Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2218

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-06-2001
Datum publicatie
22-08-2001
Zaaknummer
AWB 99/438
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/438 13 juni 2001

10720

Uitspraak in de zaak van:

1. de vennootschap onder firma A, B en C, te D,

2. de maatschap E, te F, appellanten,

tegen

het Productschap voor Zuivel, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigden: mr F.G.P. Diermanse en A.P. van Houten, beiden werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 7 mei 1999 heeft het College van appellanten (hierna ook: A en E) een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerders Centrale Organisatie Superheffing (COS) van 25 maart 1999.

Bij dat besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellanten tegen zijn besluiten van 19 februari 1999, strekkende tot afwijzing van hun verzoek om registratie in de heffingsperiode 1998/99 van een tijdelijke overdracht van 20.000 kg fabrieksquotum door B aan E.

Bij brief van 27 mei 1999 hebben appellanten de gronden van het beroep aan het College meegedeeld.

Verweerder heeft op 8 oktober 1999, onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken, een verweerschrift ingediend.

Op 18 oktober 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten nader uiteen hebben gezet. Namens appellanten is het woord gevoerd door A. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend. Appellanten hebben nadere stukken bij het College ingediend. Vervolgens hebben zij ermee ingestemd dat het onderzoek zonder nadere behandeling ter zitting werd gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij artikel 6, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 (Pb 1992, L 405; verder ook: de Verordening) is, voorzover hier van belang, het volgende bepaald:

" De Lid-Staten staan elk jaar vóór een door hen vast te stellen datum en ten laatste op 31 december, de tijdelijke overdracht toe, voor de duur van het betrokken tijdvak van twaalf maanden, van de individuele referentiehoeveelheid die de producent die erover beschikt, niet voornemens is te gebruiken. (...).

De Lid-Staten kunnen de overdrachten reglementeren naar gelang van de categorie producenten of de structuur van de melkproduktie, ze beperken op het niveau van de koper of binnen de regio en bepalen in hoeverre de cedent overdrachten kan herhalen."

Artikel 25 van de Regeling superheffing 1993 (Stcrt.1993, 60, verder te noemen: de Regeling) luidt, voorzover hier van belang:

" 1. Aan de tijdelijke overdracht van een referentiehoeveelheid zijn de volgende voorwaarden verbonden:

a. (...)

b. (...)

c. een tijdelijke overdracht kan slechts plaatsvinden indien een vervreemder voordien in de betrokken heffingsperiode geen referentiehoeveelheden tijdelijk heeft verkregen en een verkrijger voordien in de betrokken heffingsperiode geen referentiehoeveelheden tijdelijk heeft vervreemd."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Door middel van een meldingsformulier tijdelijke overdracht fabrieksquotum 1998/1999, gedagtekend 11 juni 1998, is verweerder verzocht om registratie van de tijdelijke overdracht van een fabrieksquotum van 35.503 kg melk aan B als verkrijger.

- Bij beschikking van 21 augustus 1998 heeft verweerder deze melding geregistreerd.

- Bij een meldingsformulier, gedagtekend 12 december 1998, is verzocht om registratie van de tijdelijke overdracht van een fabrieksquotum, van 20.000 kg door B als vervreemder aan E als verkrijger.

- Verweerder heeft het laatstvermeld verzoek bij twee onderscheiden besluiten van

19 februari 1999, gericht aan elk der appellanten afzonderlijk, afgewezen. Tegen deze besluiten hebben appellanten tijdig bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het volgende overwogen en besloten:

" Op 13 juli 1999 heeft de COS meldingsformulier QL 135958 van u ontvangen waarop verzocht wordt om de registratie in de heffingsperiode 1998/99 van een tijdelijke overdracht aan u van 35.503 kg melk. Op 21 augustus 1998 heeft de COS u hiervan een registratiebericht gezonden.

Volgens artikel 25, lid 1, sub c van de Regeling superheffing 1993 kan een tijdelijke overdracht slechts plaatsvinden indien de vervreemder voordien in de heffingsperiode geen quotum tijdelijk heeft verkregen. In de toelichting op de achterzijde van het meldingsformulier is onder het hoofd "Voorwaarden" uitdrukkelijk op deze bepaling gewezen.

In artikel 25, lid 3 van de Regeling superheffing 1993 is bepaald dat eerst vanaf de registratie van de tijdelijke overdracht aanspraak gemaakt kan worden op het quotum. Ook hierop is gewezen - onder het hoofd "Invulling en

registratie" - in de toelichting op het meldingsformulier.

Gezien het vorenstaande achten wij uw bezwaren kennelijk ongegrond. Dit betekent dat wordt afgezien van het houden van een hoorzitting (artikel 7:3 onder a, Algemene wet bestuursrecht) en dat het besluit van 19 februari 1999 blijft gehandhaafd."

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van hun beroep het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellanten zijn ervan uitgegaan dat de mogelijkheid bestond om vóór eind december 1998 gezamenlijk een leasecontract op te stellen. Op geen enkel moment hebben zij gedacht aan de door verweerder in de Regeling Superheffing opgenomen regel. Zij kenden het bestaan van die regel ook niet. Het bedrijf van A, eco-bedrijf "G", een biologisch werkend melkbedrijf heeft al twee jaar een vaste lease-afspraak met een bedrijf uit de buurt, maar zag door de slechte zomer dat het quotum niet zonder veel kosten volgemolken zou kunnen worden. Het bedrijf van E bleek zonder rigoureuze en dure ingrepen ca. 20.000 kg over zijn quotum heen te gaan melken.

Appellanten vonden de overdracht een goede oplossing. Volgens hen is de doelstelling van de leaseregeling ook om "onder" en "overmelk" met elkaar te verevenen voor een redelijke leaseprijs en daarmee voor de beide partijen kosten te besparen.

Bij de onderhavige leaseprijs wordt volledig aan voormelde doelstellingen voldaan. Zij willen er daarbij nog de nadruk op leggen dat er in hun geval op generlei wijze sprake is van speculatie. De leaseprijs bedroeg zowel voor het leasen als voor het verleasen ca.

10 cent per % vet. Zij vragen het College hun beroep in dit licht te bezien.

Appellanten hebben beiden bij hun melklevering reeds rekening gehouden met de lease-overeenkomst. De reactie van verweerder was enige weken vertraagd, waardoor zij thans door het niet toestaan van de lease-overeenkomst dubbel gedupeerd zijn. Op beide bedrijven zal een schadepost ontstaan van ruim fl. 7000,--. De verleaser heeft 20.000 kg melk niet kunnen leveren en loopt aldus de opbrengst mis. De leaser zal over deze

20.000 kg een aanslag superheffing opgelegd krijgen.

Tenslotte hebben appellanten aangevoerd dat het bepaalde bij artikel 25, eerste lid, aanhef en sub c, onredelijk is.

5. De beoordeling van het geschil

Gelet op het bepaalde in artikel 25, eerste lid, aanhef en sub c, van de Regeling heeft verweerder het verzoek om registratie van de tijdelijke overdracht van een fabrieksquotum van 20.000 kg door B aan E terecht geweigerd.

Anders dan appellanten willen, laat genoemde bepaling verweerder geen vrijheid om in hun geval de overdracht toch te registreren, omdat er geen sprake zou zijn van speculatie.

Ook het feit, dat appellanten van het bestaan van de genoemde bepaling niet op de hoogte waren kan geen grond opleveren om aan die bepaling voorbij te gaan.

Dat appelanten door het niet doorgaan van de door hen gewenste overdracht van quotum een substantiële schade zouden lijden is een omstandigheid die voor hun risico komt. Van appellanten wordt gevergd dat zij zich van de hun bedrijfstak betreffende regelgeving naar behoren op de hoogte stellen.

Mede gelet op het voorgaande kan het College appellanten niet volgen in hun betoog, dat verweerder te laat op hun aanvraag beslist heeft, waardoor de schade nodeloos is opgelopen. Verweerder heeft overigens beslist binnen de in artikel 4:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag, zodat ook niet zonder meer gesteld kan worden dat te laat besloten is.

Het College overweegt tenslotte dat naar zijn oordeel de onderhavige bepaling van de Regeling niet onverbindend is wegens strijd met enig voorschrift van hoger orde. Met name het bepaalde bij artikel 6 van de Verordening verschaft de Lid-Staten de nodige vrijheid om tijdelijke overdrachten aan voorwaarden en beperkingen te onderwerpen.

Een en ander leidt het College tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, mr C.J. Borman en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2001.

w.g. H.G. Lubberdink De griffier is niet in staat

de uitspraak mede te

ondertekenen.