Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2221

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-06-2001
Datum publicatie
20-09-2001
Zaaknummer
AWB 00/581
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Uitvoeringsbesluit Wet herstructurering varkenshouderij 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2001/3123
JOM 2006/575
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/581 19 juni 2001

16500

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr J. van Groningen, advocaat te Middelharnis,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigden: mr M. Kouprie en mr L.E. Helder-Klaver.

1. De procedure

Op 10 juli 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 mei 2000.

Bij dat besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van appellant tegen de brief van verweerder van 10 maart 2000 met betrekking tot de toepassing van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (Stb. 1998, 368; hierna: het Bhhv) niet- ontvankelijk verklaard.

Verweerder heeft op 27 september 2000 een verweerschrift ingediend.

Het College heeft de zaak onderzocht ter zitting van 10 april 2001. Bij die gelegenheid is appellant verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en heeft verweerder zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet herstructurering varkenshouderij (Wet van 9 april 1998, Stb. 236, hierna Whv) bevat in Hoofdstuk II en artikel 24 regels, aan de hand waarvan het aantal varkens onderscheidenlijk fokzeugen dat ten hoogste op een bedrijf mag worden gehouden - het varkensrecht onderscheidenlijk fokzeugenrecht - kan worden berekend. De mededeling van verweerder omtrent de uitkomst van die berekening is, blijkens de uitspraak van het College van 1 juni 1999 in de zaak C ( Agrarisch Recht juli/augustus 1999 nr. 4972) niet aan te merken als een besluit in de zin van de Awb waartegen op grond van artikel 34 Whv een bezwaarschrift kan worden ingediend.

Ingevolge artikel 25 Whv kunnen bij algemene maatregel van bestuur voor bepaalde groepen van gevallen waarbij de bepaling van het varkensrecht of fokzeugenrecht overeenkomstig hoofdstuk II en artikel 24 leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, regels worden gesteld omtrent een van hoofdstuk II en artikel 24 afwijkende bepaling van de hoogte van deze rechten. Regels als bedoeld zijn gesteld bij het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (Besluit van 18 juni 1998, Stb. 368, hierna: het Besluit). Daarin zijn voor een aantal categorie├źn van bedrijven afwijkende regels voor de vaststelling van het varkensrecht of fokzeugenrecht gesteld.

Artikel 2 van het Besluit luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

" 1. Met betrekking tot een daartoe aangemeld bedrijf, niet zijnde een bedrijf als bedoeld in artikel 8, eerste of vierde lid, van de wet, of een door samenvoeging ontstaan bedrijf als bedoeld in artikel 11, zesde lid, van de wet, wordt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 15 van de wet de hoogte van het varkensrecht en het fokzeugenrecht bepaald overeenkomstig de hoofdstukken 1,2 en 4 van dit besluit, onder de in dit besluit geregelde voorwaarden en beperkingen.(...)

3. De belanghebbende doet de in het eerste lid bedoelde melding binnen zes weken na inwerkingtreding van dit besluit bij het Bureau Heffingen, met gebruikmaking van een daartoe door Onze Minister vastgesteld formulier, dat overeenkomstig de op het formulier aangegeven wijze volledig en naar waarheid is ingevuld en door de belanghebbende is ondertekend. Bij gebreke van een overeenkomstig de eerste volzin gedane melding worden de hoofdstukken 1,2 en 4 van dit besluit ten aanzien van het desbetreffende bedrijf van de belanghebbende niet toegepast.

(...)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Door toezending van het formulier "Aanmelding Besluit hardheidsgevallen", ontvangen door verweerder op 14 oktober 1998, heeft appellant gemeld in aanmerking te willen worden gebracht voor categorie 3 van het Besluit.

- Bij brief van 10 maart 2000 heeft verweerder appellant bericht dat zijn bedrijf niet in aanmerking komt voor categorie 3, omdat niet is voldaan aan de eis van artikel 9, eerste lid, van het Besluit dat na 1992 en voor 10 juli 1997 een aanvraag moet zijn ingediend voor een milieuvergunning ten behoeve van een vergroting van het aantal te houden varkens.

- Hiertegen heeft appellant een bezwaarschrift ingediend.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daartoe het volgende overwogen.

" De Whv en het Besluit, welke op 1 september 1998 in werking zijn getreden, zijn algemeen verbindende voorschriften. Artikel 7:1 Awb stelt bezwaar open voor degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen. Tegen besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften is op grond van artikel 8:2 Awb geen beroep mogelijk. Het maken van bezwaar en het instellen van beroep tegen de Whv en het Besluit, zijnde algemeen verbindende voorschriften, is derhalve niet mogelijk.

Voor zowel de hoogte van het varkensrecht op basis van de Whv als de hoogte van het varkensrecht op basis van het Besluit geldt dat deze rechtstreeks uit de wet dan wel het besluit voortvloeit. Tegen een kennisgeving inhoudende de hoogte van uw geregistreerde varkensrecht kan daarom geen bezwaar worden gemaakt. Een dergelijke kennisgeving is een feitelijke mededeling die niet is gericht op enig rechtsgevolg. Deze mededeling is derhalve geen voor bezwaar (en beroep) vatbaar besluit in de zin van artikel 1:3 Awb.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft bij uitspraak van 1 juni 1999, nrs. AWB 98/1350 tot en met 98/1366, eveneens beslist dat brieven met betrekking tot de berekening van de omvang van het varkensrecht dat bij Bureau Heffingen is geregistreerd niet op enig rechtsgevolg zijn gericht."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellant deelt niet de opvatting van verweerder dat de hoogte van het varkensrecht rechtstreeks voortvloeit uit het Besluit. Het Besluit gaat uit van omstandigheden waarvan de feiten kunnen worden betwist en die zodoende niet zonder meer vaststaan. Op geen enkele wijze volgt in die situaties rechtstreeks uit het Besluit wat de omvang is van het varkensrecht waarop men recht heeft. Bij een melding geldt evenals bij een bouwvergunning dat het daarmee te verkrijgen beoogde recht uitdrukkelijk dient te worden vastgesteld vooreer daarnaar mag worden gehandeld. Niet het Besluit maar de melding geeft recht op varkensrechten. Uitsluitend het tijdig indienen van de melding leidt mogelijk tot een wijziging van een bestaande rechtstoestand. In dit systeem komt betekenis toe aan de melding en het daarop genomen besluit en vloeien de rechtsgevolgen niet rechtstreeks voort uit het Besluit.

5. De beoordeling van het geschil

Het College is van oordeel dat in het geval van appellant, anders dan in de zaken waarop de door verweerder aangehaalde uitspraak C betrekking heeft, zich niet de situatie voordoet dat de mededeling omtrent de (toepasselijkheid van het Besluit in relatie tot de ) omvang van het varkensrecht niet is gericht op rechtsgevolg. Het College overweegt te dien aanzien het volgende.

Het Besluit wijst de categorie├źn aan van de gevallen waarin het varkensrecht c.q. het fokzeugenrecht op andere wijze wordt berekend dan is neergelegd in Hoofdstuk II en artikel 24 van de Whv. Om voor indeling in een zodanige categorie in aanmerking te komen moet worden voldaan aan een aantal voorwaarden. Tot die voorwaarden behoort het tijdig doen van een melding waarin de categorie waarvoor men in aanmerking wil komen, is aangegeven en waarin gegevens zijn vervat waaruit kan blijken dat de aanvrager daadwerkelijk voor de betrokken categorie in aanmerking komt. In het geval van appellant gaat het daarbij onder meer om het gegeven dat in de in het Besluit aangegeven periode voor zijn bedrijf een milieuvergunning is aangevraagd.

De tijdigheid van de melding en de juistheid c.q. bruikbaarheid van de daarin vervatte gegevens moeten door verweerder beoordeeld worden alvorens kan worden bepaald of het bedrijf van de aanvrager past in de door hem gewenste categorie van het Besluit. De aanvrager is dus afhankelijk van die beoordeling; pas nadat deze heeft plaatsgevonden kan - aan de hand van de wettelijke voorschriften - de omvang van het varkensrecht c.q. fokzeugenrecht worden berekend. Valt de beoordeling ongunstig uit, dan gebeurt er niets.

In die zin onderscheidt zich dus de situatie van appellant van die, bedoeld in de uitspraak C, waarin - kort gezegd - de omvang van de varkensrechten rechtstreeks voortvloeide uit de aangifte overschotheffing 1996. De omstandigheid dat in het geval van appellant verweerder met handen en voeten gebonden is aan het dwingend bepaalde in het Besluit

- en dat het hier dus om de uitoefening van een gebonden beschikkingsbevoegdheid gaat - ontneemt aan de beslissing van verweerder omtrent het al dan niet indelen in enige categorie van het Besluit niet het karakter van rechtshandeling. Zonder zodanige indeling bestaat immers geen aanspraak op de gunstiger berekening van het varkensrecht en/of fokzeugenrecht.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de brief van 10 maart 2000 een besluit bevat als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, zodat verweerder het bezwaar van appellant ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Verweerder dient met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene opnieuw op het bezwaar te beslissen.

Het College acht termen aanwezig voor veroordeling van verweerder in de kosten van de procedure aan de zijde van appellant, welke met toepassing van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op fl. 1420,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 30 mei 2000;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar beslist met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, gevallen aan de zijde van appellant, welke worden vastgesteld op fl. 1420,-- (zegge: veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat;

- verstaat dat het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van fl. 225,--

(zegge: tweehonderdenvijfentwintig gulden) door de Staat aan hem wordt vergoed;

- wijst af het meer en anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr H.C. Cusell en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2001.

w.g. C.M. Wolters w.g. W.F. Claessens