB is de termijn beschreven waarbinnen het bezwaar ingediend moet worden. De termijn die hieruit volgt is 6 weken gerekend vanaf de dag na die waarop het besluit bekend is gemaakt.

Het bezwaarschrift is door appellant niet binnen deze termijn ter post bezorgd en daarmee heeft de Kamer het niet-ontvankelijk verklaard.

De Stichting, (…), is tot op heden de jaarlijkse bijdrage voor 1997, 1998, 1999 en 2000 verschuldigd. Voor het jaar 1997 is op 1-4-1997 de factuur verstuurd. Vervolgens is de Stichting op 1-5-1997 aan deze verplichting herinnerd middels een betalingsverzoek (herinnering). Voor het jaar 1998 is op 7-5-1998 de factuur verstuurd en op 29-7-1998 een betalingsverzoek. Voor het jaar 1999 waren de data respectievelijk 19-2-1999 en 2-7-1999. Voor het jaar 2000 tenslotte is op 13-3-2000 de factuur verstuurd.

Alle hierboven vermelde facturen en betalingsverzoeken zijn, zoals te doen gebruikelijk, verstuurd naar in het handelsregister geregistreerde correspondentie-adres van de Stichting, te weten (…) te B. Dit adres is door de eerste en enige bestuurder van de Stichting, mevrouw D, aan het handelsregister ter registratie opgegeven op 21-1-1997. Hierna zijn geen wijzigingen ter registratie meer aan het handelsregister opgegeven.

Het stuk dat verweerster gemeend heeft te moeten aanmerken als bezwaarschrift is getekend 21-5-2000 en door verweerster ontvangen op

23-05-2000 (…). Gerekend vanaf de datum van de facturen voor 1997, 1998, 1999 en 2000 is het bezwaar daarmee niet tijdig ingediend.

Geen verschoonbare termijn overschrijding

Hoewel appellant geen beroep doet op een verschoonbare termijnoverschrijding ex artikel 6:11 AWB voert verweerster nu reeds aan dat naar de mening van verweerster hier ook geen sprake van is. Verweerster is van oordeel dat er niet redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest.

Verweerster voert hiertoe de volgende argumenten aan.

In artikel 10 Handelsregisterbesluit 1996 is neergelegd dat van een rechtspersoon waaraan geen onderneming toebehoort het adres dan wel correspondentieadres wordt ingeschreven. In artikel 16 lid 2 Handelsregisterwet 1996 staat verder dat van een stichting worden ingeschreven de persoonlijke gegevens van iedere bestuurder. Persoonlijke gegevens worden in artikel 1 lid d Handelsregisterbesluit 1996 nader gespecificeerd waarbij ook het woonadres van de bestuurder wordt genoemd.

Het is ingevolge artikel 8 jo artikel 5 Handelsregisterwet 1996 de verplichting van iedere bestuurder van een rechtspersoon de opgaven te doen die de Kamer nodig heeft om er voor te zorgen dat de gegevens te allen tijde juist en volledig in het handelsregister ingeschreven zijn.

De bestuurder van de Stichting, mevrouw D, heeft geen opgave gedaan van wijzigingen in de gegevens van de Stichting sinds 21-1-1997. De Stichting stond bijgevolg op het moment van versturen van de bovenvermelde facturen en betalingsverzoeken ongewijzigd in het handelsregister ingeschreven.

De facturen en betalingsverzoeken voor de jaarlijkse bijdrage zijn, uitgezonderd de factuur voor de jaarlijkse bijdrage van 2000, niet onbestelbaar retour gekomen zodat verweerster langs deze weg geen signalen ontvangen heeft dat het geregistreerde correspondentieadres mogelijk onjuist is.

Ook heeft de Kamer tot op heden geen opgaaf van een curator van een eventueel faillissement van de Stichting ontvangen. De Kamer wijst daarbij op het feit dat het faillissement van E Holding B.V. geenszins hoeft te betekenen dat ook de Stichting failliet is gegaan of anderszins heeft opgehouden te bestaan. Het betreft immers twee afzonderlijke rechtspersonen.

De mogelijke stelling van mevrouw D dat zij door het failliet gaan van E Holding B.V. in 1997 niet meer bevoegd is opgave van een wijziging in de gegevens van de Stcihting te doen is onjuist. Het faillissement van de B.V. raakt haar bevoegdheid en verplichting niet aangaande de Stichting. De verplichting van het bestuur van de Stichting tot het doen van opgave van de juiste adresgegevens dan wel tot het doen van opgave tot ontbinding is dus ongewijzigd.

Gezien het feit dat het bestuur van de Stichting verplicht is tot het doen van opgave van de juiste gegevens, het feit dat verweerster de facturen en betalingsherinneringen naar het door het bestuur ter registratie opgegeven adres heeft gestuurd, het feit dat deze, uitgezonderd de factuur voor de jaarlijkse bijdrage voor 2000, niet onbestelbaar retour zijn gekomen en gezien het feit dat appellant niet heeft aangetoond dat de Stichting failliet is verklaard heeft verweerster gemeend dat het niet tijdig ontvangen van de facturen voor rekening dient te komen van appellant, nu verweerster daarover niets te verwijten valt.

Derhalve zijn de vervaltermijnen voor het indienen van een bezwaarschrift op het besluit van verweerster tot heffing van de jaarlijkse bijdragen, dan wel op het niet uitschrijven van de Stichting, verstreken."

Ter zitting van het College heeft de gemachtigde van verweerster aangegeven dat de door appellante op grond van de Wet verschuldigde bijdrage voor 1997 inmiddels, na tussenkomst van een incassobureau, is betaald.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep, voorzover te dezen relevant, samengevat onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante is opgericht ten dienste van E (Holding) B.V. en was onlosmakelijk verbonden met die vennootschap. E (Holding) B.V. was een onderneming die zich bezighield met makelaarsactiviteiten en is in 1997 failliet verklaard. Zowel E (Holding) B.V. als appellante hebben gebruik gemaakt van hetzelfde correspondentie(postbus)adres. Na het faillissement van E (Holding) B.V. is de enig bestuurder van appellante niet meer bevoegd geweest om bedoelde postbus te openen en is de sleutel daarvan bij de curator ingeleverd. De bevoegdheid om deze postbus te openen kwam enkel de curator in het faillissement van E (Holding) B.V. toe. Gezien de onlosmakelijke verbondenheid tussen appellante en E (Holding) B.V. heeft de enig bestuurder van appellante ervan uit mogen gaan dat de curator in het faillissement van E (Holding) B.V. eveneens zou zorgdragen voor de uitschrijving van appellante uit het handelsregister van verweerster. Het kan appellante, dan wel haar enig bestuurder, derhalve niet worden verweten dat zij appellante niet uit het handelsregister heeft doen uitschrijven.

Appellante meent dat verweerster, gelet op het feit dat zij sinds 1997 geen betalingen meer van appellante had ontvangen, gehouden was nader onderzoek te doen naar de reden van non-betaling. In dat geval zou verweerster immers achter de oorzaak van de non-betaling zijn gekomen, te weten het faillissement van de onlosmakelijk aan appellante verbonden vennootschap E (Holding) B.V.

5. De beoordeling van het geschil

Het College merkt allereerst op dat het onderhavige beroepschrift is ingesteld en ondertekend door D te G, enig bestuurder van appellante. Het College is echter van oordeel dat dit beroep geacht moet worden door appellante te zijn ingesteld. Hiervoor is redengevend dat in casu slechts appellante bij het bestreden besluit als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden aangemerkt. De betalingsverplichting van de jaarlijkse bijdrage aan verweerster rust immers, ingevolge de toepasselijke wettelijke bepalingen, enkel op appellante en niet op haar enig bestuurder. Bovendien zijn de primaire besluiten van verweerster, te weten de facturen d.dis 1 april 1997, 7 mei 1998, 19 februari 1999 en

13 maart 2000, op naam van appellante gesteld en niet op naam van haar enig bestuurder.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerster het bezwaarschrift van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het College beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge het bepaalde bij artikel 6:7, juncto 6:8, eerste lid, van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken en vangt deze aan met ingang van de dag na die waarop een besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Gelet op de aard en strekking van de opmerkingen die de enig bestuurder van appellante heeft vermeld op het aan verweerster toegezonden wijzigingsformulier registratie handelsregister - welk formulier op 23 mei 2001 door verweerster is ontvangen - heeft verweerster dit wijzigingsformulier kunnen aanmerken als bezwaarschrift tegen de besluiten van verweerster van 1 april 1997, 7 mei 1998, 19 februari 1999 en 13 maart 2000. Appellante heeft evenwel bedoeld bezwaarschrift tegen de hierboven geduide besluiten van verweerster niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na de dag van bekendmaking van de respectievelijke besluiten ingediend.

Voor deze termijnoverschrijding heeft appellante geen verschoonbare reden gegeven. Appellante heeft weliswaar betoogd dat zowel E (Holding) B.V. als appellante gebruik hebben gemaakt van hetzelfde correspondentie(postbus)adres, dat appellante's enig bestuurder na het faillissement van E (Holding) B.V. de sleutels van deze postbus bij de curator in het faillissement van E (Holding) B.V. heeft ingeleverd en dat zij ervan uit heeft mogen gaan dat deze curator eveneens zou hebben zorg gedragen voor de uitschrijving van appellante uit het handelsregister, doch dit maakt het vorenstaande niet anders. Daarbij is van belang dat uit het bepaalde bij artikel 8 van de Handelsregisterwet 1996 juncto artikel 16 van het Handelsregisterbesluit 1996 volgt dat de bestuurder van appellante te allen tijde verantwoordelijk is voor een juiste vermelding van de (correspondentie) gegevens van appellante in het handelsregister van verweerster. Nu de enig bestuurder van appellante na het faillissement van E (Holding) B.V. kennelijk geen toegang meer had tot het opgegeven correspondentie(postbus)adres, had het op de weg van de enig bestuurder gelegen bij verweerster een ander correspondentieadres van appellante te doen registreren. Nu de enig bestuurder van appellante dit heeft nagelaten, dienen de gevolgen daarvan in casu in redelijkheid voor rekening en risico van appellante te komen. Voor een onderzoeksplicht van verweerster als door appellante omschreven, ziet het College geen plaats.

Nu van een verschoonbaar te laat indienen van het bezwaarschrift derhalve geen sprake is, was verweerster gehouden het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk te verklaren.

Het beroep moet dan ook ongegrond worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters in tegenwoordigheid van mr drs M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2001.

w.g. C.M. Wolters w.g. M.S. Hoppener