Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2338

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-06-2001
Datum publicatie
30-08-2001
Zaaknummer
AWB 00/427 en 00/428
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/427 en 00/428 26 juni 2001

20010

Uitspraak in de zaak van:

1) A, te B, en 2) C, te D, appellanten van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 9 maart 2000,

gemachtigde: mr S.M.J. van Groenendael-Rijken, advocaat te Waalre.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 24 maart 2000, heeft de raad van tucht appellanten afschrift toegezonden van zijn op 9 maart 2000 genomen beslissing op een klacht, op 27 september 1999 ingediend tegen appellanten door E alsmede door F (hierna: klagers).

Bij op 24 mei 2000 bij het College ingediend beroepschriften hebben appellanten tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 31 mei 2000 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Op 5 juli 2000 hebben klagers een verweerschrift, tevens incidenteel beroepschrift ingediend.

Het College heeft de beroepen behandeld ter terechtzitting van 3 april 2001. Appellanten en klagers hebben hun standpunt doen toelichten, door mr van Groenendael-Rijken voornoemd respectievelijk mr W.M. Sturms, advocaat te Leeuwarden. Ter zitting heeft

mr Wurms het incidenteel beroepschrift ingetrokken.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van de raad van tucht, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.

Hieraan kan worden bijgevoegd hetgeen appellanten onbestreden hebben gesteld, namelijk dat F tijdens de bespreking op 13 juni 1996 over meer spraken dan waarover op 23 februari 1996 door hen overeenstemming was bereikt.

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht tegen appellant sub 1 (hierna: A) gegrond verklaard zonder aan hem een maatregel op te leggen, alsmede met betrekking tot de tegen appellant sub 2 (hierna: C) ingediende klacht onderdeel 1 ongegrond en de onderdelen 2 en 3 gegrond verklaard, eveneens zonder hem een maatregel op te leggen.

4. De middelen van beroep

C heeft met betrekking tot het tweede onderdeel van de klacht, inhoudende dat hij in het geschil tussen F ten onrechte niet boven partijen is gaan staan doch positie heeft ingenomen aan de zijde van F, aangevoerd dat de raad van tucht dit ten onrechte gegrond heeft verklaard. Hij voert hiertoe het volgende aan.

De raad van tucht heeft de klacht dat C zich in het geschil tussen gebroeders F heeft opgesteld aan de zijde van F opgerekt door hieronder ook te begrijpen dat C een ondoorzichtige situatie heeft gecreëerd door een directe collega (A) mee te nemen en niet duidelijk te maken wat diens positie tijdens de bespreking van 13 juni 1996 was. Nergens blijkt dat klagers meer of anders bedoelden dan zij in hun klacht hebben weergegeven.

Subsidiair voert C aan dat hij geen ondoorzichtige situatie heeft gecreëerd. Hij heeft zijn compagnon, A, als notulist bij de bespreking betrokken. Met zijn verklaring dat "zijn compagnon A F ter zijde stond" heeft hij slechts bedoeld dat A als klankbord heeft gefungeerd voor F. F zelf heeft nimmer gesteld dat hij A als zijn persoonlijk adviseur aanmerkte. Over de positie van A bestaat geen discussie, zodat hierover niet geklaagd is. C benadrukt dat F als accountant-administratieconsulent geen leek te noemen is. Van hem mag worden verwacht dat hij bij enige onduidelijkheid om duidelijkheid had gevraagd.

Beide appellanten voeren - samengevat - met betrekking tot onderdeel 3 van de klacht aan, welk onderdeel zich zowel tegen A als tegen C richt en de advisering over de reorganisatie-vrijstelling voor overdrachtbelasting betreft, dat dit door de raad van tucht ten onrechte gegrond is verklaard.

Appellanten merken op dat wezenlijk onderdeel van het geheel van feiten is, dat de broers F tijdens de bespreking van 13 juni 1996 over meer spraken dan waarover op

23 februari 1996 overeenstemming was bereikt. Tijdens de bespreking van 13 juni 1996 werd ook besloten de aandelen in E, waarin een aanzienlijke stille reserve besloten lag, over te dragen. Hierom was het niet meer dan logisch dat F meer zou betalen dan de eerder overeengekomen fl. 5 miljoen. A is bij de bespreking op

13 juni 1996 niet als persoonlijk adviseur voor F opgetreden. Over de rol van A is niet geklaagd. Het ligt ook niet voor de hand dat A, als notulist bij de bespreking van 13 juni 1996 aanwezig, van advies heeft gediend. A was bereid een bedrag van fl. 5,5 miljoen te betalen. De overdrachtsbelasting komt voor rekening van de koper, hierover is geen uitdrukkelijk afwijkende afspraak gemaakt. F moet bewijzen dat hij slechts bereid was de koopprijs van fl. 5,5 miljoen te betalen doordat hij in de veronderstelling verkeerde geen overdrachtsbelasting te hoeven betalen. Dit ligt niet voor de hand. In beginsel neemt de koper de overdrachtsbelasting voor zijn rekening en de verhoging van de oorspronkelijke prijs van fl. 5 miljoen was gerechtvaardigd doordat meer werd overgedragen. In dit kader moet de suggestie van A dat mogelijk een beroep op de reorganisatievrijstelling kon worden gedaan, geplaatst worden. Hieruit volgt dat appellanten zich wel degelijk tot een signalering konden beperken. Het ging immers om een mogelijke meevaller en niet om een ingecalculeerd financieel voordeel.

Appellanten benadrukken dat F zelf accountant-administratieconsulent is en dus geen leek te noemen is. Van hem mag worden verwacht dat hij deze suggestie op waarde wist te schatten, althans dat hij meer zekerheid had moeten vragen indien hij daadwerkelijk de koopprijs van de vrijstelling had willen laten afhangen. Dit aspect is ook van belang voor de beoordeling van de gegrondheid van de klacht en niet slechts bij de beslissing omtrent het al dan niet opleggen van een maatregel, zoals de raad van tucht heeft gemeend.

Verder merken appellanten op dat de broers F op 13 juni 1996 overeenstemming hebben bereikt en dat laatstgenoemden terzake op 18 juni 1996 de notaris bezochten. Als zij al de mogelijkheden terzake van het gebruik maken van de reorganisatievrijstelling hadden moeten onderzoeken dan hebben zij daar in ieder geval geen enkele gelegenheid toe gekregen.

Appellanten voeren voorts aan dat F geen opdracht heeft gegeven de gedane suggestie nader uit te zoeken.

5. De beoordeling

5.1 Het klaagschrift door klagers ingediend bij de raad van tucht bevat onder meer de volgende passage:

" De klachten tegen C betreffen, kort samengevat:

1. (...);

2. dat hij, hoewel hij als accountant van alle betrokken partijen boven partijen zou moeten staan, positie in het geschil tussen partijen heeft ingenomen door de kant van F te kiezen;

3. (...)."

Aan deze samenvatting gaat in het klaagschrift onder meer de volgende toelichting vooraf:

" Hoewel hij accountant van alle betrokken vennootschappen was heeft C uitdrukkelijk ervoor gekozen de belangen van F te behartigen en hem tijdens deze bespreking met raad en daad bij te staan. Naar eigen zeggen om enigszins het evenwicht te herstellen heeft hij op eigen initiatief geregeld dat zijn kantoorgenoot A, die verder met de kwestie niet bekend was F zou bijstaan."

C heeft in zijn bij de Raad van tucht ingediende verweerschrift terzake van dit klachtonderdeel onder meer opgemerkt:

" Tevens heb ik mijn kantoorgenoot A verzocht bij deze bespreking aanwezig te zijn. Het ging om grote belangen en het was niet duidelijk hoe de heren F zouden reageren. Ik vond het derhalve raadzaam deze bespreking niet alleen met de heren F te voeren."

In de klacht is door klager derhalve tevens de positie die door A is ingenomen aan de orde gesteld. C heeft dat blijkens zijn verweer ook aldus opgevat. Uit de notulen van de zitting van de raad van tucht gehouden op 31 januari 2000 blijkt eveneens dat hij onder het betreffende klachtonderdeel ook heeft begrepen de positie die tijdens de bespreking op 13 juni 1996 is ingenomen door A. Het College is van oordeel dat de raad van tucht onder deze omstandigheden de klacht kon opvatten zoals hij heeft gedaan zonder het recht op verweer van betrokkene te miskennen. Het primaire onderdeel van het eerste middel van C is daarom ongegrond.

Wat betreft het subsidiaire onderdeel van dit middel is door C bij herhaling gesteld, onder meer in zijn beroepschrift alsmede bij de mondelinge behandeling voor het College, dat A als klankbord heeft gefungeerd voor F. Daarnaast heeft hij in een getuigenverklaring afgelegd voor de arrondissementsrechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) verklaard: "mijn compagnon A stond F ter zijde". Uit hetgeen door A ter zake op 16 mei 1997 voor de rechtbank is verklaard wordt verder duidelijk dat laatstgenoemde ook zelf elementen in het overleg heeft ingebracht, waaronder de mogelijkheid van een beroep op een reorganisatie-vrijstelling voor de overdrachtsbelasting. Weliswaar heeft C in beroep gesteld dat hij zijn compagnon A als notulist bij de bespreking had betrokken maar daarvan blijkt niets uit de reeds aangehaalde door A bij de rechtbank afgelegde verklaring. Uit de door C bij de rechtbank afgelegde verklaring blijkt daarentegen dat het verslag van deze bespreking door C zelf ongeveer een half jaar later is gemaakt. Uit dit verslag blijkt ook niet dat C aan de aanwezigen heeft medegedeeld dat A slechts de vergadering zou notuleren. Op grond van deze feiten en omstandigheden is het College van oordeel dat C niet voldoende duidelijk heeft gemaakt wat de positie van A tijdens de bijeenkomst van 13 juni 1996 was en aldus heeft nagelaten de noodzakelijke maatregelen te treffen om te verhinderen dat hierover onduidelijkheid zou kunnen ontstaan. Bij klagers is blijkens hun stelling in de bij de raad van tucht ingediende klacht ook daadwerkelijk de indruk ontstaan dat C s' compagnon A F zou bijstaan. Dat klagers nimmer zouden hebben gesteld dat A als hun persoonlijk adviseur aangemerkt diende te worden doet hieraan niet af omdat tenminste ruimte is gelaten voor het ontstaan van de indruk dat klagers konden vertrouwen op het onafhankelijk oordeel en de deskundigheid van de compagnon van C. Evenmin doet hieraan af dat van F als accountant-administratieconsulent had mogen worden verwacht dat hij bij onduidelijkheid om opheffing daarvan had verzocht aangezien het primair de verantwoordelijkheid van C was te voorkomen dat onduidelijkheden ontstonden of konden ontstaan. Dit vloeit voort uit artikel 9, tweede lid, van de Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994 (GBR-1994). Het subsidiaire onderdeel van het middel van C moet derhalve worden verworpen.

Dit middel treft derhalve geen doel.

5.2 Bij de beoordeling van het door appellanten tegen de beslissing van de raad van tucht op het derde klachtonderdeel opgeworpen middel acht het College van belang dat C zijn compagnon, A, als notulist bij de bespreking van 13 juni 1996 heeft betrokken. Ook volgens de stellingen van C zelf heeft A als klankbord voor F gefungeerd. Tijdens deze bespreking heeft A ook zelf elementen in het overleg gebracht. Eén van deze elementen betrof de mogelijke toepasselijkheid van de reorganisatievrijstelling. Ook indien geen verband zou zijn gelegd tussen de hoogte van de koopprijs en het al dan niet verschuldigd zijn van overdrachtsbelasting had het in de rede gelegen dat A of C, die laatstgenoemde bij de bespreking had betrokken, duidelijkheid had verschaft of het al dan niet een reële mogelijkheid betrof voor de oplossing van het geschil waarbij klagers betrokken waren. In ieder geval meent het College dat aan klagers tenminste duidelijk had moeten worden gemaakt dat deze suggestie geen deugdelijke grondslag als bedoeld in artikel 11, eerste lid, GBR-1994 had en derhalve nader diende te worden onderzocht alvorens zij hierop konden vertrouwen. Appellanten hebben het een noch het ander gedaan waardoor bij klagers de indruk is gewekt dat het een reële mogelijkheid betrof. Het argument van appellanten dat tussen het moment van de bespreking, 13 juni 1996, en de notariële vastlegging, 18 juni 1996, geen gelegenheid bestond tot nader onderzoek doet hieraan niet af, nog daargelaten of dit argument feitelijk juist is. Ook de opvatting van appellanten dat het niet meer dan logisch was dat F meer zou betalen dan het bedrag van fl. 5 miljoen dat eerder tussen partijen was overeengekomen omdat ook de transactie meer zou omvatten te weten de aandelen in E, is hierbij irrelevant, evenals het antwoord op de vraag of het een mogelijke meevaller dan wel een ingecalculeerd financieel voordeel zou betreffen. Evenmin is van belang of F als accountant-administratieconsulent geacht mocht worden de door appellanten aangedragen suggesties op hun waarde te kunnen schatten. De gestelde deskundigheid van F kan er niet aan afdoen dat appellanten verantwoordelijk waren voor de deugdelijkheid van hun suggesties. Het tweede middel van C en het enige middel dat door A tegen de bestreden uitspraak is aangevoerd moeten derhalve worden verworpen.

Aangezien de aangevoerde middelen worden verworpen, dienen ook de beroepen te worden verworpen.

De na te melden beslissing berust op het bepaalde in titel II, § 6 van de Wet op de Registeraccountants en op artikel 9, tweede lid, en artikel 11, eerste lid, GBR-1994.

6. De beslissing

Het College verwerpt de beroepen.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2001.

w.g. C.M. Wolters w.g. I.K. Rapmund