Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB3008

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-07-2001
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
AWB 00/27
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Regeling dierlijke EG-premies 2.3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/235 met annotatie van R.J.N. S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/27 18 juli 2001

5125

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: mr W. Frankema, werkzaam bij AVM Belastingadviseurs, te Leeuwarden,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 12 januari 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 december 1999. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de beslissing op haar aanvraag voor een bijdrage voor zoogkoeien (verkoopseizoen 1999) op grond van de Regeling dierlijke EG- premies (hierna: de Regeling).

Bij besluit van 19 april 2000 heeft verweerder na heroverweging opnieuw op het bezwaar beslist. Naar aanleiding van deze nieuwe beslissing is op 10 mei 2000 ter griffie een reactie van appellante ontvangen.

Op 23 mei 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 13 juni 2000 heeft appellante gerepliceerd.

Verweerder heeft op 29 juni 2000 laten weten af te zien van dupliek.

Bij besluit van 27 november 2000 heeft verweerder nogmaals een herziene beslissing op bezwaar genomen. Naar aanleiding hiervan heeft appellante gereageerd bij brief van 4 januari 2001.

Op 18 januari 2001 heeft verweerder een eindbeoordeling gegeven op de aanvraag van appellante voor zoogkoeienpremie. Hierop is door appellante gereageerd bij brief van

27 februari 2001.

Op 6 juni 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellante is daar, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen. Verweerder heeft daar zijn standpunt bij monde van zijn gemachtigde toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Regeling strekt onder meer tot uitvoering van Verordening (EEG) no. 805/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, en de ter uitvoering hiervan vastgestelde Raads- en Commissieverordeningen.

Ingevolge artikel 2.3 van de Regeling kan, voorzover hier van belang, aan producenten die op hun bedrijf zoogkoeien houden onder nader in dit artikel genoemde omstandigheden en voorwaarden op hun verzoek jaarlijks na afloop van het betrokken verkoopseizoen een premie worden verleend.

De premie voor runderen wordt begrensd door het voor het bedrijf van de producent geldende veebezettingsgetal, dat onder meer wordt bepaald door het door het bedrijf in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen opgegeven voederareaal.

De berekening van het veebezettingsgetal geschiedt overeenkomstig artikel 42 van Verordening (EEG) nr. 3886/92. Het derde en vierde lid van dit artikel luiden:

" 3. Voor het bepalen van het veebezettingsgetal:

a) wordt rekening gehouden met de individuele referentiehoeveelheid voor melk die aan de producent is toegewezen aan het begin van de twaalfmaandelijkse periode van toepassing van de regeling inzake de extra heffing die in het betrokken kalenderjaar begint,

b) wordt het aantal melkkoeien dat nodig is voor de produktie van de bedoelde referentiehoeveelheid berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 25 van deze verordening.

4. Voor het bepalen van het aantal dieren waarvoor een premie kan worden toegekend:

a) wordt het overeenkomstig de voorschriften in het kader van het geïntegreerde systeem bepaalde aantal hectare vermeningvuldigd met het veebezettingsgetal dat geldt in het betrokken kalenderjaar

b) wordt van het daarbij verkregen cijfer het aantal GVE afgetrokken dat overeenkomt met het aantal melkkoeien dat nodig is om de aan de producent toegewezen referentiehoeveelheid melk te produceren

c) en wordt van de uitkomst van deze berekening het aantal GVE afgetrokken dat overeenkomt met het aantal schapen en/of geiten waarvoor een premieaanvraag wordt ingediend.

Voor de toepassing van de in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2328/91 van de Raad (1) opgenomen omrekeningstabel worden melkkoeien gerekend voor 1,0 GVE. Het eindresultaat van deze berekeningen is het maximumaantal GVE waarvoor de speciale premie en de zoogkoeienpremie kunnen worden toegekend."

Ingevolge genoemde bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2328/91geldt dat een koe van meer dan twee jaar gelijk staat aan 1 GVE.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak, voorzover thans nog van belang de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij een op 25 augustus 1999 door verweerder ontvangen aanvraagformulier heeft appellante voor 133 zoogkoeien premie aangevraagd.

- Het Productschap Zuivel heeft op 9 juli 1999 een beschikking registratie fabrieksquotum afgegeven, voorzover hier van belang luidend als volgt:

" Uw fabrieksquotum voor de heffingsperiode 1999/2000 is als volgt geregistreerd. Zie ook de bijgesloten toelichting die een geheel vormt met deze beschikking.

Melk Vet

Laatst geregistreerde referentiequotum 140.579 kg 4,21 %

- Permanente wijzigingen:

Uw meldingsformulier inzake de overgang - 23.400 kg 4,21 %

van fabrieks- en/of consumentenquotum

i.v.m. de overdracht van grond, niet zijnde

een geheel bedrijf. Formuliernummer: GT

109569 Datum overdracht: 30-03-1999

----------------

Referentiequotum 117.179 kg 4,21 %

- Leasing:

n.v.t.

-----------------

Gebruiksquotum 1999/2000 117.179 kg 4,21 %

= = = = = = =

Toedeling aan kopers

Referentiequotum Gebruiksquotum

Friesland Coberco Dairy 117.179 kg 117.179 kg"

Foods B.V.

- Het in deze beschikking genoemde meldingsformulier had betrekking op een pachtovereenkomst ter zake van 1.17 ha los land voor de duur van 13 maanden tussen appellante als verpachter en D te E als pachter. Bij de pachtovereenkomst heeft appellante een referentiehoeveelheid van 23.400 kg melk overgedragen aan pachter D. De pachtovereenkomst is op 29 maart 1999 door partijen getekend en heeft als ingangsdatum 30 maart 1999. De Grondkamer heeft de pachtovereenkomst, blijkens een daarop geplaatst stempel, op 2 april 1999 ter goedkeuring ontvangen en op 7 juni 1999 goedgekeurd.

- Verweerder heeft de aanvraag van appellante aanvankelijk afgewezen. Nadat appellante hiertegen bezwaar had gemaakt, zijn de bezwaren bij het bestreden besluit van 27 november 2000 uiteindelijk gedeeltelijk gegrond bevonden en is vervolgens bij besluit van 18 januari 2001 voor 129.49 zoogkoeien een premie ten bedrage van fl. 41.348,75 toegekend. Hierbij is verweerder er vanuit gegaan dat op appellantes naam een referentiehoeveelheid van 140.579 kg melk geregistreerd stond waarmee 22.67 GVE werden benut.

- Bij schrijven van 27 februari 2001 heeft appellante het College medegedeeld het beroep niet te willen intrekken, omdat verweerder zich ten onrechte op het standpunt blijft stellen dat het aantal benutte GVE 22,67 in plaats van 18,90 GVE - dat correspondeert met een melkquotum van 117.179 kg - bedraagt.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit, zoals dat na de heroverweging van 27 november 2000 is komen te luiden, heeft verweerder zijn standpunt dat appellante op 1 april 1999 de beschikking had over een quotum van 140.579 kg gehandhaafd. Hij heeft in dit verband het volgende naar voren gebracht.

Met betrekking tot de door appellante op 30 maart 1999 gesloten pachtovereenkomst, waarbij een referentiehoeveelheid van 23.400 kg melk werd overgedragen, merkt verweerder op dat hij een beleid voert inhoudende dat bij overdracht van quotum met verpachting van grond voor de datum van overdracht van het quotum bepalend is de datum van goedkeuring van het pachtcontract door de Grondkamer.

Indien het pachtcontract echter vóór 1 april ter goedkeuring aan de Grondkamer is voorgelegd, maar eerst na 1 april wordt goedgekeurd, dan vereist een redelijke uitleg dat moet worden uitgegaan van een gewijzigd quotum vóór 1 april in die gevallen dat de ingangsdatum en de ondertekeningsdatum van de pachtovereenkomst voor 1 april ligt. Dit onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat het pachtcontract uiteindelijk wordt goedgekeurd en de COS de quotumoverdracht erkent.

In de eerste beslissing op bezwaar is verweerder ervan uitgegaan dat als tijdstip van voorleggen van het pactcontract aan de Grondkamer heeft te gelden het tijdstip van ontvangst van het pachtcontract door de Grondkamer.

Bij de herziene beslissing op bezwaar van 19 april 2000 die uitdrukkelijk is geïncorporeerd in de uiteindelijke beslissing op bezwaar van 27 november 2000, is verweerder teruggekomen van het standpunt dat bij de bepaling van de datum van het aanbieden van pachtcontracten aan de Grondkamer dient te worden uitgegaan van de ontvangsttheorie. Verweerder stelt zich thans op het standpunt dat voor de bepaling van het tijdstip van de aanbieding van de overeenkomst de verzendtheorie moet worden gehanteerd.

Met betrekking tot de vraag of het pachtcontract vóór 1 april 1999 is verzonden, wordt in de herziene beslissing van 19 april 2000 het volgende overwogen:

" Van middels de PTT-post verzonden stukken welke op 1 april zijn ontvangen kan het aannemelijk worden geacht dat deze voor 1 april zijn verzonden. Het onderhavige pachtcontract is echter op vrijdag 2 april 1999 door de Grondkamer ontvangen.

Om na te gaan of u aan de hiervoor gestelde voorwaarde betreffende de datum van verzending voldoet (verzending voor 1 april 1999) bent u bij brief van 9 maart 2000 uitgenodigd voor een hoorzitting en is aan u meegedeeld dat tijdens deze zitting aan u gevraagd zal worden middels schriftelijk bewijs aan te tonen dat het in het geding zijnde pachtcontract voor 1 april 1999 aan de Grondkamer is verzonden.

Van de mogelijkheid om gehoord te worden heeft u geen gebruik gemaakt. U heeft wel schriftelijk gereageerd. De door u overgelegde stukken, te weten een afschrift van de overeenkomst met daarop een aantekening waarvan u stelt dat deze gemaakt is door de makelaar, vormen voor mij echter onvoldoende bewijs van het feit dat de door u aan de Grondkamer aangeboden pachtovereenkomst vóór 1 april 1999 aan de Grondkamer is verzonden.

Nu u niet op de hoorzitting bent verschenen om uw bezwaren mondeling nader toe te lichten terwijl in uw schriftelijke reaktie niet is gesteld noch hieruit is gebleken dat u ander bewijs zou kunnen overleggen dan hetgeen u heeft ingestuurd, ben ik van oordeel dat u kennelijk niet in staat bent om middels hiervoor geëigend bewijs aan te tonen dat de onderhavige pachtovereenkomst vóór 1 april 1999 aan de Grondkamer is verzonden.

Gelet op het voorgaande stel ik na heroverweging vast dat op 1 april 1999 een referentiehoeveelheid melk van 140.579 kilogram op uw naam stond geregistreerd."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft haar beroep gehandhaafd voorzover verweerder er bij het bestreden besluit vanuit is gegaan dat zij op 1 april 1999 de beschikking had over een referentiehoeveelheid van 140.579 kg, als gevolg waarvan niet alle koeien voor premiëring in aanmerking zijn gebracht.

Door de makelaar is bij een op 8 mei 2000 door hem ondertekende verklaring bevestigd dat hij het pachtcontract tussen appellante en D op 31 maart 1999 ter goedkeuring aan de Grondkamer heeft toegezonden. Het feit dat de Grondkamer niet meer beschikt over de enveloppe waarin het pachtcontract door de makelaar werd toegezonden, valt appellante niet aan te rekenen.

Uit het op 29 maart 1999 door partijen ondertekende en op 30 maart 1999 ingaande pachtcontract, waarbij permanente overdracht van een referentiehoeveelheid van 23.400 kg melk plaatsvond, en de daarop volgende goedkeuring door de Grondkamer, blijkt dat de referentiehoeveelheid van appellante per 1 april 1999 niet 140.579 maar 117.179 kg bedroeg. Uitgaande van deze laatste referentiehoeveelheid komen alle 133 door appellante opgegeven zoogkoeien voor premiëring in aanmerking.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt vast dat, na de twee door verweerder genomen beslissingen tot heroverweging, het geschil is beperkt tot de vraag of verweerder op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat appellante op 1 april 1999 over een referentiehoeveelheid van 140.579 kg melk beschikte. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Verweerder heeft geruime tijd nadat appellant het contract per gewone post naar de Grondkamer gezonden heeft, het standpunt ingenomen dat beslissend is op welk moment die verzending precies heeft plaatsgevonden.

Verweerder heeft appellante vervolgens medegedeeld dat het, gelet op de ontvangst per

2 april 1999, op haar weg lag te bewijzen dat verzending vóór 1 april 1999 heeft plaatsgevonden.

Appellante heeft blijkens haar relaas moeten vaststellen dat de enveloppe, waarin het contract verzonden is en waarmee tijdige verzending op basis van de afstempeling door de PTT eventueel bewezen zou kunnen worden, door de Grondkamer niet bewaard is. Onder die omstandigheden rijst de vraag of verweerder zijn standpunt dat tijdige verzending in casu uitsluitend door overlegging van de door de PTT afgestempelde enveloppe bewezen kan worden, onverkort kan handhaven.

Juist nu appellante ten tijde van de verzending niet behoefde te beseffen, dat het tijdstip van verzending voor de omvang van haar rechten van beslissende betekenis kon zijn, acht het College het in strijd met het beginsel van fair play om de gevolgen van de vernietiging van de enveloppe door de Grondkamer geheel voor rekening van appellante te laten komen. Aldus is geen sprake van een evenwichtige verdeling van de bewijslast.

Dit leidt het College tot de conclusie, dat verweerder ten onrechte voorbij gaat aan hetgeen appellante in diverse fases van de procedure op dit punt naar voren gebracht heeft. Verweerder zal op basis van de beschikbare bewijzen en hetgeen daar eventueel door partijen aan toegevoegd kan worden alsnog dienen te beoordelen of genoegzaam aannemelijk is, dat appellante het contract tijdig naar de Grondkamer heeft gezonden. Mocht dit niet tot een eenduidige conclusie leiden, dan zal verweerder zich nader dienen te beraden welke consequenties daaraan gelet op alle omstandigheden in dit geval verbonden moeten worden.

Het beroep is gelet op het vorenstaande gegrond en het bestreden besluit voorzover aangevochten, komt voor vernietiging in aanmerking.

Het College ziet aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, voorzover aangevochten;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak opnieuw zal beslissen op het bezwaarschrift van appellante;

- veroordeelt verweerder in de kosten van appellante tot een bedrag van fl. 1065.-- (zegge: éénduizend en vijfenzestig gulden), onder aanwijzing van de Staat als rechtspersoon die deze kosten aan appellante moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat aan appellante het door haar betaalde griffierecht van fl. 450.--

(zegge: vier honderd en vijftig gulden) vergoedt.

Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, mr W.E. Doolaard en mr S.K. Welbedacht, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2001.

w.g. H.G. Lubberdink w.g. F.W. du Marchie Sarvaas