Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2337

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-06-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/466 en 99/467
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 99/466 en 99/467 21 juni 2001

27600

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te C, appellanten,

gemachtigde: mr F.H. de Jong, te Mijdrecht,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr C.M. Gajadhar en D. Jager, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Bij gelijkluidende beroepschriften, bij het College ontvangen op 18 mei 1999, is namens appellanten beroep ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 9 april 1999.

Bij deze, gelijkluidende, besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellanten, tegen de afwijzing van hun verzoeken om verklaringen af te geven als bedoeld in artikel 11, aanhef en eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB).

Bij brieven van 30 augustus 1999 hebben appellanten de gronden van hun beroepen aangevoerd.

Op 26 oktober 1999 heeft verweerder terzake van de twee beroepen gelijkluidende verweerschriften ingediend.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van het College, gehouden op 29 maart 2001, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben uiteengezet.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet IB is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 11

1. In geval in een kalenderjaar:

a. (...);

b. in een onderneming die de belastingplichtige voor eigen rekening feitelijk drijft voor een bedrag van meer dan f 3700 wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van investeringen die door Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie (energie-investeringen), wordt - onverminderd de toepassing van onderdeel a - op verzoek bij de aangifte van de belastingplichtige een in het tweede lid, onderdeel b, aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).

(...)

-12. Bij ministeriële regeling kunnen:

a. in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken - zo nodig afwijkende - regels worden gesteld met betrekking de in het eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, bedoelde verklaring;"

Op grond van deze bepaling is vastgesteld de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek (hierna: de Uitvoeringsregeling), waarbij onder meer is bepaald:

" Artikel 2

Als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie

(energie-investeringen) als bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage 1 van deze regeling, mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen."

In de in dit artikel 2 bedoelde bijlage (hierna: de Energielijst 1998) is onder meer het volgende bepaald:

" Bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen voor EIA dienen tenminste te

bestaan uit de bestanddelen vermeld achter 'en bestaande uit'. Indien zij uit deze bestanddelen bestaan mogen de bestanddelen vermeld achter '(eventueel)' daaraan worden toegevoegd.

Tot de bestanddelen kunnen tevens gerekend worden, voorzieningen (zoals leidingen, appendages en meet- en regelapparatuur) die technisch noodzakelijk zijn voor en uitsluitend dienstbaar zijn aan deze bedrijfsmiddelen en derhalve geen zelfstandige betekenis hebben.

(...)

(241207) Lichtgewicht aramide koelcontainer

Bestemd voor: het wegvervoer, railvervoer, watervervoer of intermodaal vervoer, en bestaande uit: koelcontainer met aramide wanden met een lengte vantenminste 6 meter en met een dikte van het isolatiemateriaal van tenminste 42 mm."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten komen vast te staan.

- Bij daartoe bestemde formulieren, door verweerder ontvangen op 21 september 1998, hebben appellanten aanvragen gedaan om verklaringen dat de daarbij aangemelde investeringen in het bedrijfsmiddel 'lichtgewicht aramide koelcontainer' onder code 241207 in de Energielijst 1998, investeringen zijn, die zijn aangewezen, als zijnde in het belang van een doelmatig gebruik van energie in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB (hierna: energie-verklaring).

- Bij brief van 29 oktober 1998 en in een telefonisch onderhoud van 30 oktober 1998 hebben appellanten desgevraagd verweerder nadere gegevens over de bedrijfsmiddelen verstrekt.

In de notitie die van voornoemd telefonisch onderhoud tussen de gemachtigde van appellanten en verweerder is opgesteld, staat het volgende vermeld.

" - Het zijn geen koelcontainers

- wat wordt er vervoerd; bloemen

F. de Jong is verbaasd en gaat overleggen."

- Tevens hebben appellanten en verweerder op 30 oktober 1998, 2 november 1998,

6 november 1998 en 15 december 1998 telefonisch overleg gevoerd over de bedrijfsmiddelen. In de telefoonnotitie van 30 oktober 1998 staat het volgende vermeld.

" Volgens hem/Burgers wordt aan alle techn. voorwaarden

voldaan.

Dit ontken ik ook niet.

Volgens Rijksdienst v. Wegverkeer is dit een koelcontainer.

Er zit niet zozeer verwarming in maar luchtcirculatie."

In de notitie die van het telefonisch onderhoud van 2 november 1998 is opgesteld, staat het volgende vermeld:

" Vroeg of er al wat bekend is,

gezegd dat ik het in Upo heb aangemeld.

Hij zei dat bij hun werd

bespaard omdat anders voor

zwaardere containers werd

gekozen"

In de notitie die van het telefonisch onderhoud van 6 november 1998 is opgesteld, staat het volgende vermeld.

" Gebeld door F. de Jonge

Gezegd dat wij waarschijnlijk afgaan op RDW

even wachten op boekje

ziet er dus pos. uit volgens hem"

In de notitie die van het telefonisch onderhoud van 15 december 1998 is opgesteld, staat, onder meer, het volgende vermeld.

" Teruggebeld door de heer de Jong. Medegedeeld dat deze investering niet

in aanmerking komt voor Energie-investeringsaftrek, wegens het ontbreken

van een koelinstallatie. Hij vindt dit een belachelijke gang van zaken. Hij

beweert dat ik gezegd zou hebben, dat Senter aansluit bij het standpunt

voor het Rijksdienst voor Wegverkeer. Gezegd dat hij dit dan verkeerd

begrepen heeft, want dat ik in het laatste telefoongesprek heb gezegd dat ik

de omschrijvingen die het RDW hanteert zal opvragen en zal kijken of wij

hierop aan kunnen sluiten, maar dat ik niet heb gezegd dat het wel goed zit.

(...)"

- Bij besluiten van 18 december 1998 heeft verweerder op de aanvragen om energieverklaringen afwijzend beslist. In die besluiten heeft verweerder onder meer het volgende te kennen gegeven:

" (...)

Hierbij deel ik u mee dat ik voor het door u gemelde bedrijfsmiddel geen verklaring kan afgeven.

D heeft melding gedaan voor 2 carrosserieën onder code 241207 van de energielijst 1998. Deze carrosserieën worden echter niet gekoeld door een koelinstallatie, maar verwarmd c.q. de lucht wordt gecirculeerd door middel van twee rijen verwarmingskanalen.

Gezien het feit dat onder code 241207 van de energielijst 1998 wordt

aangegeven dat het om een koelcontainer moet gaan, komen deze carrosserieën niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek."

- Bij brieven van 28 januari 1999 hebben appellanten tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

- Op 10 maart 1999 zijn appellanten op hun bezwaren gehoord.

- Bij brief van 25 maart 1999 hebben appellanten nadere informatie over de bedrijfsmiddelen verstrekt. In deze brief hebben appellanten het volgende naar voren gebracht.

" Wij kunnen u berichten dat er in beginsel geen koelinstallatie op de carrosserieën zal worden geplaatst. Door het gebruik van isolatiemateriaal zoals omschreven op de energielijst onder nummer 241207, kunnen de goederen bij een gecontroleerde temperatuur worden vervoerd. (...)".

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluit

Bij de bestreden besluiten is onder meer als volgt overwogen en beslist:

" (...)

Teneinde uw aanvraag te kunnen beoordelen, heb ik u door middel van mijn fax van 28 oktober 1998 om aanvullende informatie gevraagd. Deze informatie heb ik op 29 oktober 1998 van u ontvangen. Naar aanleiding van deze informatie ben ik tot de conclusie gekomen dat er in uw geval geen sprake is van koelcontainers. In de opdrachtbevestiging van 14 september 1998 staat namelijk vermeld dat in de gesloten carrosserieën verwarmingskanalen worden aangebracht. Bovendien worden er geen koelmachines aangebracht.

(...) Mij is niet gebleken dat u tijdens een telefonisch onderhoud een mondelinge toezegging is gedaan omtrent te verstrekken energie-investeringsaftrek. Tijdens het telefonische onderhoud op 6 november 1998 is gesproken over het aansluiten bij de omschrijving van de RDW. Daarbij is echter tevens aangegeven dat ik nog aanvullende informatie van de RDW zou ontvangen. Op basis van dit gesprek hebt u kennelijk geconcludeerd dat de energie-investeringsaftrek zou worden verleend omdat u in de veronderstelling verkeerde dat de RDW de

bedrijfsmiddelen als koelcontainer zou aanmerken. Dat u vervolgens beslist hebt de investering in de oorspronkelijk vorm doorgang te laten vinden, acht ik een omstandigheid die voor uw eigen risico dient te komen. U had pas volledige zekerheid gekregen over het al dan niet verkrijgen van energie-investeringsaftrek als u een verklaring had ontvangen. Zoals gezegd verwachtte ik nog informatie van de RDW. De informatie die ik van de RDW heb ontvangen leert mij dat uw bedrijsfmiddelen door de RDW als geconditioneerde voertuigen aangemerkt worden. Het gaat daarbij om voertuigen die zijn ingericht voor het vervoer van goederen bij een gecontroleerde temperatuur. Het kan daarbij zowel om verwarmen als om koelen gaan. Daaruit concludeer ik dat deze omschrijving ruimer is dan de omschrijving van de code waaronder u de investering hebt aangemeld. Bij de omschrijving van code 241207 wordt immers over koelcontainers gesproken. Een koelcontainer wordt door de RDW als geconditioneerd voertuig aangemerkt echter, een geconditioneerd voertuig behoeft geen koelcontainer te zijn. De classificatie die de RDW aan de bedrijfsmiddelen geeft kan mij daarom geen antwoord geven op de vraag of de investering voldoet aan de omschrijving van code 241207.

Op basis van de informatie die ik van u heb ontvangen blijf ik van mening dat in dit geval niet over koelcontainers gesproken kan worden. Er is op geen enkele wijze sprake van geforceerde koeling door middel van een koelinstallatie. Daarom wordt niet voldaan aan de omschrijving van code 241207. Ik zal voor de door u gemelde investeringen niet alsnog een verklaring afgeven."

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder daaraan nog het volgende toegevoegd.

Op basis van de informatie van appellanten kan niet worden staande gehouden dat er sprake is van koelcontainers, aangezien de containers wellicht worden verwarmd of geventileerd, maar niet geforceerd worden gekoeld door middel van een koelinstallatie. Gelet daarop wordt niet voldaan aan de omschrijving van code 241207 in de Energielijst 1998.

De stelling van appellanten, inhoudende dat verweerder in een telefonisch onderhoud met hun gemachtigde heeft meegedeeld dat bij de uitleg van het begrip 'koelcontainer' aansluiting zou worden gezocht bij de uitleg die door de RDW daaraan wordt gegeven, is onjuist.

Immers, op 30 oktober 1998 is de gemachtigde van appellanten telefonisch meegedeeld dat de onderhavige aanvraag niet wordt ingewilligd, omdat er geen sprake is van koelcontainers. In een nadien gevoerd telefonisch gesprek bracht de gemachtigde van appellanten de definiëring van het begrip 'koelcontainer' van de RDW naar voren. Uit welwillendheid is door verweerder aangegeven dat hij naar aanleiding van die mededeling zich zou beraden over de mogelijkheid om bij de uitleg van het begrip 'koelcontainer' aansluiting te zoeken bij de uitleg die door de RDW aan dat begrip wordt gegeven. De gemachtigde van appellanten is daarbij niet meegedeeld dat verweerder daadwerkelijk aansluiting zou zoeken bij de uitleg die de RDW aan het begrip 'koelcontainer' geeft.

Slechts is gezegd dat dit waarschijnlijk zou worden gedaan. Uit de door verweerder daaromtrent ontvangen informatie is echter gebleken dat de RDW een ruimere omschrijving van het begrip 'koelcontainer' hanteert. Deze omschrijving kwam ook niet overeen met de omschrijving van het bedrijfsmiddel in de Energielijst 1998, zodat is besloten dat niet wordt aangesloten bij de definiëring van de RDW.

Indien appellanten in deze duidelijkheid hadden willen hebben, zou het op hun weg hebben gelegen de beschikking in primo af te wachten. Ook zouden zij in dat geval een schriftelijke bevestiging van verweerder hebben kunnen vragen. Dit hebben zijn niet gedaan.

De opsomming van bedrijfsmiddelen in de Energielijst 1998 heeft een limitatief karakter.

Het door appellanten genoemde rapport van de Algemene Rekenkamer heeft geen betrekking op de inhoud van de Uitvoeringsregeling, de energielijst of de uitvoering van de beoordeling van verzoeken om verklaringen zijdens verweerder. Gelet daarop is er geen sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van hun beroep, samengevat weergegeven, het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

Ten onrechte heeft verweerder op de aanvragen om energieverklaringen afwijzend beslist.

Ten onrechte heeft verweerder de voorwaarde gesteld dat er sprake moet zijn van geforceerde koeling, aangezien deze voorwaarde niet wordt vermeld in code 241207 in de Energielijst 1998.

De weigering van verweerder om de gevraagde verklaringen ten behoeve van de koelcontainers te verstrekken moet onrechtmatig worden geacht, daar verweerder, bij monde van mevrouw van Oorspronk, aan de gemachtigde van appellanten in een telefonisch onderhoud op 6 november 1998 heeft meegedeeld dat bij de uitleg van het begrip 'koelcontainer' aansluiting zou worden gezocht bij de uitleg die door de RDW daaraan wordt gegeven.

Voorafgaande aan hierboven genoemd telefoongesprek van 6 november 1998 is van de zijde van verweerder medegedeeld dat dit vraagstuk in een interne vergadering zou worden besproken. Het wekt bevreemding dat van die interne vergadering geen verslag in het dossier aanwezig is. In het telefonisch onderhoud van 6 november 1998 is vanwege verweerder bij appellanten de indruk gewekt dat tijdens deze interne vergadering een definitief standpunt is ingenomen inzake het toekennen van de energie-investeringsaftrek. Verweerder is op zijn eerdere afwijzende beslissing zoals op 30 oktober 1998 telefonisch gedaan, teruggekomen.

Het gesprek van 6 november 1998 dient gekwalificeerd te worden als een 'goed nieuws'-gesprek. Indien de afwijzing van de aanvraag zo evident was als verweerder thans stelt, had het op de weg gelegen van verweerder om daaromtrent jegens appellanten van meet af aan duidelijkheid te scheppen. Dit is echter niet gedaan. Dit klemt te meer nu de gemachtigde van appellanten in het gesprek van 6 november 1998 te kennen heeft gegeven dat de zaak er zijns inziens positief uitzag.

De van verweerder verkregen informatie terzake van voornoemde aansluiting bij de definiëring van het bedrijfsmiddel 'koelcontainer' van de RDW en de afgifte van de energieverklaringen ten behoeve van de koelcontainers door verweerder is voor appellanten van doorslaggevende betekenis geweest bij het nemen van de investeringsbeslissing ter zake van de koelcontainers.

Gelet op voornoemde toezegging is verweerder op grond van het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel gehouden de energieverklaringen terzake van de koelcontainers af te geven.

Gelet op het op 18 maart 1999 uitgebrachte rapport van de Algemene Rekenkamer, Belastingen als beleidsinstrument, waarin de resultaten van een onderzoek naar de energie-investeringsaftrek zijn neergelegd en waarin een aantal gebreken is geconstateerd in de beleidsvoorbereiding alsmede de hierboven genoemde onduidelijkheid over het begrip koelcontainer, is er sprake van onduidelijke regelgeving inzake de energie-investeringsaftrek, hetgeen niet ten nadele van appellanten mag worden gebracht.

Appellanten vorderen vernietiging van de bestreden besluiten onder gegrondverklaring van hun beroep.

5. De beoordeling van het geschil

Ter beoordeling ligt allereerst de vraag voor of de investeringen in de onderhavige containers zijn aan te merken als energie-investering in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Ib. Het College overweegt daaromtrent als volgt.

Ingevolge artikel 2 van de Uitvoeringsregeling komen slechts die investeringen in (onderdelen van) bedrijfsmiddelen voor een energieverklaring in aanmerking, die zijn aangewezen in de Energielijst 1998 en die bestaan uit de in die bijlage genoemde bestanddelen. Voormeld artikel sluit naar tekst en strekking aldus investeringen uit die niet op de Energielijst 1998 voorkomen.

Het College is van oordeel dat de onderhavige containers, die niet mechanisch worden gekoeld door een koelinstallatie maar waarin sprake is van luchtcirculatie via twee rijen kanalen, een isolatiesysteem betreffen waarmee ook warmte kan worden vastgehouden en daarom naar hun aard niet zijn aan te merken als koelcontainers als bedoeld in rubriek 241207 van de Energielijst 1998.

Voorts overweegt het College dat uit het bepaalde bij artikel 11, eerste lid, onder b, van de Wet IB volgt dat voor het afgeven van een energie-verklaring niet alleen is vereist dat het gaat om investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie, maar ook dat die investeringen als zodanig zijn aangewezen bij ministeriële regeling. Dit leidt ertoe dat, nu geen algemeen verbindend voorschrift of rechtsregel is aan te wijzen, waaruit voor de regelgever enige verdere normering voortvloeit inzake het opnemen van energiebesparende bedrijfsmiddelen in de Energielijst 1998, de opsomming in deze lijst als een limitatieve moet worden beschouwd, waarbij een strikte uitleg van de daarin opgenomen omschrijvingen van bedrijfsmiddelen en onderdelen van bedrijfsmiddelen past.

Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat verweerder in de bestreden besluiten op juiste gronden het standpunt heeft ingenomen dat de in geding zijnde koelcontainers niet vallen binnen de omschrijving van rubriek 241207 in de Energielijst 1998.

Aan de orde is voorts de vraag of door toezeggingen dan wel mededelingen die aan verweerder kunnen worden toegerekend, bij appellanten gerechtvaardigd te achten verwachtingen zijn gewekt, die verweerder in dier voege had behoren te honoreren, dat hij aan appellanten verklaringen had afgegeven, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB.

Het College beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt dienaangaande het volgende.

Hetgeen namens appellanten naar voren is gebracht omtrent mededelingen die een medewerker van Senter zou hebben gedaan omtrent het aansluiting zoeken bij de uitleg van het begrip 'koelcontainer' die door de RDW daaraan wordt gegeven en de afgifte van de verklaringen door verweerder, kan naar het oordeel van het College geen grond bieden aan de opvatting dat daardoor bij appellanten rechtens te eerbiedigen verwachtingen zijn gewekt.

Hierbij acht het College van belang dat blijkens telefoonnotitie van 30 oktober 1998, zoals hierboven onder rubriek 2.2 aangegeven en de daarop door verweerder ter zitting van dit College gegeven toelichting, aan de gemachtigde van appellanten reeds op 30 oktober 1998 is medegedeeld, hetgeen door appellanten is erkend, dat de investeringen niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking kwamen, aangezien er geen sprake is van koelcontainers.

Weliswaar hebben appellanten en verweerder nadien nog telefonisch overleg gevoerd over mogelijke aansluiting door verweerder bij de definiëring van de RDW van het begrip 'koelcontainer', doch het College is niet gebleken dat verweerder op enig moment, zonder voorbehoud, heeft verklaard dat dit daadwerkelijk zou worden gedaan en de energieverklaringen zouden worden afgegeven.

Het moet appellanten steeds duidelijk zijn geweest dat de op 6 november 1998 door verweerder gedane mededelingen er slechts toe strekten om te bezien of aanleiding bestond om bij bedoelde definiëring van de RDW aan te sluiten, waartoe nog enige informatie zijdens de RDW benodigd was en waarover verweerder appellanten op 15 december 1998 uitsluitsel heeft gegeven, zoals hiervoor in paragraaf 2.2 weergegeven.

Voornoemde - op 6 november 1998 gedane - mededeling rechtvaardigt derhalve niet een in rechte te beschermen vertrouwen bij appellanten, dat de omschrijving in code 241207 in de Energielijst 1998 in de door hen gewenste zin zou worden toegepast en de investeringen voor energieaftrek in aanmerking zouden komen.

Hieruit volgt dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2001.

w.g. H.C. Cusell w.g. I.K. Rapmund