Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB3004

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-07-2001
Datum publicatie
01-08-2001
Zaaknummer
AWB 00/187
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 00/187 17 juli 2001

11231

Uitspraak in de zaak van:

A, te X,

gemachtigde: mr J.J.J. de Rooy, advocaat te Tilburg,

tegen

1. de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te Den Haag, en

2. de inspecteur-districtshoofd van de Veterinaire Dienst, hierna individueel en gezamenlijk aan te duiden als verweerder,

gemachtigden: mr J.C.M. Oudshoorn en mr L.P. de Wit, werkzaam op verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 24 februari 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 januari 2000.

Bij brief van 15 mei 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 19 juni 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar partijen hun standpunt bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 14 juni 1997 heeft verweerder de varkens op het bedrijf van appellant als verdacht van klassieke varkenspest aangemerkt, nadat twee eerdere verdachtverklaringen waren beëindigd.

- Bij besluit van 16 juni 1997 heeft verweerder de verdachtverklaring van 14 juni 1997 beëindigd en het bedrijf van appellant als besmet met klassieke varkenspest aangemerkt.

- De totale waarde van de varkensstapel alsmede bepaalde producten en voorwerpen op het bedrijf van appellant is op 16 juni 1997 getaxeerd op fl. 943.128,75, waarna de varkens zijn gedood.

- Bij besluit van 26 juni 1997 heeft de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de minister) appellant, onder de mededeling dat zijn bedrijf preventief is geruimd en onder verwijzing naar overleg met LTO Nederland, een tegemoetkoming in de schade toegekend van fl. 1.097.186,75.

- Bij besluit van 21 juli 1997 heeft de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: RVV) appellant medegedeeld dat zijn bedrijf niet preventief maar besmet is geruimd, wat betekent dat appellant niet in aanmerking komt voor herberekening van de tegemoetkoming in de schade en ten onrechte meer dan

fl. 943.128,75 heeft ontvangen. Appellant wordt verzocht het teveel betaalde bedrag terug te betalen.

- Bij brief van 24 juli 1997 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de besluiten van

26 juni 1997 en 21 juli 1997.

- Bij besluit van 22 april 1998 is appellant namens de minister medegedeeld dat in het besluit van 21 juli 1997 als ingelast dient te worden beschouwd dat het besluit van

26 juni 1997 is ingetrokken en dat de opnieuw vastgestelde tegemoetkoming in de schade fl. 943.128,75 bedraagt. Het teveel betaalde bedrag van fl. 154.058,-- wordt teruggevorderd. Voorts is appellant in het besluit van 22 april 1998 medegedeeld dat in het besluit van 21 juli 1997 abusievelijk niet is vermeld dat dit besluit namens de minister is genomen.

- Nadat appellant te kennen had gegeven geen gebruik te willen maken van de gelegenheid te worden gehoord omtrent zijn bezwaren, heeft verweerder het bestreden besluit genomen, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 21 juli 1997 ongegrond is verklaard.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - samengevat - het volgende in.

Er bestaat geen recht op preventieve ruiming. Preventieve ruiming is geen maatregel ter bescherming van varkenshouders, maar een maatregel ter bestrijding van een besmettelijke dierziekte. Afgezien daarvan hanteert verweerder een prioriteitenstelling bij de bestrijding van een besmettelijke dierziekte, nu niet alle bedrijven op hetzelfde moment kunnen worden geruimd.

De besmetverklaring van de varkens op het bedrijf van appellant is rechtmatig.

Dat bij repressieve ruiming geen aanvullende tegemoetkomingen in de geleden schade zijn toegepast en bij preventieve ruiming wel, is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. In geval van besmetting wordt ruiming door het gemeenschapsrecht dwingend voorgeschreven, terwijl verweerder een eigen beoordelingsvrijheid heeft al dan niet tot preventieve ruiming over te gaan.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Terugvordering van een gedeelte van het toegekende bedrag is in strijd met het vertrouwensbeginsel, nu niet kan worden gezegd dat appellant op grond van het besluit van 26 juni 1997 duidelijk had behoren te zijn dat hij het toegekende bedrag niet zou mogen behouden. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat appellant in de veronderstelling verkeerde dat sprake was van preventieve ruiming, gelet op de tijdens een op of omstreeks 30 mei 1997 gehouden voorlichtingsbijeenkomst gedane aankondiging dat de varkens op onder meer het bedrijf van appellant preventief zouden worden geruimd.

Gelet op het vorenstaande kwam de brief van 21 juli 1997 voor appellant volslagen onverwacht. Deze brief is afkomstig van de directeur van de RVV, die ter zake over geen enkele bevoegdheid beschikt. Te meer nu het besluit van 26 juni 1997 bij genoemde brief niet is ingetrokken en slechts sprake is van een verzoek - en geen vordering - tot terugbetaling, is het besluit van 26 juni 1997 in stand gebleven en heeft het formele rechtskracht verkregen. De brief van 21 juli 1997 heeft dan ook geen juridische status. Dat appellant niettemin bezwaar heeft gemaakt tegen deze brief, doet daaraan niet af.

Eerst bij brief van 22 april 1998 is sprake van een correcte terugvordering, maar toentertijd mocht appellant er inmiddels gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij het aanvankelijk toegekende bedrag mocht behouden. Behalve het vorenstaande is hierbij in aanmerking genomen dat verweerder op dit punt in het geheel geen belangenafweging heeft verricht. Indien sprake zou zijn geweest van een bevoegdheid tot terugvordering - quod non -, betreft het een discretionaire bevoegdheid.

Ten onrechte is het bedrijf van appellant niet preventief geruimd. Om onbekende redenen is verweerder hiertoe, ondanks daartoe strekkende verzoeken van de burgemeester van Y, LTO en de Dierenartsenpraktijk Y alsook de op genoemde voorlichtings-bijeenkomst gedane mededeling niet toe overgegaan. Gelet op het patroon van uitbraken in X was het een kwestie van tijd voordat (ook) de varkens op het bedrijf van appellant besmet zouden raken. Onder deze omstandigheden staat het verweer niet vrij appellant bij het toekennen van een tegemoetkoming in de schade niet te behandelen als een varkenshouder wiens dieren preventief zijn geruimd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat verweerder de varkens op het bedrijf van appellant bij besluit van 16 juni 1997 besmet heeft verklaard met klassieke varkenspest. Gesteld noch gebleken is dat dit besluit appellant niet heeft bereikt. Gelet hierop was voor appellant duidelijk, althans had duidelijk behoren te zijn, dat verweerders besluit van 26 juni 1997 op een misverstand berustte en dat appellant, anders dan in dat besluit is overwogen, geen aanspraak kon maken op herberekening van de tegemoetkoming in de schade. Appellant diende dan ook ernstig rekening te houden met de mogelijkheid dat verweerder deze, voor appellant kenbare, vergissing op enig moment zou herstellen. Onder deze omstandigheden verzet(ten) het vertrouwensbeginsel en/of het rechtszekerheidsbeginsel zich niet tegen intrekking van het besluit van 26 juni 1997 en vervanging van dit besluit door het besluit van 22 april 1998. Ook overigens is niet gebleken dat het verweerder niet zou vrijstaan zijn vergissing te herstellen en te besluiten dat appellant het teveel vergoede dient terug te betalen.

5.2 Ook de klacht dat verweerder ten onrechte geen afweging heeft gemaakt of een volledige terugbetaling zou worden verlangd en of dit in een of meer termijnen zou kunnen, faalt. Het besluit tot terugvordering houdt namelijk niet in wanneer en op welke wijze daadwerkelijk zal worden ingevorderd. Dit is een kwestie van nadere besluitvorming, waartegen te zijner tijd wederom kan worden opgekomen. Ten overvloede merkt het College in dit verband op dat ter zitting zijdens verweerder is verklaard dat het in overleg treffen van een betalingsregeling in redelijkheid tot de mogelijkheden lijkt te behoren.

5.3 Naar aanleiding van het betoog van appellant dat zijn bedrijf preventief had moeten worden geruimd, in welk geval hij hoe dan ook aanspraak had kunnen maken op een herberekening van de tegemoetkoming in de schade, heeft verweerder naar voren gebracht dat de destructiecapaciteit ontoereikend was om alle daarvoor in aanmerking komende bedrijven direct te ruimen en dat hij daarom een prioriteitenstelling heeft moeten hanteren. In dit verband overweegt het College allereerst dat verweerder op grond van de ter zake geldende regelgeving niet de verplichting maar de bevoegdheid heeft bedrijven preventief te ruimen, zodat niet kan worden gesproken van een recht op preventieve ruiming. Dat verweerder bevoegd is tot een prioriteitenstelling, heeft appellant niet bestreden, terwijl evenmin is aangevoerd dat deze prioriteitenstelling de grenzen van een redelijke beleidsbepaling zou overschrijden. Ook overigens heeft appellant naar het oordeel van het College niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een situatie waarin verweerder gehouden was het bedrijf van appellant preventief te ruimen. Het volgens appellant van overheidswege geuite voornemen tot preventieve ruiming van onder meer zijn bedrijf over te gaan, laat onverlet dat verweerder op grond van een nadere afweging van dit voornemen kan afzien en evenzeer dat het betreffende bedrijf besmet kan raken voordat het voornemen wordt uitgevoerd.

5.4 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr drs B. van Velzen,

als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2001.

w.g. J.A. Hagen w.g. B. van Velzen