Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2994

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-06-2001
Datum publicatie
22-08-2001
Zaaknummer
AWB 00/639
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Wet op de kansspelen 30d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/639 27 juni 2001

29010

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: mr R.R.E. Nobus, advocaat te Terneuzen,

tegen

de burgemeester van de gemeente Oostburg, te Oostburg, verweerder,

gemachtigde: mr A.M. van Gessel, werkzaam bij de gemeente Oostburg.

1. De procedure

Op 26 juli 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 juni 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder twee bezwaarschriften van appellante, betreffende een aanwezigheidsvergunning voor speelautomaten, ongegrond verklaard.

Op 18 september 2000 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Op 14 november 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 6 december 2000 zijn van verweerder enige aanvullende stukken ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2001, alwaar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht bij monde van hun gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De toepasselijke voorschriften

Artikel 5 van de Verordening Speelautomaten Oostburg luidt als volgt:

" 1. Een aanwezigheidsvergunning wordt verleend voor één jaar, ingaande

1 januari.

2. Indien een aanwezigheidsvergunning in de loop van een kalenderjaar wordt aangevraagd en verleend, geldt deze voor de resterende maanden van dat jaar."

Artikel 18 van voormelde verordening luidt:

" In de aanwezigheidsvergunningen voor de jaren 1995, 1996 en 1997 wordt ten aanzien van het aantal en de soort speelautomaten bepaald, dat deze vergunningen gedurende de periode 1 juli 1995-1 januari 1996 en gedurende de jaren 1996 en 1997 slechts worden verleend voor ten hoogste:

a. drie speelautomaten, zijnde behendigheidsautomaten, voor de laagdrempelige en erg laagdrempelige inrichting;

b. drie speelautomaten, waarvan ten hoogste twee kansspelautomaten, voor een hoogdrempelige inrichting."

Artikel 19 van deze verordening, zoals gewijzigd ingaande

25 november 1999, luidt:

" 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 18, kan een vergunning verleend worden voor het aanwezig hebben van meer dan 3 speelautomaten, in inrichtingen waar gelet op bijzondere omstandigheden onverkorte toepassing van de overgangsbepalingen zou leiden tot een ongewenste onredelijkheid.

2. Bij gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid in het eerste lid geldt de beperking dat jaarlijks, te beginnen op 1 januari 1996, het aantal speelautomaten blijvend wordt verminderd, volgens een door de burgemeester voor deze categorie inrichtingen vast te stellen aflopend schema."

Artikel 30d van de Wet op de kansspelen luidde tot 1 juni 2000, voorzover hier van belang:

" 1. Aan de vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden die zo nodig kunnen worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken. Bij gemeentelijke verordening kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften en beperkingen. (...)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante exploiteert een inrichting op het adres C. Hierin bevonden zich, ten tijde van een medio 2000 in opdracht van verweerder uitgevoerde telling, 24 kansspelautomaten en 6 behendigheidsautomaten.

- Volgens de vergunning voor het jaar 1994 waren in dat jaar 51 automaten toegestaan, waarvan 17 kansspelautomaten.

- Gelet op artikel 19 van de Verordening Speelautomaten Oostburg heeft verweerder voor de inrichting A op 29 november 1999 het volgende aflopende schema vastgesteld voor de verlening van aanwezigheidsvergunningen aan appellante.

" kansspelen behendigheidsautomaten

1996 14 34

1997 11 34

1998 8 34

1999 4 34

2000 0 34

2001 0 28

2002 0 22

2003 0 16

2004 0 10

2005 0 3"

- Tegen de vaststelling van dit schema heeft appellante bij brief van 22 december 1999 bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 14 december 1999 heeft verweerder vier besluiten aan appellante gezonden, waarbij voor de jaren 1996 t/m 1999 vergunning is verleend voor het aanwezig hebben van speelautomaten. De aantallen toegestane behendigheids- en kansspelautomaten zijn daarbij conform de aantallen uit vorenvermeld schema vastgesteld.

- Tegen voormelde besluiten heeft appellante bij schrijven van 24 januari 2000 bezwaar gemaakt.

- Bij het bestreden besluit van 20 juni 2000 heeft verweerder vervolgens op de bezwaarschriften beslist.

- Voor het jaar 2000 is een vergunning voor 34 behendigheidsautomaten verleend en is geen vergunning verleend voor de aanwezigheid van kansspelautomaten. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

- Voor het jaar 2001 is een aanvraag ingediend (voor 46 kansspelautomaten en 5 behendigheidsautomaten) waarop nog niet is beslist.

- Verweerder heeft geen bestuursdwang uitgeoefend om het aantal aanwezige automaten in overeenstemming te brengen met het aantal volgens de vergunning toegestane automaten. Ten tijde van de zitting op 16 mei 2001 bestonden er bij verweerder geen concrete voornemens om tot handhaving over te gaan.

3. Het bestreden besluit

Verweerder heeft bij het bestreden besluit onder meer het volgende overwogen.

" A beschikt niet over een zogenaamde halvergunning op grond van artikel 7 van de Verordening Speelautomaten Oostburg. Ingevolge genoemde verordening kan deze ook niet verleend worden, daar slechts een tweetal hallen in Cadzand-Bad voor een dergelijke vergunning in aanmerking komt. Er is derhalve geen sprake van een speelautomatenhal in de zin van de verordening. Omdat er van een dergelijke vergunning geen sprake is gaat de consequentie zoals appelant die heeft verwoord niet op.

Nu er derhalve geen halvergunning verleend was kon evenmin het vertrouwen aanwezig zijn, dat de gemeente niet conform haar beleid zou handelen. De gemeente heeft althans niet het vertrouwen opgeroepen, dat er steeds voor grote aantallen automaten vergunning verleend zou worden.

Gemeentelijk beleid kan wijzigen en mits er compensatie plaatsvindt is een beleidswijziging niet onredelijk. De gemeente is ervan overtuigd dat de compensatie in tijd zoals neergelegd in de overgangsregeling in het gewijzigde artikel 19 van de verordening alleszins behoorlijk is.

Het aangescherpte beleid is overigens niet onverhoeds ingevoerd, nu de gemeente reeds in februari 1995 haar voornemen tot beleidswijziging kenbaar heeft gemaakt. A heeft daarmee voldoende tijd gehad om bij haar bedrijfsvoering met een wijziging rekening te houden.

Ook in het vervolgtraject heeft de gemeente zo lang mogelijk rekening gehouden met de belangen van appellante. Nadat in februari 1996 beroep was ingesteld, is de jaarlijkse vergunning weliswaar verleend conform de afbouwregeling uit het bestreden besluit, maar in afwachting van een uitspraak, heeft de gemeente de feitelijke situatie, waarin het aantal vergunde automaten werd overschreden, gedoogd.

Nu er geen sprake is van een speelautomatenhal is er feitelijk sprake van een laagdrempelige inrichting. In het toekomstige landelijke beleid zijn in laagdrempelige inrichtingen geheel geen kansspelen toegestaan.

Voor het toekennen van schadevergoeding zie ik geen aanleiding. Door de opgestelde afbouwregeling was er voldoende mogelijkheid om de exploitatie aan te passen. Het feit dat de gevolgen van deze afbouwregeling zich meteen doen gevoelen vindt zijn oorzaak in de uitgesproken formele vernietiging door meergenoemd College."

4. Het standpunt van appellante

Om redenen waarvan hierna zal blijken, kan een weergave van het standpunt van appellante achterwege blijven.

5. De beoordeling van het geschil

Op grond van het onderzoek ter zitting staat vast dat het aantal kansspelautomaten na 1995 niet is verminderd overeenkomstig het schema en naar mag worden aangenomen zeker niet lager is geweest dan het voor 1994 nog vergunde aantal van zeventien. Bij de meest recente telling door verweerder medio 2000 waren zelfs 24 kansspelautomaten aanwezig. Nu ter zitting is verklaard dat verweerder van handhaving in enigerlei opzicht heeft afgezien en ook tot op heden nog steeds afziet, waarbij voor hem leidend is dat de inrichting nog steeds door dezelfde (natuurlijke) persoon wordt geëxploiteerd, is sprake van een situatie waarin appellante in feite zelf heeft bepaald en bepaalt hoeveel kansspelautomaten in de inrichting aanwezig zijn.

Nu ook overigens niet is gebleken dat appellante schade zou hebben geleden tengevolge van beperkingen die de tot en met 1999 verstrekte vergunningen met zich brachten, leidt het voorgaande ertoe dat appellante geen belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de besluiten waarbij vergunning is verleend voor de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999. Het beroep, voorzover gericht tegen het onderdeel van het bestreden besluit waarbij is beslist op het bezwaarschrift van 24 januari 2000, is dientengevolge niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van het onderdeel van het bestreden besluit waarin het bezwaar tegen het aflopend schema ongegrond is verklaard, overweegt het College als volgt.

Artikel 19, eerste lid, van de Verordening maakt deel uit van de in de artikelen 18 tot en met 20 van de Verordening opgenomen overgangsbepalingen. Ingevolge de artikelen 18 en 19 kunnen, voorzover hier van belang, in afwijking van de andere bepalingen van de Verordening gedurende een bepaalde periode aanwezigheidsvergunningen worden verleend voor andere aantallen of soorten automaten dan voorzien in de desbetreffende bepalingen. In de systematiek van de Verordening kan een aan een vergunning te verbinden beperking van soort en aantal automaten niet anders dan betrekking hebben op het desbetreffende jaar waarvoor de vergunning wordt verleend.

Nog daargelaten welke betekenis thans nog, gelet op het bepaalde bij artikel 30c, tweede lid, van de nieuwe Wet op de kansspelen aan het aflopend schema gehecht moet worden, brengt het voorgaande in ieder geval met zich dat dit schema dient te worden beschouwd als leidraad voor de aan de jaarlijks te verlenen vergunningen te verbinden beperkingen en niet als vaststelling van deze beperkingen zelf zodat het schema niet zelfstandig voor bezwaar en beroep vatbaar is. Verweerder had derhalve het bezwaar van 22 december 1999 niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Het College zal dientengevolge het beroep in zoverre gegrond verklaren en, met toepassing van artikel 8:72 Awb, zelf het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

Aan het vorenoverwogene doet niet af dat appellante stelt in feite een speelautomatenhal te exploiteren en aanspraak meent te kunnen maken op een vergunning hiervoor. Hiertoe overweegt het College ten eerste dat de exploitatie van een dergelijke hal het vereiste van (jaarlijkse) aanwezigheidsvergunningen als thans aan de orde onverlet laat.

Ten tweede wordt in dit verband overwogen dat verweerder bij het bestreden besluit niet een weigering van een "halvergunning" heeft gehandhaafd. Evenmin is verweerder tekortgeschoten door bij dit besluit, zonder een hierop specifiek betrekking hebbende aanvraag, eigener beweging over te gaan tot een oordeel omtrent verlening van een dergelijke vergunning.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond voorzover het zich richt tegen het onderdeel van het bestreden besluit waarbij is beslist op het bezwaarschrift van 22 december 1999;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- verklaart het bezwaar van 22 december 1999 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het gericht is tegen het onderdeel van het bestreden besluit waarbij is beslist op het bezwaarschrift van 24 januari 2000;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure aan de zijde van appellant, welke worden vastgesteld op fl. 1420,-- (zegge: éénduizendvierhonderdtwintig gulden), en wijst de gemeente Oostburg aan als de rechtspersoon, die dit bedrag moet voldoen;

- bepaalt dat de gemeente Oostburg aan appellante het door haar gestorte griffierecht ad fl. 450,-- ( zegge: vierhonderd en vijftig gulden) vergoedt en

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, mr C.J. Borman en mr F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2001.

w.g. H.G. Lubberdink De griffier is niet in staat de

uitspraak mede te ondertekenen.