Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2538

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-07-2001
Datum publicatie
11-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/321
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/321 4 juli 2001

4291

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

tegen

het Hoofdproductschap Akkerbouw, te Den Haag, verweerder,

gemachtigden: mr E.R. Kleijwegt en mr O.D. van der Vliet, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 20 april 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 maart 2000, zoals gewijzigd bij besluit van 10 april 2000.

Op 8 juni 2000 is een verweerschrift ingediend.

Op 7 augustus 2000 heeft appellante een conclusie van repliek ingediend.

Op 5 september 2000 heeft verweerder een conclusie van dupliek ingediend.

Op 12 september 2000 is een schriftelijke reactie van appellante op de conclusie van dupliek ontvangen.

Op 11 april 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zijn standpunt nader toegelicht bij monde van zijn gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Verordening HPA Financieringsheffing teeltaangelegenheden 1997 (PBO-blad 1998, nr. 10) bepaalt, voorzover hier van belang:

" Artikel 1

Deze verordening verstaat onder:

(...)

g. ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het hoofdproductschap is ingesteld;

(...).

Artikel 2

1. De ondernemer, die in enig kalenderjaar een onderneming drijft, is verplicht voor dat jaar aan het hoofdproductschap een heffing te betalen.

2. De berekening van de heffing vindt plaats op basis van de door de ondernemer aan het hoofdproductschap ingevolge de bij of krachtens de Verordening HPA registratie en verstrekking van gegevens 1997 verstrekte gegevens.

3. De heffing wordt opgelegd naar het grondgebruik en berekend naar de oppervlakte van de bij de onderneming behorende cultuurgrond en bedraagt ten hoogste voor (...).

4. Het bedrag van de heffing wordt jaarlijks door het bestuur (...) vastgesteld.

(...)

Artikel 5

1. Aan de ondernemer, die als lid van een of meer door het bestuur aangewezen ondernemersorganisaties over enig kalenderjaar aan die organisatie of organisaties contributie heeft betaald, wordt een aftrek toegestaan op de voor hem krachtens deze verordening geldende heffing.

(...)

(...)

Artikel 9

De aftrek, bedoeld in artikel 5, eerste lid, bedraagt 70% van de betaalde contributie met een maximum van 50% van de voor de ondernemer geldende heffing.

Artikel 10

1. Voor de toepassing van de artikelen 5 tot en met 9 wordt onder contributie verstaan het bedrag, dat ingevolge de op 1 maart van enig kalenderjaar rechtens geldende contributieregeling van de ondernemersorganisatie door de leden voor dat kalenderjaar (...) aan de desbetreffende organisatie verschuldigd is ten behoeve van de algemene en normale werkzaamheden van die organisatie. (...)

2. Het bestuur kan (...) bij besluit terzake nadere voorschriften geven."

De Verordening HPA registratie en verstrekking van gegevens 1997 (PBO-blad 1998,

nr. 3) bepaalt, voorzover hier van belang:

" Artikel 2

1. Het hoofdproductschap houdt een register van ondernemingen, waarin:

a. (...)

b. akkerbouw wordt uitgeoefend (...).

(...)

Artikel 6

1. De ondernemer, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, is verplicht desgevraagd gegevens aan het hoofdproductschap te verstrekken met betrekking tot :

a. naam, voornamen, geboortedatum en adres (...)

(...)

e. het aantal personen, dat afgezien van de ondernemer, in de desbetreffende onderneming werkzaam is, en hun rechtsbetrekking tot de ondernemer.

2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, dienen aan het hoofdproductschap te worden verstrekt door middel van het landbouwtellingsformulier.

3. Het in het tweede lid bedoelde formulier (...) dient na invulling en ondertekening door de ondernemer bij LASER te worden ingediend."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Ten name van appellante is ten behoeve van de landbouwtelling 1999 opgave gedaan van een landbouwbedrijf zonder rechtspersoonlijkheid, onder aangeven dat sprake is van een vrouwelijk bedrijfshoofd, geboren in 1964, met een arbeidstijd op het bedrijf van gemiddeld 20 tot 30 uur per week. Het hierbedoelde bedrijfshoofd is appellante zelf.

- Tevens is bij de landbouwtelling 1999 opgegeven dat de dagelijkse leiding niet berust bij het bedrijfshoofd, maar bij een mannelijk persoon, geboren in 1955, gehuwd met het bedrijfshoofd en met een arbeidstijd op het bedrijf van gemiddeld 30 tot 38 uur per week. De hierbedoelde persoon is de echtgenoot van appellante, C.

- Op het landbouwtellingformulier is als toelichting bij de desbetreffende vragen vermeld:

" Een bedrijf met RECHTSPERSOONLIJKHEID wordt geleid door één bedrijfsleider. Een PERSOONLIJKE ONDERNEMING wordt geleid door één bedrijfshoofd of in geval van een maatschap door meer dan één bedrijfshoofd. Alle leden van een maatschap dienen als bedrijfshoofd te worden aangemerkt."

Er is ruimte om vijf bedrijfshoofden in te vullen.

- Blijkens brief van J. Pijnenborg van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, te Tilburg (hierna: ZLTO), aan verweerder d.d. 15 mei 2000 staat C aldaar ingeschreven als buitengewoon lid. Deze brief vermeldt:

" Dit lidsoort heeft de volgende betekenis bij ons; geen agrarisch bedrijf en dus niet ingeschreven staan bij bureau LASER maar toch graag lid wil zijn van de ZLTO. Dit betekent voor de contributienota dat er enkel kosten worden berekend voor het weekblad Oogst en Zuidland, kring en afdelingscontributie."

- Bij nota van 13 mei 1999 is aan C door ZLTO fl. 213,24 in rekening gebracht onder vermelding van:

" ZLTO Contributie (...)

Lid 25527 Oogst (...) 85,00

Zuidland (...) 50,13

Afdeling Kringcontributie (...) 10,00

SAS VAN GENT Afdelingscontributie(...) 60,00

______

Totaal netto 205,13

(...) Totaal BTW 8,11"

- Bij aanslag van 30 november 1999 heeft verweerder aan appellante over het jaar 1999 heffingen opgelegd van respectievelijk fl. 121,59 op grond van de Verordening HPA financieringsheffing teeltaangelegenheden 1997, fl. 156,25 op grond van de Heffingsverordening HPA fonds teeltaangelegenheden 1997 en fl. 84,84 op grond van de Heffingsverordening HPA fonds consumptieaardappelen 1997.

- Bij brief van 29 november 1999 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

- Vervolgens heeft verweerder op 28 maart 2000 een beslissing op het bezwaar genomen.

- Appellante heeft daarop op 30 maart 2000 schriftelijk gereageerd.

- Op 10 april 2000 heeft verweerder zijn besluit van 30 maart 2000 gewijzigd.

- Op 18 april 2000 is ten name van appellante opgave gedaan van een landbouwbedrijf, onder vermelding van de gegevens van haar echtgenoot als bedrijfshoofd of bedrijfsleider. Appellante zelf is niet vermeld in een van deze hoedanigheden.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Bij het besluit van 28 maart 2000 heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen:

" Op grond van de financieringsverordening en de fondsverordeningen worden de heffingen opgelegd op basis van de door u bij de landbouwtelling verstrekte gegevens, zoals deze op grond van artikel 6 van de registratieverordening door Laser aan het hoofdproductschap zijn doorgegeven.

Vast staat dat u en uw man C beiden ondernemer zijn. Voorts blijkt uit de gegevens dat ieder een eigen onderneming drijft. Nu u beiden ondernemer bent, is een heffing opgelegd ten name van u en van uw man. Voorts is gebleken dat uw man lid is van een organisatie (...). U bent zelf geen lid van een ondernemersorganisatie."

Bij het besluit van 10 april 2000 tot wijziging van het besluit van 28 maart 2000 heeft verweerder aangegeven er ten onrechte van uit te zijn gegaan dat J.V.V. C de echtgenoot van appellante is. Voorts is onder meer overwogen:

" Bij navraag bij de Z.L.T.O. is gebleken dat op de naam van C voor het lidmaatschap is betaald, maar geen contributie.

Aangezien u zelf geen lid bent van een ondernemersorganisatie en er geen contributie in de zin van voornoemde verordening is betaald, komt u derhalve niet in aanmerking voor contributieaftrek."

In de conclusie van dupliek stelt verweerder:

" 3. Feit is dat alleen appellante als ondernemer (persoonlijke onderneming) geregistreerd staat en aldus bekend is. Onjuist is het door appellante gestelde dat op het landbouwtellingsformulier slechts één persoon opgegeven kan worden. Bijlage 4 bij het verweerschrift (...) betreft een kopie van de betreffende bladzijde uit het landbouwtellingsformulier, waaruit blijkt dat indien een persoonlijke onderneming in geval van een maatschap wordt geleid door meerdere bedrijfshoofden, alle leden van een maatschap als bedrijfshoofd dienen te worden aangemerkt en aldus opgegeven op het formulier. Appellante stelt dat "zowel Govaert als Walrave beiden, gezamenlijk, één landbouwbedrijf drijven", hetgeen echter niet uit de door appellante verstrekte gegevens blijkt.

4. Ongeacht voorgaande komt appellante niet voor contributieaftrek in aanmerking, aangezien (...) geen sprake is van contributiebetaling in de zin van de Verordening HPA financieringsheffing teeltaangelegenheden 1997. Een dergelijke contributie is bij de gegeven oppervlakte (areaal) een substantieel hoger bedrag."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in haar beroepschrift het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd:

" Ten onrechte past het productschap geen contributieaftrek toe. In brief van het productschap wordt vermeld dat C geen contributie betaalt maar wel lidmaatschap. Deze begrippen zijn identiek aan elkaar.

Het akkerbouwbedrijf wordt gedreven door zowel C als D en opereert dan ook onder de naam A. De ene keer betaalt Govaert het lidmaatschap/contributie en de andere keer D zie bijlagen: contributiebetaling 1999 door C en contributiebetaling 1998 door D."

In haar conclusie van repliek heeft appellante gesteld:

" Zowel C als D drijven beiden, gezamenlijk, één landbouwbedrijf. Beiden zijn geen rechtspersoon.

Eén van beiden kan maar vermeld worden op het landbouwtellingsformulier. In 1999 was dit D, in 2000 is dit C (...)."

In haar reactie op de conclusie van dupliek heeft appellante vermeld:

" A en C vormen geen maatschap. Dit is overigens niet het enige criterium om aangemerkt te worden om gezamenlijk één landbouwbedrijf te drijven (...).

Om bij de meitelling dit te ondervangen is het ene jaar A en het andere jaar C "bedrijfshoofd". (...)

Tevens neemt A deel in het gezamenlijke landbouwbedrijf met eigendom en pacht op haar naam en tegelijk neemt C deel aan hetzelfde landbouwbedrijf met land in eigendom en pacht op zijn naam."

5. De beoordeling van het geschil

Op het formulier ten behoeve van de landbouwtelling 1999 wordt in de rubriek "gegevens bedrijfshoofd(en)/-leider" gevraagd om gegevens te vermelden van "bedrijfsleider/bedrijfshoofd 1" en van (maximaal vier) eventuele andere bedrijfshoofden. Blijkens de toelichting op het formulier wordt een persoonlijke onderneming geleid door één bedrijfshoofd of in geval van een maatschap door meer dan één bedrijfshoofd, in welk laatste geval alle leden van de maatschap als bedrijfshoofd dienen te worden opgegeven (met een maximum van vijf).

Vaststaat dat het landbouwtellingformulier 1999 ten name van appellante slechts appellante als bedrijfshoofd vermeldt. Indien appellante ten tijde van de invulling van het formulier van mening was dat ook haar echtgenoot bedrijfshoofd was, dan had zij dit tot uitdrukking kunnen brengen door haar echtgenoot als tweede bedrijfshoofd op te geven in het voor een tweede bedrijfshoofd beschikbare vakje. De omstandigheid dat de toelichting op het landbouwtellingformulier de mogelijkheid om ingeval van een persoonlijke onderneming meerdere bedrijfshoofden te vermelden beperkt tot het in de landbouw gebruikelijke samenwerkingsverband van de maatschap, hoefde appellante er niet van te weerhouden om, indien in haar geval (buiten maatschapsverband) werkelijk sprake was van meerdere bedrijfshoofden, zulks in te vullen, eventueel onder plaatsing van de kanttekening dat zij dit deed ondanks het feit dat geen sprake was van een maatschap. Nu appellante dit heeft nagelaten en evenmin is gebleken dat zij op enige andere wijze op of bij het formulier kenbaar heeft gemaakt dat sprake was van een tweede bedrijfshoofd, heeft verweerder mogen aannemen dat (enkel) appellante ten tijde van de landbouwtelling 1999 bedrijfshoofd was. Zulks geldt temeer nu op het landbouwtellingformulier 1999 appellantes echtgenoot in een andere hoedanigheid werd vermeld, namelijk als degene bij wie de dagelijkse leiding berust. Ook de omstandigheid dat de betrokkene bij de landbouwtelling van 2000 wél als bedrijfshoofd is opgegeven, hoefde voor verweerder geen reden te zijn hem in 1999 als bedrijfshoofd aan te merken.

Tevens acht het College het aanvaardbaar dat verweerder degene die volgens de landbouwtelling 1999 bedrijfshoofd was, aanmerkt als de natuurlijke persoon die in dit jaar de onderneming drijft. Appellante is dan ook terecht aangemerkt als de ondernemer die ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening HPA Financieringsheffing teeltaangelegenheden 1997 de heffing verschuldigd is.

Aangezien ingevolge artikel 5 van de Verordening HPA Financieringsheffing teeltaangelegenheden 1997 enkel aan de ondernemer die contributie heeft betaald een aftrek wordt toegestaan en vaststaat dat de onderhavige contributie - zo daarvan sprake is - niet door appellante is betaald, kan appellante aan deze bepaling geen aanspraak op een aftrek ontlenen. Aan beantwoording van de vraag of en in hoeverre het bij nota van 13 mei 1999 aan C door ZLTO in rekening gebrachte bedrag is aan te merken als (zich voor aftrek lenende) contributie in de zin van artikel 10 van deze verordening, komt het College dan ook niet toe.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr C.J. Borman en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2001.

w.g. D. Roemers de griffier is niet

in staat om de uitspraak te ondertekenen