Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2217

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-06-2001
Datum publicatie
04-02-2003
Zaaknummer
AWB 99/959
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Accountants-administratieconsulenten 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/959 12 juni 2001

20120

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te s-Gravenhage (hierna: de raad van tucht), gewezen op 20 september 1999,

gemachtigde: mr A.P.M. Henket, advocaat te Rotterdam.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 22 september 1999, heeft de raad van tucht appellant een afschrift gezonden van zijn eerdergenoemde beslissing op een klacht, op 19 januari 1998 ingediend tegen appellant door C te D, voor zich en in zijn hoedanigheid van directeur van E (hierna: klager).

Bij een op 22 november 1999 ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 1 december 1999 de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij schrijven van 25 januari 2000 heeft mr A.W. Witholt, advocaat te Rotterdam, als gemachtigde van klager gereageerd op het door appellant in beroep gestelde, alsmede bezwaren naar voren gebracht tegen onderdelen van de bestreden tuchtbeslissing.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 1 mei 2001. Appellant en klager zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun onderscheidene gemachtigden, mr Henket en mr Witholt, voornoemd.

2. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de door hem in negen onderdelen uiteengezette klacht ter zake van vijf onderdelen gegrond verklaard en met betrekking tot vier onderdelen ongegrond verklaard en aan appellant de maatregel van een schorsing voor de duur van een maand opgelegd.

Ter zake van de formulering van de klacht, de beoordeling daarvan en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt verwezen naar hetgeen de raad van tucht dienaangaande heeft overwogen bij de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

In deze uitspraak is met betrekking tot de aanduiding van de klachtonderdelen de opsomming onder de rubriek "DE KLACHT" van de bestreden tuchtbeslissing gevolgd.

3. De toepasselijke regelgeving

De Wet op de Accountants-Administratieconsulenten (hierna: de Wet):

" Artikel 68 - 1. Tegen een beslissing van de raad van tucht aangaande een tegen een Accountant-Administratieconsulent gerezen bezwaar kan (...) beroep worden ingesteld (...):

a. door de betrokken accountant, indien het bezwaar geheel of gedeeltelijk gegrond is verklaard;

b. door de klager, indien zijn bezwaar geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard;

(...)."

De Gedrags- en Beroepregels Accountants-Administratieconsulenten (hierna: de GBAA):

" Artikel 5. De Accountant-Administratieconsulent onthoudt zich van al hetgeen schadelijk is voor de eer van de stand van de Accountants-Administratieconsulenten."

" Artikel 24. -1. De Accountant-Administratieconsulent is onafhankelijk van zijn opdrachtgever en van degene omtrent wiens aangelegenheden hij verklaringen geeft, alsmede van degene die belangen heeft bij of afhankelijk is van een van hen of van beiden.

(...)

- 4. Het is de Accountant-Administratieconsulent verboden een verklaring te geven indien de verantwoording wordt afgelegd door of mede door een natuurlijke of rechtspersoon waartoe hijzelf, zijn echtgenoot, zijn geregistreerde partner, een persoon met wie hij anderszins in een nauwe persoonlijke relatie staat, degene met wie hij onder gemeenschappelijke naam optreedt, of enige persoon tot wie hij in een gezagsverhouding staat, in een betrekking staat die een aanmerkelijk financieel belang meebrengt.

- 5. Het is de Accountant-Administratieconsulent verboden provisie dan wel vergoedingen die afhankelijk zijn van de uitkomsten van de arbeid te bedingen of te aanvaarden."

" Artikel 34. De Accountant-Administratieconsulent dient in de uitoefening van zijn beroep zijn honorarium vast te stellen met inachtneming van aard en omvang van de verrichte werkzaamheden."

4. De middelen van beroep

Appellant heeft, samengevat weergegeven en voor zover hier van belang, tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen voorgedragen.

4.1 Met betrekking tot de in de bestreden tuchtbeslissing genoemde onverenigbaarheid van functies binnen de B.V. Maatschappij tot Exploitatie van Onroerend Goed Vooruit

(hierna: Vooruit):

- Ten onrechte heeft de raad van tucht overwogen dat appellant aandeelhouder was van Vooruit. Immers, niet hij doch zijn meerderjarige kinderen waren middels J.C.R. Holding B.V. aandeelhouders van Vooruit.

- Eveneens ten onrechte heeft de raad van tucht overwogen dat appellant is opgetreden als gemachtigde van andere aandeelhouders en de belangen van diverse partijen heeft vertegenwoordigd.

- Onder de gegeven omstandigheden kan niet worden gesproken van een nauwe persoonlijke relatie in de betekenis van artikel 24, vierde lid, van de GBAA, hetgeen betekent dat het daarin vermelde verbod inzake het afgeven van verklaringen hier niet van toepassing is.

4.2 Met betrekking tot de onverenigbaarheid van functies binnen de B.V. Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende Goederen "Zuid-Holland" (hierna: Zuid-Holland):

- Het verwijt dat de raad van tucht appellant ter zake van zijn functies bij Zuid-Holland heeft gemaakt, is eveneens onjuist. In mei 1995 heeft appellant negen certificaten van aandelen in Zuid-Holland verworven en in december 1996 wederom negen van dergelijke certificaten. De waardering was het rechtstreekse gevolg van taxatie van het onroerend goed door C. Appellant kon gezien de omvang van zijn aandelenpakket ook geen invloed op het bestuur van deze besloten vennootschap uitoefenen.

- Ook ten opzichte van Zuid-Holland geldt dat appellant steeds de in artikel 24 van de GBAA bedoelde onafhankelijkheid heeft gehad en betracht.

4.3 Met betrekking tot het bedingen en aanvaarden van provisie:

- De provisie van 50% van de courtage die klager in rekening bracht aan een groep Zweden in verband met de verwerving van onroerend goed, betrof een alleszins redelijke beloning voor de werkzaamheden die appellant heeft verricht. Appellant deed, naar hij ter zitting heeft verklaard, in het kader van handel in onroerend goed zaken met een Zweedse onderneming en fungeerde als intermediair tussen die onderneming en klager, die daarbij optrad als makelaar. Van betrokkenheid als accountant-administratieconsulent bij die onderneming was aldus appellant geen sprake.

5. De beoordeling

5.1 Naar aanleiding van hetgeen de gemachtigde van klager heeft gesteld in bovenvermeld schrijven van 25 januari 2000, waarvan de aanhef luidt: verweerschrift tevens incidenteel appèl, overweegt het College het volgende.

In genoemd geschrift is niet alleen ingegaan op de door de raad van tucht gegrond verklaarde klachtonderdelen, waartegen het beroep van appellant was gericht, doch is tevens onder vermelding van gronden te kennen gegeven dat de raad van tucht ten onrechte de klachtonderdelen 4, 5 en 7 ongegrond heeft verklaard.

Op deze grieven kan het College echter niet ingaan, daar ingevolge het bepaalde in artikel 68, eerste lid, van de Wet de rechterlijke toetsing in dit geding, gelet op de gronden waarop het beroep van appellant berust, is beperkt tot de door de raad van tucht gegrond verklaarde klachtonderdelen en de op die gegrondverklaring gebaseerde maatregel.

Voor klager heeft de mogelijkheid opengestaan beroep in te stellen ter zake van de ongegrondverklaring van een aantal onderdelen van zijn klacht, doch klager heeft daarvan niet binnen de in artikel 68, lid 1 van de Wet bedoelde termijn gebruik gemaakt.

5.2 Ter zake van het door appellant ingestelde beroep gaat het College in de eerste plaats in op de gegrondverklaring door de raad van tucht van de klachtonderdelen 8 en 9, betreffende onderscheidenlijk de overdracht van stukken aan de nieuwe accountant van klager en het specificeren van declaraties.

Uit de stukken betreffende het geding in eerste aanleg is gebleken dat klager daaromtrent in het geheel niet heeft geklaagd in bovenvermeld klaagschrift van 19 januari 1998, doch ter zake eerst bezwaren naar voren heeft gebracht ter zitting van de raad van tucht d.d. 7 september 1998.

Het College is van oordeel dat de raad van tucht onjuist heeft gehandeld door op basis van het verhandelde ter zitting te beslissen op evenbedoelde bezwaren, die niet eerder onderwerp van geschil en voorwerp van onderzoek zijn geweest in de procedure bij deze raad. Aldus is appellant op onaanvaardbare wijze geschaad in zijn processuele belangen.

De door appellant voorgedragen middelen van beroep die zijn gericht tegen de gegrondverklaring van de klachtonderdelen 8 en 9, treffen reeds hieraan doel.

5.3 Met betrekking tot de klachtonderdelen inzake de onverenigbaarheid van functies van appellant bij Vooruit en Zuid-Holland overweegt het College het volgende.

Vaststaat dat de aandelen van Vooruit waren ondergebracht bij de Stichting Administratiekantoor J.C.R. Holding. Appellant was bestuurder van die stichting en kon als zodanig in de algemene vergadering van aandeelhouders het stemrecht op basis van die aandelen uitoefenen. De - meerderjarige - kinderen van appellant waren in het bezit van de certificaten van bedoelde aandelen.

Tevens moet als vaststaand worden aangenomen dat appellant in de periode hier in geding als accountant van Vooruit was belast met het opstellen van de jaarstukken van die vennootschap.

Gelet op deze constellatie moet worden geoordeeld dat in verband met de betrokkenheid bij Vooruit van appellants kinderen, zijnde personen met wie hij geacht kon worden in een nauwe persoonlijke relatie te staan, sprake was van een situatie, als omschreven in artikel 24, vierde lid, van de GBAA. Het in dit artikellid gestelde verbod was derhalve op appellant van toepassing.

In dit verband moet voorts worden opgemerkt dat de positie van genoemde certificaathouders niet kan worden los gezien van de positie van appellant als bestuurder van voormeld administratiekantoor. Gezien deze hoedanigheid moet worden gesproken van een onaanvaardbare vermenging van functies, waarbij de onafhankelijkheid van appellant als accountant-administratieconsulent onvoldoende was gewaarborgd.

Appellant had voorts als houder van certificaten van aandelen van Zuid-Holland een belang in deze vennootschap, waarvan hij tevens accountant was. De betrokkenheid van appellant bij Zuid-Holland werd echter niet alleen bepaald door het privé-bezit van appellant van een betrekkelijk geringe hoeveelheid aandelen van deze vennootschap, doch tevens door de omstandigheid dat Vooruit, tot welke vennootschap appellant stond in vorenomschreven verhouding van bestuurder van het administratiekantoor, een belang had in Zuid-Holland van 24,75%.

Zo in verband met het voorafgaande al niet kan worden gesproken van een betrekking van appellant tot Zuid-Holland, die een aanmerkelijk financieel belang met zich bracht, moet worden geoordeeld dat - ook - in dit kader de onafhankelijkheid van appellant als accountant-administratieconsulent onvoldoende was gewaarborgd.

Het College komt in verband met het voorafgaande tot de conclusie dat appellant, mede gelet op de norm van artikel 5 van de GBAA, in tuchtrechtelijk opzicht laakbaar heeft gehandeld en acht derhalve evenals de raad van tucht de klachtonderdelen 1 en 2 gegrond.

De hierboven onder 4.1 en 4.2 omschreven middelen falen derhalve.

5.4 Met betrekking tot de door de raad van tucht gewraakte provisie overweegt het College, dat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen dat appellant deze vergoedingen niet heeft verworven uit hoofde van de uitoefening van het beroep van accountant-administratieconsulent en dat er ook geen relevant verband bestaat tussen deze beroepsuitoefening en genoemde verwerving, daar niet is gebleken dat appellant accountantswerkzaamheden verrichtte voor eerderbedoelde groep Zweden.

Van handelen in strijd met artikel 24, vijfde lid, en artikel 34 van de GBAA kan derhalve naar het oordeel van het College niet worden gesproken.

Het College heeft ook overigens geen grond kunnen vinden voor het oordeel dat appellant door het bedingen en ontvangen van eerderbedoelde provisie in tuchtrechtelijk opzicht verwijtbaar heeft gehandeld.

5.5 Het vorenoverwogene leidt het College tot de slotsom dat de klacht ter zake van de onderdelen 3, 8 en 9 alsnog ongegrond dient te worden verklaard en dat - derhalve - de bestreden tuchtbeslissing niet kan worden gehandhaafd.

In verband met hetgeen appellant blijkens hetgeen hiervoor onder 5.3 is overwogen, tuchtrechtelijk valt te verwijten, is naar het oordeel van het College een maatregel, zoals ook uitgesproken door de raad van tucht, inhoudende een schorsing voor de duur van één maand passend en geboden te achten.

Het College is met de raad van tucht van oordeel dat appellant bij zijn optreden ten opzichte van Vooruit en Zuid-Holland zijn onafhankelijke positie als accountant-administratieconsulent onvoldoende in acht heeft genomen. In tuchtrechtelijk opzicht geldt zulks als een ernstig verwijt, aangezien - zoals ook de raad van tucht heeft overwogen - de onafhankelijkheid één van de pijlers is waarop het beroep van accountant-administratieconsulent steunt.

Het College acht termen aanwezig de zaak op de navolgende wijze af te doen.

De beslissing daartoe berust op het bepaalde in Titel IV van de Wet en op de artikelen 5 en 24 van de GBAA.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing;

- verklaart de onderdelen 1 en 2 van de klacht gegrond;

- verklaart de overige onderdelen van de klacht ongegrond;

- legt appellant op de maatregel van schorsing als accountant-administratieconsulent voor de duur van één maand.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2001.

w.g. H.C. Cusell w.g. W.F. Claessens