Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB3055

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-07-2001
Datum publicatie
03-08-2001
Zaaknummer
AWB 00/594
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Handelsregisterwet 1996 32
Handelsregisterwet 1996 33
Handelsregisterwet 1996 34
Handelsregisterwet 1996 35
Handelsregisterwet 1996 36
Handelsregisterwet 1996 37
Handelsregisterwet 1996 38
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 00/594 3 juli 2001

24030

Uitspraak in de zaak van:

de Coöperatieve Vereniging Technical Inspection Services U.A., te Rotterdam, appellante,

tegen

de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, verweerster,

gemachtigden: C.P.C. Eckhardt en mr L. Oudkerk Pool.

1. De procedure

Op 14 juli 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerster van 6 juni 2000.

Bij dit besluit heeft verweerster beslist op het bezwaar van appellante tegen de haar voor 2000 opgelegde bijdrage op grond van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 (hierna: de Wet).

Op 19 oktober 2000 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 8 mei 2001 heeft appellante een nadere toelichting toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2001, alwaar verweerster haar standpunt bij monde van haar gemachtigden nader heeft toegelicht. Appellante heeft zich niet ter zitting doen vertegenwoordigen.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Blijkens gegevens uit het handelsregister van verweerster is appellante een coöperatie u.a. met drie bestuursleden en zonder werkzame personen, waarvan de bedrijfsomschrijving luidt:

" Het verlenen van diensten op het gebied van integrale kwaliteitszorg en het verrichten van kwaliteitsinspecties en voortgangcontrole's bij de fabricage van technische apparatuur en produkten, alsmede van gebruiks- en verbruiksartikelen."

- In vorenvermeld handelsregister zijn eveneens gegevens opgenomen van Houber Inc., een buitenlandse vennootschap gevestigd te Dover, Delaware

(Verenigde Staten), welke vennootschap aldaar onder nummer 15537 staat ingeschreven bij de Office of Secretary of State. Als doelomschrijving van deze vennootschap is weergegeven de deelname aan rechtsgeldige handelingen en activiteiten die onder de algemene wet op de ondernemingen in de staat Delaware zijn toegestaan.

Tot de rechtspersoon Houber Inc. behoort een onderneming met de handelsnaam Technical Inspection Services International (T.I.S. International), met één bestuurslid en één medewerker. De bedrijfsomschrijving van T.I.S. International luidt:

" Verrichten van diensten op het gebied van kwaliteitszorg en -inspecties."

- Bij brief van 10 april 2000 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van

24 maart 2000, waarbij de door appellante krachtens de Wet aan verweerster verschuldigde bijdrage voor 2000 is vastgesteld op grond van indeling van appellante in groep 5.

- Bij het bestreden besluit van 6 juni 2000 is op dit bezwaar beslist.

- Bij brief van 19 juni 2000 heeft appellante verweerster verzocht het bestreden besluit te herzien.

- Bij brief van 29 juni 2000 heeft verweerster appellante medegedeeld geen aanleiding te zien haar in het bestreden besluit weergegeven standpunt te herzien.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerster

Samengevat luidt het standpunt van verweerster - zoals dat is verwoord in het bestreden besluit en in het verweerschrift - als volgt.

Uit de beschikking van de Hoge Raad van 13 januari 1966 inzake de coöperatieve flatexploitatievereniging Mariahoeve (NJ 1996, 189) en het arrest van de Hoge Raad van

22 december 1989 inzake Hirschmann (NJ 1990, 433) volgt dat een coöperatie in beginsel geacht wordt altijd een (in het handelsregister inschrijfplichtige) onderneming te drijven. Dit is slechts anders wanneer er geen activa (meer) zijn en er geen activiteiten (meer) worden ontplooid. In dat geval is sprake van een 'lege rechtspersoon'. Het voeren van bestuur of beheer van vermogen wordt als het uitoefenen van een onderneming beschouwd.

In aanmerking genomen de rechtsvorm van appellante en het aantal aldaar werkzame personen, alsmede de in het handelsregister van verweerster opgenomen bedrijfsomschrijving van appellante, beschouwt verweerster appellante niet als een 'lege rechtspersoon', maar als een onderneming in de zin van de Handelsregisterwet 1996. De omstandigheid dat appellante door de belastingdienst als een fiscale eenheid met Houber Inc. wordt aangemerkt, maakt het vorenstaande niet anders, omdat voor de onderhavige heffing niet de fiscale wetgeving bepalend is, maar of een onderneming in het handelsregister staat ingeschreven.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante is een zogenaamde 'lege rechtspersoon' en kan daarom niet worden aangemerkt als een onderneming in de zin van de Handelsregisterwet 1996. Alle activa en activiteiten van appellante zijn ingebracht in Houber Inc., een vennootschap die is gevestigd naar het recht van de staat Delaware in de Verenigde Staten. Door de belastingdienst wordt appellante als een fiscale eenheid met Houber Inc. aangemerkt. Houber Inc. heeft de door haar krachtens de Wet verschuldigde bijdrage voor 2000 aan verweerster voldaan.

Appellante is derhalve door verweerster ten onrechte ingedeeld in groep 5 van de bijdragenschaal en had moeten worden ingedeeld in groep 14.

5. De beoordeling van het geschil

Appellante heeft de stelling ingenomen dat zij geen onderneming is in de zin van de Handelsregisterwet 1996 en zij derhalve ten onrechte is ingedeeld in groep 5 van de bijdragenschaal. Het College volgt appellante niet in haar betoog en overweegt daartoe als volgt.

Ter financiering van de activiteiten van een kamer van koophandel en fabrieken heeft de wetgever het profijtbeginsel als uitgangspunt gekozen. De kamer is krachtens de

artikelen 34, 36 en 38 van de Wet bevoegd tot het vaststellen van retributies voor de in die artikelen omschreven taken en bevoegd tot het vaststellen van heffingen verschuldigd door ondernemingen als bedoeld in artikel 3 van de Handelsregisterwet 1996, voor te maken kosten van wetsuitvoering (artikel 32), van de loketfunctie en de activiteiten op het gebied van de handels- en bedrijfsvoorlichting (artikel 35) en van beleidsadvisering en de regionale stimulering (artikel 37). Voorts heeft de wetgever de administratieve lasten en kosten van de kamers voor het vaststellen van de bedragen die ondernemingen en rechtspersonen verschuldigd zijn, willen terugbrengen (TK 1996/97, nr. 3, MvT, p. 8 e.v.).

Ingevolge artikel 33 van de Wet zijn rechtspersonen waaraan geen onderneming (meer) toebehoort alleen een bijdrage verschuldigd voor de kosten van inschrijving in het handelsregister.

Bij het krachtens de artikelen 32, vierde lid en 37, tweede lid, van de Wet vastgestelde Besluit heffingen (Besluit heffingen kamers van koophandel en fabrieken van

24 december 1997, Stb. 786) zijn alle ondernemingen, verenigingen en stichtingen die staan ingeschreven in het handelsregister, ingedeeld in 14 groepen op basis van rechtsvorm en de grootte van de onderneming. De nota van toelichting bij dit Besluit vermeldt dat de groepsindeling de verhouding weerspiegelt van het verschil in door een kamer met betrekking tot de taken genoemd in artikel 32 en 37 van de Wet gemaakte kosten voor de onderscheiden categorieën van ondernemingen.

De totstandkomingsgeschiedenis van de Wet en van de Handelsregisterwet 1996, zoals die is te vinden in de parlementaire stukken, biedt geen enkel aanknopingspunt voor een andere uitleg van het in die wetten gebruikte begrip onderneming dan is gegeven in de jurisprudentie die is gewezen onder de op 1 oktober 1997 ingetrokken oude Handelsregisterwet. Onder deze jurisprudentie zijn eveneens begrepen de beschikking van de Hoge Raad van 13 januari 1966 inzake de coöperatieve flatexploitatievereniging Mariahoeve (NJ 1996, 189) en het arrest van de Hoge Raad van 22 december 1989 inzake Hirschmann (NJ 1990, 433). Een andere en meer op de specifieke situatie van een rechtspersoon betrokken uitleg van het begrip onderneming, is uitvoeringstechnisch bewerkelijk en strookt in beginsel niet met de bedoeling van de wetgever om met de Wet onder meer de door verweerster te maken kosten voor het vaststellen van de verschuldigde wettelijke bijdragen te beperken.

Verweerster heeft op goede grond beslist dat appellante als coöperatie ingedeeld moet worden in groep 5 en de daarvoor vastgestelde bijdrage verschuldigd is. De omstandigheid dat appellante door de fiscale autoriteiten wordt beschouwd als een fiscale eenheid met Houber Inc., leidt niet tot een ander oordeel. Met verweerster is het College van oordeel dat voor de vaststelling van de door appellante te betalen heffing niet de fiscale wetgeving, maar of een onderneming in het handelsregister staat ingeschreven bepalend is.

Aangezien ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit onrechtmatig is, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, in tegenwoordigheid van mr drs M.S. Hoppener,

als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2001.

w.g. C.M. Wolters w.g. M.S. Hoppener