Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2228

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-06-2001
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
AWB 99/447
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/447 20 juni 2001

40010

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: drs. P.F. Dijkman, directeur van appellante,

tegen

het Productschap Zuivel, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigde: mr A.C.R. Geelen, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 7 mei 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 april 1999. Bij dit besluit is beslist op het bezwaar van appellante gemaakt tegen de weigering haar een schadevergoeding toe te kennen.

Op 2 juni 1999 heeft appellante de gronden van haar beroep ingediend.

Op 26 juli 1999 is een verweerschrift ingediend.

Op 9 mei 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij hun standpunten bij monde van hun gemachtigden toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 30 september 1996 door middel van een zestal formulieren L aangifte ten uitvoer gedaan voor hoeveelheden Edam kaas, onder verwijzing naar een in Duitsland afgegeven certificaat en een uittreksel hiervan. Appellante heeft hierbij verzocht om restituties en toekenning van voorschotten hierop.

- Bij nota's van 23 en 30 oktober 1996 heeft verweerder een gedeelte van de ter gelegenheid van de uitvoer gevraagde restituties bij wijze van voorschot aan appellante toegekend.

- Bij nota van 20 november 1996 heeft verweerder terzake van de aangiften van

30 september 1996 een bedrag van fl. 92.685,95 aan verleende voorschotten teruggenomen en (per saldo) geen nieuwe voorschotten toegekend.

- Tegen deze nota zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

- Bij brief van 27 maart 1997 is verweerder namens appellante aansprakelijk gesteld en verzocht een schadevergoeding te betalen van fl. 138.047. Hierin is onder meer vermeld:

" Cliënte heeft medio 1996 - nadat uw Produktschap telefonisch had laten weten dat zulks mogelijk is - van C te D aan zich laten overdragen de rechten van een tweetal zgn. uitvoercertificaten. (...) Bij deze overdracht was tevens sprake van een zgn. voorfixatie van de "groene koers" (...).

Uw Produktschap adviseerde in dit verband om door de Duitse autoriteiten, te weten het Hauptzollamt, een bevestiging van de overdracht per telefax aan U te zenden, hetgeen is gebeurd. Vervolgens heeft uw Produktschap de betreffende certificaatnummers opgenomen in Uw depot (...). Reeds daaruit mocht cliënte opmaken dat zij aldus vanuit Nedereland een bepaalde hoeveelheid kaas uit de Europese Unie kon exporteren, waarvoor toentertijd een vergoeding van f 176,25 per 100 kg geëxporteerde kaas aan cliënte zou worden uitgekeerd.

Bovendien is dit in de week, voorafgaande aan de feitelijke export, nog in verschillende telefoongesprekken met medewerkers van Uw Produktschap bevestigd. (...)

Tot niet geringe verbazing van cliënte heeft Uw Produktschap echter op 20 november 1996 reeds door Uw Produktschap betaalde vergoedingen met een totaal van f 92.685,95 zonder deugdelijke grondslag of motivering teruggebracht door deze in mindering te brengen (...). Daarnaast heeft U bepaalde aan cliënte op grond van Uw informatie toekomende bedragen niet aan haar overgemaakt.

Thans stelt Uw Produktschap, zo begrijpt cliënte, zich op het standpunt dat de indertijd door U aan haar verstrekte informatie onjuist is gebleken alsmede dat de betaling van de vergoeding aan cliënte een vergissing Uwerzijds betrof, aangezien de zgn. "groene koers" i.c. in Duitsland is vastgesteld, op grond waarvan het certificaat slechts in dat land kon worden gebruikt. (...) Cliënte kan deze zaak thans niet meer redresseren.

Het voorgaande moet leiden tot het oordeel dat Uw Produktschap (...) door een onjuiste uitvoering van de regelgeving en het verstrekken van onjuiste informatie op onrechtmatige wijze aan cliënte schade heeft berokkend tot een bedrag van f 138.047."

- Bij brief van 27 mei 1997 is namens appellante herinnerd aan de brief van

27 maart 1997 en, voorzover sprake mocht zijn van een weigering de schade te vergoeden, bezwaar hiertegen gemaakt ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

- Bij brief van 26 juni 1997 heeft verweerder geweigerd over te gaan tot betaling van de geclaimde schade. Hiertoe heeft verweerder in het bijzonder overwogen:

" Tegen de (...), in november 1996 door het productschap doorgevoerde, correcties en tegen het niet betalen van restitutie, is door A nooit een bezwaarschrift ingediend. Deze besluiten en handelingen van het productschap zijn derhalve rechtens onaantastbaar geworden. De thans door u aangevoerde argumenten betreffende deze besluiten en handelingen zijn derhalve tardief.

In uw brief gaat u er kennelijk van uit dat het productschap vóór afloop van de geldigheidsduur van genoemde uittreksels op de hoogte was van het feit, dat met deze uittreksels de groene koers was voorgefixeerd. Dit is echter niet het geval. (...)

Van de zijde van het productschap is geen onjuiste informatie betreffende de procedure van de overdracht van de rechten van certificaten verstrekt."

- Bij brief van 7 augustus 1997 is namens appellante pro forma bezwaar gemaakt tegen de in de brief van 26 juni 1997 vervatte weigering de geclaimde schade te vergoeden.

-

Bij brief van 30 oktober 1997 is het bezwaar gemotiveerd. Hierin is onder meer aangevoerd:

" Niettemin is met uw afwijzingsbesluit van 26 juni jl. eveneens komen vast te staan dat cliënte door uw besluitvorming, door uw aanvankelijk onjuiste toepassing van de ter zake relevante regelgeving, alsmede door de in dit kader gegeven onjuiste informatie en/of achterwege gelaten inlichtingen, een schade heeft geleden die redelijkerwijze niet te haren laste dient te blijven. Aldus is sprake van een zgn. schadebesluit. (...)

(...)

Op grond van het voorgaande stelt cliënte vast dat, ook al zou het terugboeken van reeds betaalde vergoedingen alsmede het niet verder betalen daarvan door uw Produktschap het gevolg zijn van een (achteraf) juist toepassen van de betreffende regels, cliënte als gevolg van uw besluitvorming en hetgeen in dat kader is voorgevallen, door uw afwijzingsbesluit geconfronteerd wordt met een zeer aanmerkelijke schade, die in redelijkheid niet voor haar rekening dient te blijven."

- Op 25 maart 1999 heeft appellante bij monde van haar gemachtigde het bezwaar toegelicht op een hoorzitting ten kantore van verweerder.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft hiertoe, voorzover hier van belang, overwogen:

" A heeft verzuimd om tegen het terugnemen van betaalde voorschotten en het niet betalen van de resterende voorschotten tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Deze handelingen zijn daarmee rechtens onaantastbaar geworden en zijn dan ook als rechtmatig te beschouwen. Op grond hiervan is het productschap niet gehouden tot vergoeding van de gestelde schade over te gaan. Bovendien kan door het uitlokken van een zuiver schadebesluit het verzuim van het niet tijdig indienen van een bezwaarschrift tegen het besluit of handeling, die de schade zou hebben veroorzaakt, niet worden hersteld."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep - samenvattend weergegeven - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Verweerder heeft verzuimd een beschikking tot terugvordering te sturen en appellante derhalve een rechtsmiddel onthouden Appellante heeft, nadat zij ontdekte dat haar rekening courant was belast, contact opgenomen met het hoofd uitvoering regelen van verweerder, die de zaak nogmaals zou onderzoeken. Toen daar geen reactie op is gekomen, heeft appellante een bezwaar ingediend.

Van de kant van appellante is er vóór 30 september 1996 telefonisch contact geweest met achtereenvolgens de heren E en F van verweerder. E beschikte op dat moment over de Duitse certificaten en heeft toen aangegeven dat deze overdraagbaar waren en dat appellante de nummers ervan op de uitvoerdocumenten kon vermelden. F bevestigde dat overdracht mogelijk was.

Verweerder heeft overleg gevoerd met het Bundesanstalt für Landwirtschaft und Ernahrung en met C en afgesproken om de certificatenoverdracht ongedaan te maken.

5. De beoordeling van het geschil

Appellante wenst de schade vergoed te zien die zij heeft geleden doordat aanvankelijk aan haar toegekende voorschotten op restitutie zijn ingetrokken en haar verdere voorschotten op restitutie zijn onthouden, terwijl zij er - op grond van contacten met medewerkers van verweerder - meende vanuit te mogen gaan dat de voorschotten terecht waren toegekend c.q. aan haar verdere voorschotten op restitutie zouden worden toegekend. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

De intrekking van de toegekende voorschotten is aan appellante schriftelijk kenbaar gemaakt door de voorschotnota van 20 november 1996. Bedoelde nota is aan te merken als besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, ook als zij anders dan gewoonlijk niet werd voorafgegaan door of vergezeld ging van een afzonderlijke brief waarin de beslissing omtrent intrekking wordt meegedeeld.

Tevens blijkt uit de nota dat verweerder terzake van de aangiften van 30 september 1996 geen nadere voorschotten toekent.

Het voorgaande brengt mee dat appellante tegen de in de nota vervatte beslissingen omtrent bevoorschotting binnen de wettelijke termijn van zes weken - dan wel met een overschrijding daarvan, mits verschoonbaar - bezwaar had kunnen maken bij verweerder.

Nu het standpunt van appellante erop neerkomt dat het verweerder vanwege door hem gewekte verwachtingen niet vrijstond zonder meer tot de intrekking c.q. niet-toekenning over te gaan, had het op de weg van appellante gelegen de aan haar schadeverzoek ten grondslag liggende argumenten in te brengen ter onderbouwing van een bezwaar tegen bedoelde nota c.q. tegen het overigens uitblijven van verdere toekenning van de gevraagde voorschotten. Nu appellante evenwel heeft nagelaten een dergelijk bezwaar te maken, kon verweerder zich - zonder in strijd met het recht te handelen - op het standpunt stellen dat zijn besluiten tot intrekking en niet-toekenning van voorschotten rechtens zijn komen vast te staan en als rechtmatig dienen te worden beschouwd en dat hij niet gehouden is door deze besluiten veroorzaakte schade te vergoeden.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, mr M.J. Kuiper en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2001.

w.g. H.G. Lubberdink w.g. R.P.H. Rozenbrand