Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2987

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-06-2001
Datum publicatie
01-08-2001
Zaaknummer
AWB 00/290
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 00/290 21 juni 2001

26030

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr drs R. Dhalganjansin, advocaat de 's-Gravenhage,

tegen

de Regionale Directie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie Haaglanden, te 's-Gravenhage, verweerster,

gemachtigden: mr D.C. Wekker en mr J.H. Roovers.

1. De procedure

Op 10 april 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep is ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 maart 2000.

Bij dat besluit heeft verweerster beslist op het bezwaarschrift dat appellant had ingediend tegen een afwijzende beslissing van 30 september 1999, gegeven naar aanleiding van een verzoek, dat appellant als werkzoekende had ingediend inzake de vergoeding van kosten van scholing.

Onder dagtekening 27 september 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 10 mei 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigden, en appellant tevens in persoon, hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant, die in 1964 is geboren, is in het bezit van het diploma HAVO en heeft in 1990 zijn vliegbrevet behaald.

- Nadien is appellant onder meer werkzaam geweest als piloot en als luchtvaartinstructeur.

- Na sollicitatie bij een tweetal luchtvaartmaatschappijen, die appellant te kennen hadden gegeven (-) dat voor hem na het volgen van een opleiding van ƒ 23.025 voor een zogeheten PA31-rating de mogelijkheid zou bestaan als free lance-vlieger te gaan werken, respectievelijk (-) dat hij na het volgen van een opleiding voor een J31-rating, waarvan de kosten ƒ 40.550 zouden bedragen, een dienstverband voor een jaar als tweede vlieger op het desbetreffende toestel zou kunnen krijgen, heeft appellant zich tot verweerder gewend met het verzoek in aanmerking te worden gebracht voor een tegemoetkoming in bedoelde opleidingskosten.

- Bij eerdervermeld besluit van 30 september 1999 heeft verweerder afwijzend beslist op dat verzoek.

- Tegen dit besluit heeft appellant een bezwaarschrift ingediend.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit gegeven.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

" Het verzoek om een financiële tegemoetkoming voor de gewenste opleidingen is afgewezen omdat de Regionale Directie de gewenste opleiding niet de meest doelmatige vindt, om verzoeker ingepast te krijgen in het arbeidsproces. De Regionale Directie acht verzoeker op grond van zijn werkervaring, opleidingsniveau, vaardigheden, motivatie, mobiliteit en beschikbaarheid, en met een bredere opstelling in staat om, zonder de onderhavige opleiding, een baan te kunnen vinden. Volgens de Regionale Directie is hooguit een korte bijscholing of training ana de orde.

(...)

Verzoeker is vanaf 1990 tot 1 augustus 1998 werkzaam geweest in de luchtvaartbranche. Uit de nadere informatie van verzoeker blijkt dat hij vanaf 1988 tot aan 1999 praktisch onafgebroken opleidingen heeft gevolgd voor het beroep van vlieger c.q. instructeur. Hiertoe heeft hij tal van luchtvaartopleidingen in Nederland en in het buitenland gevolgd. Ondanks dat verzoeker hooggeschoold is en veel opleiding heeft genoten, lukt het hem desondanks niet om ingepast te raken op de arbeidsmarkt. Verzoeker heeft zich tot heden slechts beperkt tot een baan in de luchtvaartbranche, met name op een baan als vlieger bij een luchtvaartmaatschappij. Aangezien verzoeker de afgelopen jaren reeds veel scholing heeft gevolgd, is er veel voor te zeggen dat niet het ontbreken van scholing de oorzaak is van zijn werkloosheid. Zijn werkloosheid lijkt eerder ingegeven te zijn door verzoekers beperkte opstelling en wens slechts werkzaam te willen zijn als vlieger c.q. instructeur in de luchtvaartbranche. Verzoeker heeft zich in de contacten met het arbeidsbureau steeds gefixeerd op vergoeding van de gewenste luchtvaartopleidingen. Verzoeker toonde zich niet bereid om zich breder op te stellen en de mogelijkheden te bekijken naar een baan buiten de luchtvaart. Bij het vaststellen van scholingsnoodzaak is echter de beroeps- c.q. opleidingswens van de werkloze niet doorslaggevend.

Aan de andere kant dient in casu wel rekening te worden gehouden met het feit dat verzoeker zeer specialistisch geschoold is voor een specifiek beroep in de luchtvaart. Om zijn herintrede te kunnen maken op de arbeidsmarkt kan derhalve een korte training c.q. bijscholing aan de orde zijn. In het onderhavige geval acht de Algemene Directie het dan ook niet onaannemelijk dat verzoeker over enige scholingsnoodzaak beschikt.

Uit de informatie blijkt dat het arbeidsbureau en Bureau Werkraat met verzoeker aan de slag zijn gegaan om een bemiddelingsplan op te stellen. Bij het opstellen van een bemiddelingsplan is de nadruk gelegd op de huidige mogelijkheden van verzoeker om een betaalde baan te vinden in een andere branche dan de luchtvaart. Een bemiddelingsplan wordt door de consulent opgesteld in samenspraak en in overleg met de werkloos werkzoekende teneinde vast te stellen welke voorzieningen aan de orde zijn, om inpassing in het arbeidsproces te bereiken.

In het onderhavige geval hebben de besprekingen met het arbeidsbureau en Bureau Werkraat niet kunnen resulteren in een definitief bemiddelingsplan. Vanwege de beperkte en eenzijdig gemotiveerde opstelling van verzoeker is een dialoog hierover niet mogelijk gebleken. Aan de hand van een nog op te stellen definitief bemiddelingsplan kan worden vastgesteld welke training, of bijscholing voor verzoeker aan de orde is.

Doelmatigheid van de gewenste opleiding

Voor de bepaling van de mogelijkheid van duurzame arbeidsinpassing van de beoogde opleiding moet worden bezien of op de arbeidsmarkt een zodanige vraag naar personen met die opleiding bestaat, dat na afronding van de opleiding duurzame inpassing in het arbeidsproces zal plaatsvinden. Tevens moet worden bezien of de gewenste opleiding de meest doelmatige opleiding is om in het arbeidsproces te worden ingepast. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie dient immers op doelmatige en rechtvaardige wijze met gemeenschapsgelden om te gaan, hetgeen ertoe kan leiden dat gekozen dient te worden voor kortdurende en goedkopere opleidingen, indien reeds daarmee arbeidsinpassing kan worden geboekt.

Met betrekking tot de doelmatigheid merkt de Regionale Directie, in aanvulling op het hierboven onder het kopje scholingsnoodzaak gestelde, het volgende op. Gelet op dat uitgangspunt is de Regionale Directie van mening dat de door verzoeker gewenste opleiding niet zonder meer kan worden getypeerd als opleiding die qua duur, kosten en kans op arbeidsinpassing het verstrekken van vergoeding van de kosten daarvan zou rechtvaardigen. Het is een bewuste keuze van verzoeker om zich volledig te richten op een luchtvaaropleiding om inpassing als zodanig in het arbeidsproces te bereiken. Gezien verzoekers houding in deze is het allerminst aannemelijk dat verzoeker, gezien zijn vooropleiding, niet door middel van een veel minder kostbare en kortere opleiding van de onderhavige zijn opneming in het arbeidsproces kan bereiken. Uit vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven is gebleken dat het soort opleidingen, als de onderhavige, in de luchtvaartbranche nimmer doelmatig, respectievelijk arbeidsmarktrelevant is geacht. Aangezien in het onderhavige geval niet is voldaan aan het doelmatigheidsvereiste, kan de Regionale Directie reeds om die reden niet overgaan tot vergoeding van de gewenste opleiding."

4. Het standpunt van appellant

De bezwaren van appellant tegen het bestreden besluit betreffen, naar op grond van het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen:

-a. De vernietiging van human capital in verband met de omstandigheid dat appellant zijn bekwaamheden en kwalificaties als piloot niet op peil kan houden door middel van het volgen van een opleiding.

-b. De ondoelmatige besteding van Arbvo-gelden in ander opzicht, in verband waarmede de afwijzingsgrond dat de door appellant gewenste opleidingen niet de meest doelmatige zijn, niet voldoende steekhoudend is.

-c. De omstandigheid dat aan werknemers van Fokker wel vanwege de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de gelegenheid is geboden tot het volgen van dergelijke opleidingen met het oog op hun positie op de arbeidsmarkt.

5. De beoordeling van het geschil

Bij de in het geding zijnde weigering heeft verweerster in het kader van de uitoefening van de taak, vermeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, sub 1, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, betreffende het geschikt maken van moeilijk plaatsbare werkzoekenden voor hun inschakeling in arbeid in het bijzonder door middel van scholing, toepassing gegeven aan de Richtlijn Passende Arbeid 1996 (Stcrt. 1996, 60), uitgevaardigd door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In verband daarmede zijn voor de beantwoording van de vraag of een werkloze werkzoekende in het kader van een bemiddelingsplan in aanmerking komt voor een bepaald soort scholing, met name van belang de noodzaak van scholing, het arbeidsmarktperspectief en de doelmatigheid van de beoogde scholing.

Indien er sprake is van een scholingsnoodzaak, wordt bezien of na afronding van de opleiding een duurzame inpassing in het arbeidsproces kan plaatsvinden. Daarbij wordt uitgegaan van arbeid die voor betrokkene passend is te achten.

Aangezien de Arbeidsvoorzieningsorganisatie op een doelmatige wijze dient om te gaan met de publieke middelen, behoort te worden bezien of de gewenste opleiding de meest doelmatige opleiding is om in het arbeidsproces te kunnen worden ingepast. Dit kan leiden tot de keuze voor een korter durende en goedkopere opleiding dan door betrokkene beoogd, indien daarmede een adequate arbeidsinpassing kan worden bereikt.

Het College spreekt in de eerste plaats als zijn oordeel uit dat vorenomschreven beleidscriteria rechtens aanvaardbaar zijn te achten.

Gelet op de zich ten aanzien van appellant voordoende feiten en omstandigheden, is het College voorts van oordeel dat ingevolge deze criteria appellant niet voor een bemiddelingsactiviteit van verweerster ter zake van een luchtvaartopleiding als door hem gewenst, in aanmerking komt.

Daarbij moet, zoals ook verweerster naar voren heeft gebracht, in aanmerking worden genomen dat, voor zover bij appellant al sprake is van enig gebrek aan scholing dat problemen oplevert bij een herinpassing in het arbeidsproces, daarin kan worden voorzien door een betrekkelijk korte bijscholing of training. Na realisering daarvan zullen er voldoende mogelijkheden voor appellant bestaan voor het verkrijgen van passende arbeid in de betekenis van voormelde Richtlijn. Blijkens informatie van het betrokken arbeidsbureau kan in dit verband worden gedacht aan functies van technische of logistieke aard, bijvoorbeeld in de sector van de telecom of de automatisering. Op de arbeidsmarkt zijn voldoende van dergelijke - passende - functies voor appellant beschikbaar.

Aldus beschouwd, kunnen de door appellant gewenste opleidingen niet worden aangemerkt als de meest doelmatige scholing. Aan de door appellant geuite voorkeur kan in dit verband geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

Hieruit volgt dat het bezwaar van appellant vermeld onder a, geen doel treft.

Voorts dient het bezwaar sub b als rechtens niet relevant van de hand te worden gewezen.

Het bezwaar sub c slaagt evenmin, aangezien het desbetreffende besluit is genomen vanwege een ander Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening. Reeds hierom moet het beroep op het gelijkheidsbeginsel worden verworpen. De door appellant gestelde omstandigheid dat het in beide gevallen gaat om opleidingen in de sfeer van de luchtvaart, doet in dit verband niet ter zake.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Ten slotte acht het College geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2001.

w.g. H.C. Cusell w.g. W.F. Claessens