Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2339

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-06-2001
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
AWB 99/861
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/861 27 juni 2001

5040

Uitspraak op de verzoeken om herziening van:

1. A, te B,

2. C, te D,

3. E, te B,

verzoekers.

1. De procedure

Op 21 september 1999 heeft het College van ieder van de verzoekers een brief ontvangen, waarin wordt aangegeven dat zij het niet eens zijn met de uitspraak van het College van 11 augustus 1999 op hun beroepschriften in de zaken AWB 97/603, 97/605 en 97/606, gericht tegen besluiten van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Minister).

In vervolg hierop is bij brief van 28 oktober 1999 namens verzoekers verzocht om herziening van deze uitspraak.

De gronden die aan de herzieningsverzoeken ten grondslag liggen zijn ingediend op 6 december 1999.

Bij schrijven van 27 januari 2000 heeft mr B.C. Brouwer, werkzaam bij de Belastingdienst/Douane district Arnhem, namens de Minister geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2001. Verzoeker sub 1 was hierbij in persoon aanwezig; hij vertegenwoordigde tevens verzoekers sub 2 en 3.

De Minister werd vertegenwoordigd door mr Brouwer voornoemd, en door mr A.A. Kop, werkzaam bij de Belastingsdienst/Douane district Rotterdam.

2. De gronden van de herzieningsverzoeken

In hun op 21 september 1999 ontvangen brieven, die als onderdeel van de herzieningsverzoeken vallen aan te merken, hebben verzoekers aangevoerd dat zij niet voldoende in de gelegenheid zijn geweest zich te verweren in de beroepsprocedure. Zij hebben namelijk vernomen dat hun belastingdeskundige, mr A.M.T. Janssen, niet ter zitting is verschenen.

In de op 6 december 1999 ingediende nadere gronden hebben verzoekers ter ondersteuning van hun verzoek - samenvattend weergegeven - het volgende aangevoerd.

Als nieuwe feiten voeren verzoekers aan dat zij onlangs in het bezit zijn gekomen van een aantal verklaringen over de interne gang van zaken bij F en de gang van zaken tijdens de transporten.

De eerste verklaring, van 1 december 1999, is van G, voormalig bedrijfsleider van F. Deze verklaart dat de T1-documenten door H in Hamburg meestal bij de chauffeurs werden ingenomen en dat A hierbij nooit aanwezig was. Tevens wordt verklaard dat A hiervoor nooit enige beloning heeft gekregen.

De andere twee verklaringen zijn van I (d.d. 2 december 1999) en van J (d.d. 3 december 1999), beiden chauffeurs van verzoekster sub 2. Verzoekers leggen deze verklaringen over, omdat hieruit zou blijken dat A nooit aanwezig is geweest bij de inname van de documenten en dat de transporten wel degelijk in Spanje zijn aangekomen.

Gelet op deze verklaringen kan niet als vaststaand worden aangenomen dat A bij de verwisseling van de documenten betrokken was. Tegenover deze verklaringen staat immers slechts de verklaring van één getuige, chauffeur K, waaruit hooguit zou kunnen worden afgeleid dat A één keer een formulier van een niet gespecificeerd transport zou hebben ingenomen.

Ten aanzien van de door het College in zijn uitspraak van 11 augustus 1999 in aanmerking genomen verklaringen van L en M merken verzoekers op dat deze beiden een arbeidsconflict hadden met A en derhalve niet geheel onbevooroordeeld waren.

Bovendien verklaart L slechts dat hij de documenten aan G en H moest geven en dat hij van A de opdracht had gekregen hen te gehoorzamen.

Ook M verklaart dat hij de T1-documenten aan G of H moest geven. Van de door M en K op 6 november 1995 geladen transporten staat niet vast dat de stempels vals zijn of dat deze op een andere bestemming zijn aangekomen dan is vermeld in de T1-documenten.

Ter zitting is namens verzoekers nog verklaard dat de herziening vooral is gevraagd vanwege het feit dat de Douane geen verklaring van G heeft willen afnemen, terwijl deze getuige voor de onderhavige zaken relevante informatie had kunnen verstrekken en vanwege het feit dat er ritstaten bestaan, waaruit zou kunnen blijken dat steeds naar Spanje is gereden.

3. De beoordeling van de verzoeken

Ingevolge artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan het College op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden, die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij het College eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Ter zitting van 6 mei 1999 is verzoeker sub 1 in persoon verschenen. Hij heeft aldaar, tevens in zijn hoedanigheid als gemachtigde van verzoeksters sub 2 en 3, kunnen waarnemen dat mr Janssen niet aanwezig was. Dientengevolge is diens afwezigheid niet aan te merken als omstandigheid welke bij de indieners van het verzoek om herziening vóór de uitspraak niet bekend was. Aan de hiervóór onder b vermelde voorwaarde wordt dan ook niet voldaan.

De bij het herzieningsverzoek overgelegde verklaring van G van 1 december 1999 heeft betrekking op het innemen door H van de T1-documenten in Hamburg. Dat A hierbij niet aanwezig is geweest (en hiervoor geen betaling heeft ontvangen), is niet in tegenspraak met hetgeen het College in zijn uitspraak van 11 augustus 1999 heeft overwogen. De verklaring laat zich immers niet uit over de gang van zaken met betrekking tot de achttien in Nederland afgegeven T1-documenten en het al dan niet aanwezig zijn van A bij het innemen van deze documenten na vertrek van de goederen uit het douane-entrepot Barneveld. Aan de voorwaarde, hierboven weergegeven onder c, wordt met betrekking tot deze verklaring dan ook in ieder geval niet voldaan.

De verklaringen van I en van J zijn afkomstig van chauffeurs van verzoekster sub 2. Dit brengt mee dat geoordeeld moet worden dat de inhoud van hetgeen wordt verklaard voorafgaand aan de uitspraak van 11 augustus 1999 bij verzoekers bekend was c.q. redelijkerwijs bekend kon zijn. Bedoelde verklaringen kunnen dus reeds geen grond voor herziening zijn, omdat niet aan de hierboven onder b geformuleerde voorwaarde wordt voldaan.

De ter zitting betrokken stellingen dat de Douane geen verklaring van G heeft willen afnemen en dat er ritstaten bestaan waaruit zou blijken dat steeds naar Spanje is gereden

- in de juistheid van welke stellingen het College niet treedt - vormen, gelet op voorwaarde b, evenmin grond voor herziening, nu beide omstandigheden aan A bekend waren vóór de uitspraak van het College in de onderhavige beroepszaken.

Hetgeen verzoekers overigens hebben aangevoerd, maar komt neer op een betoog, inhoudend dat het College een verkeerde waardering heeft gegeven aan de reeds bekende feiten en omstandigheden. Zoals uit vorenweergegeven criteria blijkt, strekt het buitengewone rechtsmiddel van herziening er niet toe een dergelijke waardering ter discussie te stellen. Ook in zoverre bestaat er geen grond voor herziening.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de verzoeken om herziening te worden afgewezen.

4 De beslissing

Het College wijst de verzoeken om herziening af.

Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, mr C.J. Borman en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2001.

w.g. H.G. Lubberdink w.g. R.P.H. Rozenbrand