Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2988

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-07-2001
Datum publicatie
01-08-2001
Zaaknummer
AWB 00/426
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 87
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 00/426 17 juli 2001

11230

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: mr J.A.J.M. van Houtum, verbonden aan de Stichting Rechtsbijstand, vestiging Tilburg,

tegen

de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te Den Haag, verweerder,

gemachtigde: mr J.J.H.M. Hanssen, werkzaam op verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 25 mei 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 mei 2000.

Bij brief van 18 juli 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 5 juni 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar partijen hun standpunt bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht. Van de zijde van appellant was tevens als deskundige aanwezig de heer C.A.A.L. Ligthart te Wagenberg.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Regelgeving

In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Wet) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 87

Alvorens dieren krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden gedood of produkten en voorwerpen krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel g, worden onschadelijk gemaakt, dan wel raten of bijenvolken krachtens het bepaalde in artikel 22, tweede lid, onderdeel f en g, worden vernietigd, wordt de waarde daarvan vastgesteld.

Artikel 88

1. De in artikel 87 bedoelde waardevaststelling geschiedt door een beëdigd deskundige, welke wordt aangewezen door een door Onze Minister aangewezen ambtenaar.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar of de eigenaar of diens gemachtigde geen genoegen neemt met de waardevaststelling verzoekt Onze Minister de kantonrechter in het kanton waar de dieren als bedoeld in artikel 87 zijn gedood of de produkten en voorwerpen als bedoeld in dat artikel onschadelijk zijn gemaakt dan wel raten of bijenvolken als bedoeld in dat artikel zijn vernietigd, drie beëdigde deskundigen te benoemen, waaronder de krachtens het eerste lid aangewezen deskundige.

3. Indien over de waardevaststelling geen overeenstemming wordt bereikt, geldt het bedrag dat het gemiddelde is van de verschillende waarderingen.

4. De kosten van de in het eerste en tweede lid bedoelde deskundigen worden uit het Diergezondheidsfonds betaald."

2.2 De vaststaande feiten

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluiten van 19 april 1997 heeft de Inspecteur-Districtshoofd van de Veterinaire Dienst de dieren op het bedrijf van appellant te X verdacht van klassieke varkenspest verklaard en heeft hij de door hem noodzakelijk geachte bestrijdingsmaatregelen bekendgemaakt. De totale waarde van de varkensstapel alsmede bepaalde producten en voorwerpen is op 21 april 1997, na een eerdere taxatie waartegen appellant bezwaar had gemaakt, door de taxateurs J. Westerlaken en P.A.M. Bens getaxeerd op fl. 274.431,37, waarna de varkens zijn gedood.

- Bij besluit van 5 juni 1997 heeft de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de minister) appellant een tegemoetkoming in de schade ten bedrage van fl. 285.571,37 toegekend. De minister heeft hierbij voor zeugen bepaalde minimum prijzen (normprijzen) gehanteerd.

- Bij brief van 3 juli 1997 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van

5 juni 1997. Daarbij heeft hij zich onder meer op het standpunt gesteld dat de taxatie niet deugt en dat de actuele waarde van de levende have minstens moet worden vastgesteld op fl. 298.230,00. Appellant heeft hiertoe verwezen naar een op zijn verzoek uitgebrachte contra-expertise van Coppens Meng Unie, waarin op basis van een uitvoerige berekening op laatstgenoemd bedrag wordt uitgekomen.

- Nadat appellant op 25 juni 1998 was gehoord omtrent zijn bezwaren, heeft de minister de Kantonrechter te 's-Hertogenbosch verzocht drie deskundigen te benoemen teneinde hertaxatie te doen plaatsvinden zoals bedoeld in artikel 88, tweede lid, van de Wet. Bij beschikking van 20 december 1999 heeft de Kantonrechter tot deskundigen benoemd J.W.G. Hoogeslag, P.A.M. Bens en N.C.M. Creemers.

- In hun rapport van 24 maart 2000 hebben de deskundigen, voor zover hier van belang, het volgende gerapporteerd:

" Conform benoeming door de kantonrechter (…) hebben wij de volgende procedure gevolgd.

Ø Tussen 24 januari 2000 en 22 maart 2000 is het bedrijf bezocht door de heren Creemers en Hoogeslag.

Ø Op 22 maart en 24 maart hebben de drie benoemde taxateurs overlegd over de waarde van de veestapel.

Ø

Conclusies naar aanleiding van ons gezamenlijke overleg:

Ø De waarde van de overgenomen producten en voorwerpen (voer en medicijnen) zijn door de ondernemer niet ter discussie gesteld en zijn door taxateurs overgenomen van de eerste taxatie (ƒ 9981,37)

Ø Na onderling overleg hebben de drie taxateurs overeenstemming bereikt over de waarde van de veestapel.

Ø De waarde van de veestapel is door ons getaxeerd op ƒ 264.450,-. Taxatiebedrag is inclusief BTW.

Ø Totale taxatie (vee en producten of voorwerpen) komt daarmee uit op ƒ 274.431,37 (incusief BTW)."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende in.

Mij is gebleken dat u op 21 april 1997 een uitdrukkelijk voorbehoud hebt gemaakt bij de waardevaststelling. Gelet hierop kan niet worden gesteld dat u genoegen hebt genomen met de waardevaststelling. Ik heb daaruit de conclusie getrokken dat in uw geval de procedure van artikel 88, tweede lid, van de Wet had behoren te worden gevolgd. Derhalve is die procedure alsnog gevolgd.

De uitkomst van de taxatie door de drie door de kantonrechter benoemde deskundigen is gelijk aan de uitkomst van de taxatie van 21 april 1997.

Aangezien uw bedrijf een vermeerderingsbedrijf is, is in uw geval ingevolge artikel 91 van de Wet de tegemoetkoming vastgesteld onder toepassing van de normprijzen voor zeugen die gelden voor vermeerderingsbedrijven. Dit heeft ertoe geleid dat u - op juiste gronden - een tegemoetkoming is toegekend van fl. 285.571,37.

Het bezwaarschrift is gegrond voor zover u daarmee wilde bereiken dat de procedure van artikel 88, tweede lid, van de Wet werd toegepast, en voor het overige ongegrond.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Verweerder heeft met het uitvoerig gemotiveerde rapport van Coppens Meng Unie niets gedaan, althans hiervan blijkt niets uit de beslissing op het bezwaarschrift. Appellant heeft destijds ingestemd met de benoeming van de drie deskundigen, aannemend dat deze bij hertaxatie alle feiten en omstandigheden in acht zouden nemen, in elk geval ook de gemotiveerde becijfering van Coppens Meng Unie. Hiervan blijkt echter niets. Verweerder volstaat met een verwijzing naar de vaststelling door de drie deskundigen, maar deze vaststelling is exact identiek aan de waarde zoals die eerder was bepaald. Uitgangspunten en motivering ontbreken volkomen. In een mager A4-tje stellen de deskundigen niet meer en niet minder dan dat zij na onderling overleg overeenstemming hebben bereikt over de waarde van de veestapel. Ze hebben kennelijk geen inzage gehad in de becijfering die door de deskundigen van Coppens Meng Unie destijds is opgesteld.

In elk geval geldt dat verweerder geen acht heeft geslagen op hetgeen bij het bezwaarschrift is ingebracht. Het kan niet zo zijn dat op deze wijze volkomen wordt voorbijgegaan aan hetgeen gemotiveerd is ingebracht. De gang van zaken miskent elementaire beginselen van procesrecht. Minstens had verweerder de moeite moeten nemen om in te gaan op hetgeen door de deskundigen van Coppens Meng Unie is becijferd.

De Wet is niet in acht genomen. Er is geenszins sprake van een vaststelling door de kantonrechter. De kantonrechter heeft slechts de deskundigen benoemd en die hebben gerapporteerd aan de RVV.

Ter zitting is namens appellant nog naar voren gebracht dat de deskundigen op grond van het bepaalde in artikel 88, derde lid, van de Wet hadden moeten trachten met Coppens Meng Unie tot overeenstemming te komen en, als dat niet was gelukt, het gemiddelde van de verschillende waarderingen had moeten worden genomen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Naar aanleiding van de grieven van appellant overweegt het College in de eerste plaats dat ingevolge artikel 88 van de Wet in dier voege tegen een eerste taxatie voorziening openstaat, dat een nieuwe taxatie kan worden bewerkstelligd door drie door de kantonrechter te benoemen deskundigen. Deze deskundigen stellen de waarde definitief vast. Tegen deze waardevaststelling staat geen verdere voorziening open.

5.2 De minister dient bij de betaling van de tegemoetkoming in de schade uit te gaan van de waardevaststelling door de deskundigen. Voor enige afwijkingsbevoegdheid voor de minister ten aanzien van de waardevaststelling is, gelet op het stelsel dat in de Wet is neergelegd, derhalve geen plaats. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden zal de minister van deze waarde kunnen afwijken. Dat zal het geval kunnen zijn wanneer de vaststelling, hetzij uit hoofde van haar inhoud, hetzij uit hoofde van de wijze waarop zij tot stand is gekomen, zo zeer ingaat tegen hetgeen redelijk en billijk is, dat de minister in redelijkheid de waardevaststelling niet aan eventuele verdere besluiten, waarbij het bedrag van de tegemoetkoming een rol speelt, ten grondslag kan leggen.

5.3 In dit geval heeft de minister om geheel andere redenen een nader besluit genomen, namelijk door in plaats van de door de deskundigen vastgestelde waarde een hogere tegemoetkoming toe te kennen door de toepassing van normprijzen. Van de hiervoor bedoelde uitzonderlijke omstandigheden is in dit geval geen sprake. De deskundigen hadden slechts als opdracht om de waarde vast te stellen. Zij waren niet verplicht om in hun rapportage inhoudelijk op het rapport van Coppens Meng Unie in te gaan. Bovendien stond het verweerder vrij slechts de eindresultaten van de deskundigen en van Coppens Meng Unie te vergelijken. Het verschil (Coppens Meng Unie waardeerde de levende have 12,77% hoger dan de deskundigen) is niet zo groot dat met recht kan worden gesteld dat verweerder daarin aanleiding had moeten zien om te onderzoeken of hij van de taxatie door de deskundigen zou moeten afwijken.

Verweerder heeft ook in de bezwaarprocedure terecht een inhoudelijke beoordeling van en een vergelijking met het rapport van Coppens Meng Unie achterwege gelaten, aangezien de door de deskundigen vastgestelde waarde voor hem uitgangspunt diende te zijn.

De namens appellant ter zitting naar voren gebrachte grief faalt, aangezien artikel 88, derde lid, van de Wet betrekking heeft op de drie deskundigen onderling en niet ziet op overleg met derden.

5.4 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr drs B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2001.

w.g. J.A. Hagen w.g. B. van Velzen