Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2524

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-07-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/563
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/563 4 juli 2001

5135

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Visserij en Natuurbeheer, verweerder,

gemachtigde: J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 6 juli 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 mei 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar, dat appellant heeft gemaakt tegen de beslissing van verweerder op zijn aanvraag oppervlakten 1999 vereenvoudigde regeling en voederareaal in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen en de Regeling dierlijke EG-premies.

Verweerder heeft op 7 augustus 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 23 mei 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Hierbij hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, appellant in persoon en verweerder bij monde van zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 229/95, is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 4

(...)

2.a De steunaanvraag "oppervlakten" mag na de uiterste datum voor de indiening ervan worden gewijzigd op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten de wijziging uiterlijk op de data als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad ontvangen.

Wat de percelen landbouwgrond betreft, mag de steunaanvraag "oppervlakten" slechts worden gewijzigd in bijzondere gevallen die naar behoren zijn gemotiveerd, zoals met name een overlijden, een huwelijk, aan- of verkoop of de sluiting van een pachtovereenkomst. De Lid-Staten stellen de desbetreffende voorwaarden vast. Het is evenwel niet mogelijk een perceel toe te voegen aan de percelen die voor een braaklegging of als voederareaal zijn aangegeven, tenzij het een geval betreft dat overeenkomstig de desbetreffende bepalingen naar behoren is gemotiveerd en op voorwaarde dat dit perceel reeds voor braaklegging of als voederareaal was opgenomen in een steunaanvraag van een ander bedrijfshoofd, welke laatste steunaanvraag dienovereenkomstig wordt gecorrigeerd.

(...)

Artikel 5 bis

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 4 en 5 kan een steunaanvraag, in geval van een door de bevoegde instantie erkende klaarblijkelijke fout, na de indiening op elk moment worden aangepast."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 21 april 1999 heeft verweerder van appellant een formulier aanvraag oppervlakten vereenvoudigde regeling en voederareaal ontvangen. Met betrekking tot de percelen 3, 9, 10, 11 en 15 heeft appellant de gewascode 234 (zomertarwe) en de bijdragecode 800 (bijdragecode voerderareaal) ingevuld. De totale oppervlakte van deze vijf percelen bedraagt 9.75 hectare.

- Bij brief van 15 november 1999 heeft verweerder aan appellant medegedeeld dat zijn aanvraag is goedgekeurd. Voor hem is de definitieve oppervlakte voederareaal ten behoeve van de Regeling dierlijke EG-premies vastgesteld op 9.75 hectare.

- Bij een ongedateerde brief, door verweerder ontvangen op 23 december 1999, heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 november 1999. In zijn bezwaarschrift deelt appellant verweerder mede dat hij bij het invullen van zijn aanvraag de verkeerde (bijdrage)code heeft gebruikt en dat hij geen vee houdt op zijn bedrijf.

- Bij besluit van 23 mei 2000 heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Op grond van de overweging dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, heeft verweerder er van afgezien om appellant in de gelegenheid te stellen zijn bezwaar toe te lichten.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - samengevat - onder meer het volgende in.

Een aanvrager is verantwoordelijk voor het juist invullen van de aanvraag. De gevolgen van een onjuiste opgave dienen daarom voor zijn rekening te blijven tenzij sprake is van een duidelijke vergissing.

In het werkdocument van de Europese Commissie van 18 januari 1999, VI/7103/98

Rev2-NL wordt gepreciseerd wanneer sprake is van een duidelijke vergissing. Hierbij gaat het, kort gezegd, om vergissingen, die bij enkele vergelijking van de op het aanvraagformulier verstrekte gegevens reeds blijken.

Er is hier geen sprake van een zodanige fout. De aanvraag als zodanig is niet onlogisch, niet onvolledig en consequent ingevuld.

Dat appellant op de aanvraag bij de desbetreffende percelen de productieregio heeft vermeld, op zichzelf alleen noodzakelijk bij gewaspercelen die worden opgegeven voor een akkerbouwsubsidie, maakt in het onderhavige geval niet dat sprake is van een tegenstrijdige opgave. Appellant heeft immers bij alle percelen op de aanvraag de productieregio ingevuld, ook bij die percelen waar door appellant de bijdragecode 999 is gebruikt. Bovendien heeft appellant de totale oppervlakte van de in het geding zijnde percelen eveneens ingevuld onder het kopje "Totale oppervlakte voederareaal" aan de onderzijde van het aanvraagformulier.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd:

" De verkeerde code is gebruikt bij het invullen van de akkerbouw steunaanvraag (artikel 9, tweede lid van de regeling EG steunverlening akkerbouwgewassen). Wat mij betreft is er sprake van een duidelijke fout. (Conform punt 1 van het werkdocument opgesteld door de Europese Commissie)

De productieregio (zowel 1, als 2) is incorrect vermeld. Bij de aanvraag van voederareaal hoeft geen productieregio ingevuld te worden. Het formulier is dan ook niet eenduidig ingevuld waardoor een inconsequent geheel is ontstaan. Onder punt 4 van het eerder genoemde EC document tweede aandachtstreepje wordt verwezen naar gebrek aan samenhang dit is volgens mij het geval. Als Laser mijn aanvraag behandeld zouden deze fouten meteen in het oog moeten springen, bij onderzoek, zoals punt 1 van het werkdocument van de EC vermeld. Dit is door LASER niet herkend bij het lezen van het door mij ingevulde formulier.

Mijn interpretatie van de vraag voerderareaal, was gebaseerd op voertarwe cq voeder gewas. De door mij geteelde Tarwe is immers alleen geschikt voor veevoeder.

Het Centraal Buro voor statistiek heeft een opsomming gegeven van de aard van mijn bedrijf, daarin kunt u lezen dat ik geen vee heb. (bijlage)

Eerder maar ook naderhand is nooit een aanvraag voor dierlijke premie ingediend.

Ik verbouw wel 9,75 ha Zomertarwe.

Daarnaast moet het LASER opgevallen zijn dat de graan code is gebruikt en niet die van mais. In mijn beleving heb ik te goedertrouw gehandeld en is er geen sprake van bedrog.

Concludeert u met de stelling dat het geheel inhouden van de subsidie een onevenredig zware sanctie is, gelet op de kennelijke vergissing die gemaakt is bij het invullen van het formulier en gelet op het feit dat, van mijn zijde geen sprake van bedrog kan zijn, kan ik het niet eens zijn met de ongegrond verklaring op het door mijn ingediend bezwaarschrift."

Ter zitting is benadrukt, dat vanuit LASER aan appellant is medegedeeld, dat het, als hij een bezwaarschrift zou indienen, voor hem wel in orde zou komen.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt voorop dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat slechts aan het bezwaar van appellant tegemoet had kunnen worden gekomen, indien door appellant bij de aanvraag oppervlakten een klaarblijkelijke fout is gemaakt. Immers alleen in dat geval is het blijkens artikel 5 bis van Verordening (EEG) nr. 3887/92 ook na afloop van de uiterste indieningsdatum van een aanvraag mogelijk die aanvraag te wijzigen en zou het onrechtmatig zijn appellant aan zijn oorspronkelijke opgave te houden.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft in een werkdocument van

18 januari 1999, VI/7103/98 Rev2-NL, enkele richtsnoeren inzake manifeste fouten in de zin van genoemd artikel 5 bis vastgesteld. Als manifeste fouten worden in dit werkdocument aangemerkt direct in het oog springende fouten en tegenstrijdigheden, die bij een aandachtiger onderzoek van de in de aanvraag verstrekte gegevens geconstateerd worden, alsmede eigenaardigheden, die betrekking hebben op aanduidingen of nummers van percelen of dieren. Benadrukt wordt dat het moet gaan om identificatiefouten.

Fouten met betrekking tot de teelt gelden in beginsel niet als duidelijke fouten. Bij verwisseling van percelen zou een uitzondering gemaakt kunnen worden, mits het niet gaat om een perceel, dat wordt gebruikt als braakgrond of met voedergewassen beteelde oppervlakte.

Het College overweegt dat genoemd werkdocument niet is aan te merken als een verordening, een richtlijn of een beschikking in de zin van artikel 249 EG en dat derhalve aan dit werkdocument niet de verbindende kracht toekomt die verweerder hieraan wenst te verbinden. Naar zijn inhoud betreft dit werkdocument bovendien niet een limitatief systeem van mogelijke gronden om wijziging van de aanvraag na de sluitingsdatum toe te laten.

Dit neemt niet weg dat verweerder de bevoegdheid om aan de hand van dit werkdocument en de daaraan voorafgaande, qua strekking vergelijkbare werkdocumenten, binnen de door Verordening (EEG) nr. 3887/92 getrokken grenzen een vaste beleidslijn te ontwikkelen, zeker niet ontzegd kan worden.

Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de "aanvraag oppervlakten 1999 vereenvoudigde regeling en voederareaal" geen tegenstrijdigheden bevat. Uit dien hoofde bestond er derhalve geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van die aanvraag.

De omstandigheid dat appellant op de aanvraag bij de in het geding zijnde percelen tevens de productieregio heeft vermeld, hetwelk op zichzelf slechts is vereist indien voor een bepaald perceel de toekenning van subsidie wordt beoogd, maakt niet dat sprake is van een tegenstrijdigheid in de aanvraag. Mede omdat appellant bij alle percelen op de aanvraag, ook bij die percelen die hij heeft opgegeven onder bijdragecode 999, de productieregio heeft vermeld, heeft verweerder heeft deze vermelding van de productieregio terecht als een additioneel gegeven zonder zelfstandige betekenis kunnen aanmerken, althans als een gegeven dat niet noodzakelijk is voor het beslissen op de aanvraag. Bovendien heeft verweerder eens te meer van de juistheid van de opgegeven bijdragecode 800 (voederareaal) kunnen uitgaan, omdat appellant de totale oppervlakte van de aldus opgegeven percelen (nogmaals) op de aanvraag heeft vermeld onder het kopje: "totale oppervlakte voederareaal".

Ook de omstandigheid dat appellant in 1999 geen aanvraag ingevolge de Regeling dierlijke EG-premies heeft ingediend, en ook overigens geen vee op zijn bedrijf houdt, doet hier niet aan af, nu dit immers uit de onderhavige aanvraag zelf niet kan worden afgeleid.

In het licht van deze overwegingen biedt, hetgeen appellant heeft aangevoerd, geen grond voor het oordeel, dat verweerder de aanwezigheid van een klaarblijkelijke fout, als bedoeld

in artikel 5 bis van Verordening (EEG) nr. 3887/92 had moeten erkennen en naar aanleiding van appellants bezwaarschrift wijziging van de aanvraag had moeten toestaan.

Voorzover door appellant is betoogd dat hij bij het invullen van de aanvraag ter goeder trouw heeft gehandeld en hij het geheel inhouden van de gevraagde subsidie als een onevenredige sanctie beschouwt, gaat het College aan dit betoog voorbij reeds nu in het onderhavige geval van het toepassen van enige sanctie geen sprake is.

Het College merkt tenslotte op, dat hetgeen appellant eerst ter zitting naar voren heeft gebracht aangaande de door LASER bij hem gewekte verwachting, dat zijn probleem door indiening van een bezwaarschrift zou worden opgelost, reeds omdat de beweerde uitspraak te vaag en algemeen is geen grond kan opleveren voor het oordeel dat verweerder anders heeft moeten beslissen dan bij het bestreden besluit gedaan.

Het beroep dient gelet op het vorengaande ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr H.G. Lubberdink, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2001.

w.g. D. Roemers w.g. R.P.H. Rozenbrand