Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2998

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-06-2001
Datum publicatie
01-08-2001
Zaaknummer
AWB 00/20
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/20 27 juni 2001

29010

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: mr R.R.E. Nobus, advocaat te Terneuzen,

tegen

De raad van de gemeente Oostburg, te Oostburg, verweerder,

gemachtigde: mr A.M. van Gessel, werkzaam bij de gemeente Oostburg.

1. De procedure

Op 28 december 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 21 oktober 1999 dat bij brief van burgemeester en wethouders van Oostburg van 18 november 1999 aan appellante bekend is gemaakt.

Bij dit besluit heeft verweerder opnieuw beslist op een bezwaarschrift van appellante van

4 augustus 1995, nadat een eerder besluit van verweerder op dit bezwaar bij uitspraak van

12 mei 1999 door het College was vernietigd.

Op 28 april 2000 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Op 16 juni 2000 is een verweerschrift ontvangen. Op 22 juni 2000 is hierop nog een aanvulling ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2001, waarbij partijen hun standpunten, bij monde van hun gemachtigden, nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Voor de feiten en omstandigheden verwijst het College naar voormelde, aan partijen bekende uitspraak van 12 mei 1999. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit is het bezwaarschrift van appellante van 4 augustus 1995 gegrond verklaard en is artikel 19 van de Verordening Speelautomaten Oostburg (hierna: de Verordening), vastgesteld op 15 juni 1995, ingetrokken.

Tegelijkertijd is bij het bestreden besluit artikel 19 van de Verordening opnieuw vastgesteld:

" 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 18, kan een vergunning verleend worden voor het aanwezig hebben van meer dan 3 speelautomaten, in inrichtingen waar gelet op bijzondere omstandigheden onverkorte toepassing van de overgangsbepalingen zou leiden tot een ongewenste onredelijkheid.

2. Bij gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid in het eerste lid geldt de beperking dat jaarlijks, te beginnen op 1 januari 1996, het aantal speelautomaten blijvend wordt verminderd, volgens een door de burgemeester voor deze categorie inrichtingen vast te stellen aflopend schema."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Verweerder heeft met het nieuwe artikel 19 van de Verordening opnieuw een regel gegeven die alleen de situatie van appellante betreft en niet voor herhaalde toepassing vatbaar is. Verweerder heeft de facto opnieuw een beschikking genomen. Daarnaast heeft verweerder in strijd met diverse beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel.

5. De beoordeling van het geschil

Het College staat voor de beantwoording van de vraag of verweerder bij het bestreden besluit op juiste wijze gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van het College van

12 mei 1999. Het College beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt.

Terecht heeft verweerder in voormelde uitspraak van het College, inhoudende dat verweerder met het vaststellen van het oude artikel 19 van de Verordening buiten de grenzen van zijn bevoegdheid was getreden, aanleiding gevonden om deze bepaling bij het bestreden besluit in te trekken.

Het nieuw vastgestelde artikel 19 is naar het oordeel van het College zodanig algemeen geformuleerd dat sprake is van een algemene regel, die voor herhaalde toepassing, ook op andere inrichtingen dan die van appellante vatbaar is. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting, onvoldoende weersproken, bovendien verklaard dat deze regel ook op andere inrichtingen dan die van appellante is toegepast. Derhalve is sprake van vaststelling van een algemeen verbindend voorschrift en niet, zoals appellante betoogt, van een beschikking.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, mr C.J. Borman en mr F. W. du Marchie Sarvaas in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2001.

w.g. H.G. Lubberdink De griffier is niet

niet in staat de

uitspraak mede

te ondertekenen.