Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB3014

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-07-2001
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
AWB 99/389
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/389 18 juli 2001

7200

Uitspraak in de zaak van:

A, vennootschap naar Hongaars recht, gevestigd te B, appellante,

gemachtigde: mr drs H.A. Pasveer, advocaat te Rosmalen,

tegen

het Productschap Vee en Vlees, verweerder,

gemachtigde: mr M.R. Bierling, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 20 april 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 april 1999.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de weigering haar als exporteur en als gerechtigde op exportrestitutie aan te merken.

Op 10 mei 1999 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft op 16 juni 1999 een verweerschrift ingediend.

Op 9 mei 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In Verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (Pb. 1968,

nr. L 148) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 18

1. In de mate nodig om de uitvoer van de in artikel 1 genoemde produkten op basis van de noteringen of de prijzen van deze produkten op de wereldmarkt mogelijk te maken, kan het verschil tussen deze noteringen of prijzen en de prijzen van de Gemeenschap overbrugd worden door een restitutie bij de uitvoer.

2. De restitutie is gelijk voor de gehele Gemeenschap. Zij kan verschillen naargelang van de bestemming.

De vastgestelde restitutie wordt toegekend op verzoek van de belanghebbende.

(…)."

In Verordening (EG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (Pb. 1987, nr. L 351) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 2 bis

Behalve voor de uitvoer van landbouwproducten in de vorm van goederen die niet onder bijlage II van het Verdrag vallen, en de uitvoer in verband met voedselhulptransacties in de zin van artikel 10, lid 4, van de Overeenkomst inzake de landbouw in het kader van de Uruguay-Ronde, ontstaat het recht op restitutie pas na overlegging van een uitvoercertificaat waarin de restitutie vooraf is vastgesteld.

(…)

Artikel 22

1. Zodra de aangifte ten uitvoer is aanvaard, schieten de Lid-Staten op verzoek van de exporteur het restitutiebedrag geheel of gedeeltelijk voor, op voorwaarde dat een zekerheid wordt gesteld die gelijk is aan het bedrag van het voorschot, verhoogd met 15 %.

(…)

Artikel 25

1. Indien de exporteur zijn voornemen te kennen geeft de produkten of goederen na verwerking of opslag uit te voeren met toekenning van een restitutie op grond van de in de artikelen 4 of 5 van Verordening (EEG) nr. 565/80 vastgestelde regelingen, worden die regelingen toegepast op voorwaarde dat bij de douaneautoriteiten een verklaring, hierna betalingsaangifte te noemen, wordt ingediend.

De Lid-Staten kunnen deze aangifte anders noemen.

(…)"

In Verordening (EG) nr. 3719/88 van de Commissie van 16 november 1988 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwprodukten (Pb. 1988, nr. L 331) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 8

1. Het invoercertificaat, onderscheidenlijk het uitvoercertificaat, brengt het recht en de verplichting mede om op grond van het certificaat de opgegeven hoeveelheid van het betrokken produkt, behoudens overmacht, tijdens de geldigheidsduur van het certificaat in te voeren, onderscheidenlijk uit te voeren, waarbij vaststelling vooraf van de heffing of restitutie, van het monetaire compenserende bedrag en van het compenserende bedrag toetreding, al naar gelang van het geval, onder de in de regeling voor de betrokken sector vervatte voorwaarden geschiedt of kan geschieden.

(…)

Artikel 9

1. De uit de certificaten voortvloeiende verplichtingen zijn niet overdraagbaar. De uit de certificaten voortvloeiende rechten kunnen door diegene op wiens naam het certificaat staat, hierna de "titularis'' te noemen, gedurende de geldigheidsduur van dat certificaat worden overgedragen. Deze overdracht, die slechts ten gunste van één enkele cessionaris per certificaat en per uittreksel mag geschieden, heeft betrekking op de nog niet op het certificaat of uittreksel afgeschreven hoeveelheden.

2. Indien door de titularis om overdracht van het certificaat wordt verzocht, worden door de instantie van afgifte, onderscheidenlijk door de door elke Lid-Staat aangewezen instantie of door één van de aldus aangegeven instanties, in het certificaat of, in voorkomend geval, in het uittreksel ervan de volgende vermeldingen opgenomen:

- naam en adres van de cessionaris;

- de datum waarop bovenstaande vermelding geschiedt, gewaarmerkt door plaatsing van het stempel van de instantie die de vermelding aanbrengt.

3. De overdracht wordt van kracht met ingang van de datum van de vermelding.

4. De cessionaris mag zijn recht overdragen noch retrocederen."

In de In- en uitvoerbeschikking Landbouwgoederen 1981 is - ten tijde hier van belang - het navolgende bepaald:

" Artikel 21

Bij de toepassing van paragraaf 2 van Hoofdstuk V wordt:

a. op de aangifte tot plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots als bedoeld in artikel 530, eerste lid, van verordening (EEG) nr. 2454/93, vermeld dat vooruitbetaling van restitutie wordt verzocht;

b. het exemplaar nr. 0 van de aangifte als bedoeld onder a terstond na de aanvaarding van de aangifte door de Belastingdienst aan het betreffende produktschap toegezonden;

c. in het geval entreposering heeft plaatsgevonden, op het formulier L, bedoeld in artikel 39 van de Douaneregeling, vermeld dat vooruitbetaling van restitutie heeft plaatsgevonden, zulks met verwijzing naar de aangifte als bedoeld

onder a;

d. in het geval onder douanecontrole is geplaatst, op het formulier L, bedoeld in artikel 39 van de Douaneregeling, vermeld dat vooruitbetaling van restitutie heeft plaatsgevonden, zulks met verwijzing naar datum en nummer van het bij de ondercontrolestelling overgelegde aanmeldingsformulier als bedoeld in artikel 32.

Artikel 80

1. Behoudens het bepaalde in paragraaf 2 van dit hoofdstuk heeft aanspraak op restitutie degene die op het formulier L, bedoeld in artikel 39 van de Douaneregeling, als exporteur is aangeduid.

(…)

Artikel 86

1. Voor de goederen, voor welke de uitvoeringsbepalingen dit toestaan, kan de restitutie met inachtneming van hetgeen in die bepalingen is voorgeschreven op verzoek van de belanghebbende worden vooruitbetaald na entreposering van de goederen hier te lande, of in een andere lidstaat.

2. Vooruitbetaling van de restitutie vindt slechts plaats indien de belanghebbende zich tegenover het produktschap heeft verbonden tot:

a. nakoming van de verplichtingen bedoeld in artikel 91;

b. indien en voor zover niet aan het onder a gestelde is voldaan, terugbetaling aan het produktschap van de alsdan ten onrechte verkregen restitutie, alsmede in dat geval betaling als boete aan het produktschap van het bedrag dat overeenkomt met het in de uitvoeringsbepalingen voorgeschreven percentage, waarmee de gestelde zekerheid de verleende restitutie te boven gaat.

Door de vooruitbetaling van de restitutie wordt het produktschap geacht deze verbintenis te hebben aanvaard.

3. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder entreposering verstaan:

a. Indien deze plaatsvindt hier te lande: voorlopige opslag zonodig gevolgd door tijdelijke opslag in een inrichting voor douane-opslag en opslag in een douane-entrepot;

b. indien deze plaatsvindt in een andere lidstaat: opslag in een inrichting die volgens de ter zake geldende communautaire bepalingen als entrepot of vrije zone wordt aangemerkt.

Artikel 91

De indiening van de aangifte als bedoeld in artikel 21, onder a, door middel waarvan het verzoek wordt gedaan tot vooruitbetaling van de restitutie wegens entreposering, brengt voor degene die daarin als exporteur is aangeduid de

verplichting mede om de voor uitvoer aangegeven goederen in ongewijzigde staat, als bedoeld in de uitvoeringsbepalingen, en binnen de daarin vastgestelde termijnen:

- het grondgebied van de Gemeenschap te doen verlaten of binnen de Gemeenschap een bijzondere bestemming als bedoeld in artikel 79 te doen bereiken en

- van een en ander op de voorgeschreven wijze te doen blijken."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In de maanden januari, februari en maart 1997 heeft C partijen rundvlees ingeslagen in douane-entrepot onder de regeling préfinanciering respectievelijk ten uitvoer aangegeven.

- Op de hierop betrekking hebbende formulieren staat in het vak "Afzender/Exporteur" telkens de naam: "C".

- De uitvoercertificaten die bij de betrokken aangiften met de formulieren L en COM 7 zijn gebruikt, staan op naam van C en zijn niet op enig moment aan een derde gecedeerd.

- Verweerder heeft in februari, maart en april 1997 ter zake van deze partijen restitutie betaald aan C onder dekking van door C gestelde bankgaranties.

- Op 30 juni 1997 is C in staat van faillissement verklaard.

- Bij brief van 16 februari 1998 heeft appellante verweerder verzocht de restitutie ter zake van negen partijen rundvlees waarvoor C niet aan alle formaliteiten zou hebben voldaan, aan haar uit te betalen.

- Bij brief van 4 maart 1998 heeft verweerder appellante medegedeeld dat zij niet als exporteur op de formulieren L vermeld staat en dat, indien aan alle voorwaarden is voldaan, slechts restitutie betaald kan worden aan degene die daarop wel als exporteur staat vermeld, namelijk (de curator van) C.

- Tegen het in deze brief vervatte besluit heeft appellante bij brief van 14 april 1998 een bezwaarschrift ingediend.

- Verweerder heeft de door C verstrekte bankgaranties met betrekking tot de onderhavige negen partijen rundvlees vrijgegeven.

- Bij brief van 12 oktober 1998 heeft appellante zich tot de president van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot schorsing van voormeld besluit van 4 maart 1998 en te bepalen dat verweerder aan appellante een voorschot op de gevorderde restituties zal betalen groot fl. 225.485,09.

- Bij uitspraak van 3 december 1998 heeft de president van het College voornoemd verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - samengevat en voorzover hier van belang - het volgende in.

Exporteur is hij die zich als zodanig presenteert en de uit hoofde daarvan ontstane verplichtingen ten opzichte van het productschap op zich neemt. In de voorschotregeling kan op grond van artikel 80 van de In- en uitvoerbeschikking Landbouwgoederen 1981 uitsluitend degene die op het formulier L als exporteur is aangeduid, als zodanig worden gezien. Voor de regeling préfinanciering is dit op grond van artikel 86 jo. artikel 91 van de In- en uitvoerbeschikking Landbouwgoederen 1981 degene die op het formulier COM 7 is genoemd. De regelgeving biedt geen beleidsvrijheid of mogelijkheid om hiervan af te wijken.

Verder is appellante niet gerechtigd tot een uitvoercertificaat als bedoeld in artikel 2 bis van Verordening (EG) nr. 3665/87 en ontstaat voor haar dus ook op die grond geen recht op restitutie.

Het argument dat het feitelijke uitvoeren van doorslaggevende betekenis zou zijn om aangemerkt te kunnen worden als exporteur in de zin van Verordening (EG) nr. 3665/87 overtuigt niet. De praktijk kent oneindig veel verschillende vormen waarin producten worden verhandeld. Is de eigenaar van de goederen dan de exporteur, of de vervoerder, of degene die de contacten heeft met de afnemer in de derde landen, of wellicht nog een derde die de douane-technische kant van de zaak regelt, of is het degene die uiteindelijk het grootste financiële belang heeft?

Voorzover C als lasthebber van appellante is opgetreden, is zulks bij het aanvragen van de onderhavige restituties nimmer aan het productschap kenbaar gemaakt. Artikel 3:67 BW vermeldt dat degene die een overeenkomst aangaat in naam van een volmachtgever, binnen een redelijke termijn de naam van de volmachtgever dient te noemen. Indien deze niet wordt genoemd, wordt de gevolmachtigde geacht de overeenkomst namens zichzelf te zijn aangegaan. Verder is het productschap, los van de vraag of daar in de onderhavige aangelegenheid consequenties aan zouden kunnen worden verbonden, niets gebleken van het bestaan van een lastgeving.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat en voorzover hier van belang - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

In de artikelen 22 en 25 van Verordening (EG) nr. 3665/87 wordt bepaald dat de exporteur rechthebbende is op de restitutie, waarbij exporteur een feitelijk begrip is. De ladingen vlees in het onderhavige geval werden door appellante gekocht van C en reeds in Nederland aan appellante geleverd. Vervolgens werden deze zendingen in opdracht van en voor rekening en risico van appellante naar voornamelijk Rusland vervoerd.

Het enkele feit dat C op de formulieren L en COM 7 staat vermeld als exporteur is onvoldoende om C aan te merken als rechthebbende op de restitutie, waarbij in het geval de In- en uitvoerbeschikking Landbouwgoederen 1981 anders zou bepalen deze bepaling in zoverre in strijd is met (onder meer) Verordening (EG) nr. 3665/87.

Op zichzelf is juist dat C op de onderhavige formulieren L en COM 7 staat vermeld, doch C heeft deze formulieren slechts om praktische redenen ingevuld. Deze handelwijze kan in het licht van wat feitelijk geschiedde niet anders worden geduid dan als lastgeving welke berustte op een mondelinge overeenkomst. Met het faillissement van C is deze lastgeving beëindigd, op welk moment appellante haar aanspraak op de restituties aan verweerder kenbaar heeft gemaakt.

Nu appellante steeds als feitelijk exporteur van de betrokken goederen is opgetreden, zijn de onderhavige formulieren L en COM 7 door C, in strijd met artikel 39 van de Douaneregeling, niet naar waarheid ingevuld en had op basis van deze formulieren geen restitutie aan C mogen worden toegekend.

5. De beoordeling van het geschil

De vraag naar de rechtmatigheid van het bestreden besluit dient te worden beoordeeld op grond van het - ten tijde hier van belang - bepaalde in Verordening (EG) nr. 3665/87 en Verordening (EG) nr. 3719/88, alsmede de In- en uitvoerbeschikking Landbouwgoederen 1981.

In geding is of verweerder met betrekking tot de onderhavige aanvragen om restitutie appellante had moeten aanmerken als de exporteur in de zin van de artikelen 22 en 25 van Verordening (EG) nr. 3665/87 en daarmee als rechthebbende op de aangevraagde restitutie.

Appellante stelt dat dit het geval is, nu zij voor eigen rekening en risico de feitelijke uitvoer heeft verzorgd van de betrokken partijen rundvlees en zij zich als exporteur aan verweerder bekend had gemaakt bij brief van 16 februari 1998, zijnde een tijdstip waarop op de onderhavige aanvragen om restitutie niet definitief was beslist.

Het College overweegt hieromtrent als volgt.

De formulieren L en COM 7 waarop het onderhavige beroep betrekking heeft vermelden als afzender/exporteur "C" en als aangever/vertegenwoordiger "D" te E. Blijkens ondertekening van de aangifte handelde laatstgenoemde namens C. Op geen enkele wijze maken de formulieren melding van appellante. De formulieren L en COM 7 bevatten tevens de aanvrage van restitutie en de aanvraag voor een voorschotverlening hierop. Naar het oordeel van het College zijn de aldus ingevulde formulieren niet anders op te vatten dan als stukken waarin C (door tussenkomst van zijn lasthebber E) in verband met de exporten waarvan aangifte wordt gedaan uitvoerrestitutie aanvraagt.

Dit betekent dat C - als enige bij verweerder in dit verband bekende (rechts)persoon - door verweerder kan worden aangesproken op naleving van de communautair ter verkrijging van de desbetreffende restitutie geldende voorschriften en dat C - mits wordt voldaan aan de eisen - de aanspraken op restitutie kan maken die deze voorschriften aan de exporteur verschaffen.

Dat het slechts C is die als exporteur in de zin van de artikelen 22 en 25 van Verordening (EEG) nr. 3665/87 dient te worden beschouwd aan wie (voorschotten op) de restitutie kan worden uitbetaald, blijkt ook uit het feit dat het uitvoercertificaat, waarvan de restitutie in artikel 2 bis van deze verordening afhankelijk is gesteld, op naam van C is gesteld.

Het voorgaande brengt naar het oordeel van het College mee dat verweerder niet gehouden is om de door middel van genoemde formulieren gevraagde restituties, ongeveer een jaar na de desbetreffende aangiften, uit te betalen aan een derde, die - zonder hiertoe uitdrukkelijk door de aanvrager (of, ingeval van faillissement, de curator) gesteund te worden - verklaart feitelijk zorg te hebben gedragen voor voldoening aan de desbetreffende exportverplichtingen.

Het beroep dient, gelet op het vorenoverwogene, ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, mr M.J. Kuiper en mr C.J. Borman in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2001.

w.g. H.G. Lubberdink w.g. R.P.H. Rozenbrand