Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2982

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-07-2001
Datum publicatie
01-08-2001
Zaaknummer
AWB 00/398
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/398 26 juli 2001

16500

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr A. de Boer, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Zwolle,

tegen

Bureau Heffingen, te Assen, verweerder,

gemachtigden: mr M. Haan en mr F. Nijnuis.

1. De procedure

Op 15 mei 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 april 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen verweerders besluit van 21 oktober 1999, waarbij is geweigerd de kennisgeving van de overgang van varkensrecht van verzoeker naar de maatschap C te registreren.

Verweerder heeft onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken onder dagtekening 1 augustus 2000 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2001. Bij die gelegenheid heeft verweerder bij monde van zijn gemachtigden zijn standpunt nader toegelicht. Appellant is zonder bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de artikelen 6 en 7 van de Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: de Wet) is bepaald op welke wijze het varkensrecht wordt berekend indien een opgave is gedaan van het aantal in 1995 dan wel 1996 gehouden varkens, onderscheidenlijk fokzeugen. Ingevolge het eerste lid van artikel 7 dient voor toepassing van dit artikel een melding te worden gedaan. Het derde lid van artikel 7 luidt als volgt:

" 3. De belanghebbende doet de in het eerste lid bedoelde melding binnen zes weken na inwerkingtreding van deze wet bij het Bureau Heffingen, met gebruikmaking van een daartoe door Onze Minister vastgesteld formulier, dat overeenkomstig de op het formulier aangegeven wijze volledig en naar waarheid is ingevuld en door de belanghebbende is ondertekend."

In artikel 8 van de Wet is bepaald op welke wijze het varkensrecht wordt berekend indien geen opgave is gedaan van het aantal in 1995 dan wel 1996 gehouden varkens, onderscheidenlijk fokzeugen. Ingevolge het eerste lid van artikel 8 dient voor toepassing van dit artikel een melding te worden gedaan. Het derde lid van artikel 8 luidt als volgt:

" 3. Artikel 7, derde lid, is op de melding, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Bij gebreke van een overeenkomstig artikel 7, derde lid, gedane melding, is het varkensrecht nihil."

In artikel 18, eerste lid, van de Wet is bepaald - voorzover hier van belang - dat degene naar wiens bedrijf het varkensrecht moet overgaan en degene van wiens bedrijf het varkensrecht afkomstig is, van de overgang gezamenlijk kennis geven aan het Bureau Heffingen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan eerst aanspraak worden gemaakt op het van het andere bedrijf afkomstige varkensrecht vanaf het tijdstip van registratie van de kennisgeving door het Bureau Heffingen.

Artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet luidt als volgt:

" 1. De registratie, bedoeld in artikel 18, vindt niet plaats indien:

a. de kennisgeving betrekking heeft op een groter aantal varkenseenheden dan overeenkomt met het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, van het bedrijf waarvan de varkenseenheden afkomstig zijn;"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 21 oktober 1999 heeft verweerder met toepassing van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet geweigerd de kennisgeving van de overgang van varkensrecht van verzoeker naar de maatschap C te registreren.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 30 november 1999 een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van gelijke datum heeft appellant de president van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van dat besluit. Dit verzoek heeft de president afgewezen bij uitspraak van 26 januari 2000.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is - voorzover hier van belang - het volgende overwogen:

" Het varkensrecht dat voor het bedrijf van belanghebbende geregistreerd staat is nihil.

Ik merk op dat de wijze van berekenen van de hoogte van het varkensrecht en de voorwaarden die op deze berekening van toepassing zijn rechtstreeks uit de Whv voortvloeien. De termijn voor het naar Bureau Heffingen terugsturen van een ingevuld formulier Melding varkensrechten vloeit rechtstreeks voort uit de artikelen 8, derde lid en 7, eerste lid, van de Whv. Het gevolg van het niet (tijdig) terugsturen van dit formulier vloeit rechtstreeks voort uit artikel 8, derde lid, van de Whv.

Ik wijs u in dit verband op de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, gedateerd 1 juni 1999 (Rooks e.a./Minister van LNV)."

Bij zijn verweerschrift heeft verweerder hieraan het volgende toegevoegd.

Aan appellant, van wiens bedrijf verweerder geen aangiften overschotheffing voor 1995 en 1996 had ontvangen, is destijds een formulier 'Melding varkensrechten' toegezonden, alsmede een 'Hulpstaat bij de Melding varkensrechten', waarop een berekening op basis van artikel 8 van de Wet was ingevuld. Om een zodanige berekening te kunnen uitvoeren diende het meldingsformulier vóór 14 oktober 1998 te worden teruggezonden. Bij verweerder is het formulier 'Melding varkensrechten' van appellant niet als terugontvangen geregistreerd.

4. Het standpunt van appellant

Van de zijde van appellant is ter ondersteuning van het beroep het volgende aangevoerd:

Appellant, die enkel op grond van een melding als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet voor varkensrecht in aanmerking kon komen, heeft vóór de fatale datum - 14 oktober 1998 - geen meldingsformulier ontvangen. Verweerder kan niet aantonen dat het formulier aan appellant is toegezonden. De gevolgen van het niet binnen de termijn kunnen terugsturen van het meldingsformulier zijn disproportioneel.

5. De beoordeling van het geschil

Vast staat dat van het bedrijf van appellant geen varkensrecht is geregistreerd. Nu er derhalve geen varkensrecht is dat kan worden overgedragen, heeft verweerder op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet terecht geweigerd de kennisgeving van de overdracht te registreren.

Bij zijn uitspraak van 1 juni 1999, nr AWB 98/1350 e.v., heeft het College geoordeeld dat een mededeling inzake de omvang van het varkensrecht geen besluit is als bedoeld in artikel 34 van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 1:3 van de Awb. Dit betekent dat het College niet bevoegd is zich uit te spreken over de omvang van het varkensrecht waarvan verweerder in dit geval is uitgegaan (nihil). Hetzelfde geldt voor de met de omvang van het varkensrecht verband houdende grief van appellant, dat het meldingsformulier niet aan hem is toegezonden.

Het beroep moet derhalve ongegrond worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr H.C. Cusell en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2001.

w.g. C.M. Wolters w.g. W.F. Claessens