Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2134

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/904
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/904 13 juni 2001

14800

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: mr K. Gilhuis, advocaat te Amsterdam,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr A.J.H. Athmer, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Bij brief van 17 februari 2000 heeft appellante beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) tegen een besluit van verweerder van 7 januari 2000. Bij dit besluit is beslist op het bezwaar dat C te B (hierna: de C1) had gemaakt tegen de beslissing tot verlening van subsidie voor de bouw van een busstation.

Bij brief van 21 maart 2001 zijn de gronden van het beroep bij de rechtbank ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift, gedateerd 31 oktober 2000, bij de rechtbank ingediend.

Bij griffiersbrief van 14 november 2000 heeft de rechtbank het beroepschrift aan het College gezonden, omdat niet de rechtbank, maar het College bevoegd zou zijn ervan kennis te nemen.

Bij brief van 6 december 2000 heeft verweerder desgevraagd een aantal stukken aan het College doen toekomen.

Op 23 mei 2001 heef het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, welk onderzoek - naar aan partijen was aangekondigd - zich heeft beperkt tot de vraag of het College bevoegd is van het beroep kennis te nemen. Partijen hebben hieromtrent hun standpunten gegeven bij monde van hun gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet personenvervoer luidde, voorzover hier van belang, tot en met 31 december 1993:

" Artikel 48

1. Onze Minister kan aan (...) een vervoerder, die openbaar vervoer verricht, op verzoek een financiële bijdrage verlenen voor investeringen in infrastructuur ten behoeve van openbaar vervoer, indien die investeringen een onevenredige belasting vormen voor de exploitatie van openbaar vervoer.

(...)

Artikel 65

1. Degene die rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen door een op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen genomen beschikking, kan behoudens het bepaalde in artikel 66 daartegen beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

(...)

Artikel 66

Degene die rechstreeks in zijn belang wordt getroffen door een op grond van de artikelen (...) 48 (...) genomen beschikking, kan daartegen beroep instellen bij de Kroon binnen dertig dagen na verzending van een afschrift van de beschikking."

De Wet Infrastructuurfonds, die in werking is getreden met ingang van 1 januari 1994, bepaalt, voorzover hier van belang:

" Artikel 8

1. Ten laste van het fonds komen de uitgaven ten behoeve van aanleg, beheer en onderhoud en bediening van infrastructuur, welke door het Rijk wordt of zal worden beheerd alsmede de uitgaven ten behoeve van daarmee samenhangende basisinformatie.

2. Uit het fonds kunnen subsidies worden verstrekt aan:

(...)

f. privaatrechtelijke rechtspersonen,

ten behoeve van aanleg en beheer en onderhoud van infrastructuur, welke door hen wordt of zal worden beheerd.

(...)

Artikel 10

1. Onze Minister beslist over het doen van een uitgave of het verstrekken van een subsidie ten behoeve van het verkeer of vervoer onder inachtneming van het geldende meerjarenprogramma.

(...)

Artikel 13

1. De artikelen 48 en 49 van de Wet personenvervoer (Stb. 1987, 175) vervallen (...).

2. (...)

3. Op aanvragen om een bijdrage als bedoeld in artikel 48 van de Wet personenvervoer, waarop bij het in werking treden van deze wet nog niet is beslist, wordt beslist overeenkomstig de regelen, die tot op dat tijdstip van kracht waren.

4. Beroepen tegen beslissingen op aanvragen waarop bij het in werking treden van deze wet nog niet is beslist, alsmede beroepen tegen beslissingen als bedoeld in het tweede lid, worden behandeld overeenkomstig de regelen, die tot op dat tijdstip van kracht waren."

Artikel 1, eerste lid, van de Tijdelijke wet Kroongeschillen bepaalde tot 1 januari 1994, voorzover hier van belang:

" Indien in enig wettelijk voorschrift geschillen aan de beslissing van de Kroon zijn onderworpen, is (...) de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State belast met de beslissing van deze geschillen. (...)"

Artikel III van de op 1 januari 1994 in werking getreden Overgangs- en slotbepalingen van de Wet voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie, welke bepalingen betrekking hebben op de eerste en tweede tranche van de Algemene wet bestuursrecht, luidt:

" Indien in een wettelijk voorschrift beroep op de Kroon is opengesteld, is de rechtbank bevoegd."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 20 december 1993 heeft D te E aan verweerder een financiële bijdrage gevraagd voor een hoogwaardig busstation te Amstelveen, inclusief aanpassingen c.q. verbeteringen van de infrastructuur.

- Bij brief van 14 december 1994 heeft verweerder aan C1, die de aanvraag had overgenomen, een bijdrage verleend van ten hoogste fl. 14.774.910,--.

- Bij brief van 12 oktober 1998 aan C1 heeft verweerder de definitieve bijdrage vastgesteld op fl. 10.592.627,51.

- Bij brief van 5 november 1998 heeft C1 bezwaar gemaakt tegen de definitieve subsidievaststelling.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Hierbij is het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.

3. Overwegingen

De aanvraag voor een financiële bijdrage van 20 december 1993 is aan te merken als verzoek als bedoeld in artikel 48 van de Wet personenvervoer. Deze bepaling is ingaande 1 januari 1994 ingetrokken bij artikel 13, eerste lid, van de Wet Infrastructuur. Ingevolge het vierde lid van laatstvermeld artikel worden beroepen tegen beslissingen als bedoeld in het derde lid - de verwijzing naar het tweede lid is onbedoeld en veroorzaakt door een kennelijke misslag bij de vernummering die plaatsvond bij Nota van Wijziging (TK 1990-1991, 21912, nr. 8) - behandeld overeenkomstig de regelen die tot 1 januari 1994 van kracht waren. Onder "worden behandeld" verstaat het College in dit verband, bij gebreke van aanwijzingen in een andere richting, mede: worden ingesteld.

Het voorgaande betekent dat een beroep tegen een beslissing op een aanvraag waarop op 1 januari 1994 nog niet was beslist, diende te worden ingesteld overeenkomstig de tot deze datum geldende regels. Als zodanige beslissing is de (definitieve) vaststelling van een aangevraagde subsidie aan te merken.

Aangezien tot 1 januari 1994 artikel 66 van de Wet personenvervoer beroep openstelde bij de Kroon tegen een beschikking op grond van artikel 48 van deze wet, kon tegen een dergelijke beschikking geen beroep worden ingesteld bij het College.

Het voorgaande leidt ertoe dat het College zich onbevoegd dient te verklaren van het beroep kennis te nemen.

Artikel 1, eerste lid, van de tot 1 januari 1994 geldende Tijdelijke wet Kroongeschillen bracht mee dat de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State diende

te beslissen op een Kroonberoep, ingesteld op grond van artikel 66 van de Wet personenvervoer.

Aangezien ingevolge artikel III van de Overgangs- en slotbepalingen van de Wet voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie per 1 januari 1994 de rechtbank bevoegd is indien beroep op de Kroon is opengesteld, zal het College overeenkomstig artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht het beroepschrift doorzenden aan de rechtbank als bevoegde rechter.

4. De beslissing

Het College

- verklaart zich onbevoegd;

- draagt de griffier op beroepschrift door te zenden naar de arrondissementsrechtbank te Haarlem;

- bepaalt dat het aan het College betaalde griffierecht zal worden terugbetaald.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2001.

w.g. D. Roemers w.g. R.P.H. Rozenbrand