Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2226

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-06-2001
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
AWB 99/575
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 99/575 14 juni 2001

27605

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr B.M.T.M. Brus, werkzaam bij Alfa Accountants en Belastingadviseurs B.V., te Wageningen,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr G. Baarsma en R.B. de Reu, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 2 juli 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep is ingesteld tegen een besluit van verweerder van 21 mei 1999.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de weigering hem een verklaring, als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB) af te geven.

Onder dagtekening 20 september 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 29 maart 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben uiteengezet.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Wet IB is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 11

1. In geval in een kalenderjaar:

a. (...);

b. in een onderneming die de belastingplichtige voor eigen rekening feitelijk drijft voor een bedrag van meer dan ƒ 3700 wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van investeringen die door Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie (energie-investeringen), wordt - onverminderd de toepassing van onderdeel a - op verzoek bij de aangifte van de belastingplichtige een in het tweede lid, onderdeel b, aange- wezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek)."

Op grond van deze bepaling is vastgesteld de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek (hierna: de Uitvoeringsregeling), waarbij onder meer is bepaald:

" Artikel 2

Als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie (energie-investeringen) als bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfs- middelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage 1 van deze regeling, mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen."

In evengenoemde bijlage (hierna: de Energielijst) is melding gemaakt van generiek omschreven bedrijfsmiddelen. Deze betreffen - aldus de tekst van de Energielijst - alleen bestaande bedrijfsgebouwen of bestaande processen. Aangetoond moet worden dat de energiebesparing voldoet aan een nader onder code 310000 omschreven norm.

Onder deze code is voorts bepaald dat, voor zover de investering betrekking heeft op een bedrijfsmiddel dat zowel naar aard, gebruik als toepassing voorkomt op de lijst van specifieke bedrijfsmiddelen, de specifieke lijst van toepassing is.

Onder de rubriek "Specifiek aangewezen bedrijfsmiddelen", subrubriek "Gebouwen" is onder code 210903 vermeld:

" Softwaremodule voor een integrerende klmaatregeling in tuinbouwkassen. Bestemd voor: een energetisch optimale verwarmings- en ventilatiestrategie in de glastuinbouw met behulp van een temperatuur-integrerende regeling, waarbij de gemiddelde kastemperatuur over een periode van 24 uur wordt gerealiseerd en waarbij de temperatuur wordt geregeld afhankelijk van de lokale uurlijkse weersverwachting, en bestaande uit:

standaard softwaremodule voor een klimaatcomputer voor zover het betrekking heeft op bovengenoemde bestemming exclusief de ontwikkeling en aanpassing daarvan."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij daartoe bestemd formulier, gedagtekend 31 juli 1998, heeft appellant een aanvraag gedaan om een verklaring dat de daarbij aangemelde investering in een klimaatcomputer, waarbij als code volgens de Energielijst is opgegeven 310000, een investering is, die bij de Uitvoeringsregeling is aangewezen als zijnde in het belang van een doelmatig gebruik van energie in de zin van artikel 11, lid , onderdeel b, van de Wet IB (hierna: energieverklaring).

- Bij brieven van 22 oktober 1998 en 11 januari 1999 heeft appellant desgevraagd aan verweerder nadere gegevens over het bedrijfsmiddel verstrekt.

- Bij besluit van 2 maart 1999 heeft verweerder afwijzend beslist op appellants verzoek om afgifte van een energieverklaring.

- Bij een op 16 maart 1999 door verweerder ontvangen schrijven heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder afwijzend op het bezwaarschrift beslist en zijn besluit van 2 maart 1998 gehandhaafd.

Het bestreden besluit berust onder meer op de navolgende overwegingen:

" Op basis van de verstrekte gegevens heb ik geconcludeerd dat u een klimaatcomputer aangeschaft hebt met de daarbij behorende meet- en opneemelementen en softwaremodules. Naar aanleiding van deze informatie was ik van mening dat u geïnvesteerd hebt in een bedrijfsmiddel dat zowel naar aard, gebruik als toepassing voorkomt op de lijst van specifieke bedrijfsmiddelen onder code 210903. Zoals ook in Bijlage I bji de Uitvoeringsregeling aangegeven is, is in dit geval de specifieke lijst van toepassing. Volgens de omschrijving van code 210903 van de specifieke lijst dient er sprake ter zijn van een regeling die afhankelijk is van de lokale uurlijkse weersverwachting. Aangezien hiervan geen sprake is, heb ik besloten voor de door u gemelde investering geen verklaring af te geven als bedoeld in artikel 11, lid 1 aanhef en onder letter be van de Wet IB. Daarnaast heb ik aangegeven dat ik niet technisch-inhoudelijk kan beoordelen of uw investering aan de besparingsnorm van code 310000 voldoet.

Tijdens de hoorzitting heeft u aangegeven dat de klimaatcomputer niet onder code 210903 valt omdat de temperatuur niet afhankelijk van de lokale uurlijkse weersverwachting wordt geregeld. Daarnaast gaf u te kennen dat de klimaatcomputer volgens u onder code 310000 valt en dat u moeite heeft de besparingsnorm van code 310000 te onderbouwen.

Ik ben het met uw zienswijze niet eens. U hebt de klimaatcomputer niet aangemeld onder code 210903 van de Energielijst omdat de klimaatcomputer geen koppeling heeft met een meteorologisch instituut en op grond daarvan niet in aanmerking komt. Dit neemt echter niet weg dat de voorziening op zich naar aard gebruik en toepassing wel op de specifieke lijst vermeld staat. Dit betekent dat de investering volgens die specifieke lijst beoordeeld dient te worden. Als de voorziening weliswaar naar aard, gebruik, en toepassing voorkomt op de specifieke lijst, doch niet aan de bijkomende eisen die aan de specifieke omschrijving worden gesteld, wens ik deze voorziening niet via de generieke lijst alsnog te honoreren. Dit heb ik kenbaar gemaakt in de omschrijving van de generieke bedrijfsmiddelen.

Gelet op het bovenstaande ben ik gehouden uw melding te toetsen aan code 210903 van de Energielijst. Ik zal derhalve niet ingaan op de vraag of al dan niet is aangetoond dat de besparingsnorm van code 310000 wordt gehaald."

In het verweerschrift heeft verweerder nog opgemerkt dat met de toevoeging van code 210903, betreffende de softwaremodule voor een geïntegreerde klimaatregeling in tuinbouwkassen, gelezen in samenhang met de uitsluiting in tuinbouwkassen in de codes 210901 en 210902, tot uitdrukking wordt gebracht dat automatische meet- en regelapparatuur die ziet op het beheren en regelen van het energiegebruik in tuinbouwkassen, slechts voor de energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, voor zover zij bestaat uit een softwaremodule als evenvermeld.

4. Het standpunt van appellant

In beroep heeft appellant, op hoofdlijnen weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Ten onrechte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het onderhavige systeem naar aard gebruik en toepassing lijkt op het specifieke bedrijfsmiddel dat is omschreven onder code 210903 van de Energielijst. Immers, bij deze code gaat het om een module, die de koppeling regelt met Meteoconsult, welke instelling gegevens verschaft omtrent de lokale uurlijkse weersverwachting.

Technisch gesproken gaat het hierbij om een onderdeel dat niet essentieel is voor een klimaatcomputer. Een dergelijk computer kan ook functioneren zonder dit onderdeel, dat overigens ten tijde hier van belang slechts door één bedrijf werd geleverd.

Bij de onderhavige investering gaat het om een systeem, waarmee de luchtvochtigheid beter dan met andere systemen kan worden gestuurd en waarmee het klimaat in kassen nauwkeuriger kan worden geregeld.

De toepassing van deze nieuwe klimaatcomputer in combinatie met de daarbij behorende meetboxen levert een besparing op, die voldoet aan de norm die geldt voor generieke bedrijfsmiddelen en is vermeld bij code 310000 van de Energielijst.

5. De beoordeling van het geschil

Het geschil dat partijen verdeeld houdt, betreft het antwoord op de vraag of de klimaatcomputer waarop de onderhavige investering betrekking heeft, een bedrijfsmiddel is, dat zowel naar aard, gebruik als toepassing kan worden begrepen onder het gestelde onder code 210903 van de Energielijst, betreffende specifiek aangewezen bedrijfsmiddelen in gebouwen.

Bij een bevestigend antwoord op deze vraag is, ingevolge het hiervoor weergegeven bepaalde onder code 310000, de toetsing van het bedrijfsmiddel aan de norm inzake energiebesparing die geldt voor generieke bedrijfsmiddelen, niet aan de orde en moet worden geoordeeld dat de investering van appellant niet voldoet aan het gestelde onder code 210903.

Het College overweegt hieromtrent dat in het gestelde onder code 210903 geen sprake is van een systeem inzake energiemanagement of klimaatregeling in tuinbouwkassen, doch van een softwaremodule, als hiervoor omschreven onder 2.1. Een module, die naar zijn aard en blijkens deze omschrijving bestemd is voor gebruik in een klimaatcomputer en daarin zijn specifieke functie op het punt van de klimaatregeling kan uitoefenen.

Naar het oordeel van het College kan dit specifieke onderdeel niet worden vereenzelvigd met de klimaatcomputer waarin het dienst doet. In verband hiermede kan niet worden staande gehouden dat de onderhavige klimaatcomputer een bedrijfsmiddel betreft, dat zowel naar aard, gebruik als naar toepassing kan worden begrepen onder code 210903.

Met betrekking tot hetgeen verweerder heeft opgemerkt aangaande de bedoeling die de regelgever blijkens de codes 210901 en 210902 bij het opstellen van de Energielijst had om klimaatcomputers in tuinbouwkassen niet onder de werking van de onderhavige regelgeving te brengen, overweegt het College dat deze argumentatie er niet toe kan leiden aan code 210903 een uitleg te geven, die afwijkt van de duidelijke tekst van het daarin gestelde.

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de motivering welke daaraan ten grondslag is gelegd. Derhalve dient dit besluit te worden vernietigd op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellant. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ƒ 1.420,--.

6. De beslissing

Het College:

* verklaart het beroep gegrond;

* vernietigt het bestreden besluit;

* bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing neemt op het bezwaarschrift van appellant;

* bepaalt dat de Staat aan appellant vergoedt het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 450,--;

* veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure aan de zijde van appellant, begroot op ƒ 1.420,--, onder aanwijzing van de Staat als de rechtspersoon die deze kosten aan appellant dient te betalen.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2001.

w.g. H.C. Cusell w.g. I.K. Rapmund