Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2130

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/627
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/627 6 juni 2001

5135

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr ir J.L. Mieras, medewerker bij de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, te Goes

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 27 juli 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 juni 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen verweerders beslissing op appellants aanvraag om steun ingevolge de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 23 oktober 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 14 maart 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten nader hebben doen toelichten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 229/95, is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 4

2.a De steunaanvraag "oppervlakten" mag na de uiterste datum voor de indiening ervan worden gewijzigd op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten de wijziging uiterlijk op de data als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad ontvangen.

Wat de percelen landbouwgrond betreft, mag de steunaanvraag "oppervlakten" slechts worden gewijzigd in bijzondere gevallen die naar behoren zijn gemotiveerd, zoals met name een overlijden, een huwelijk, aan- of verkoop of de sluiting van een pachtovereenkomst. De Lid-staten stellen de desbetreffende voorwaarden vast. Het is evenwel niet mogelijk een perceel toe te voegen aan de percelen die voor een braaklegging of als voederareaal zijn aangegeven, tenzij het een geval betreft dat overeenkomstig de desbetreffende bepalingen naar behoren is gemotiveerd en op voorwaarde dat dit perceel reeds voor braaklegging of als voederareaal was opgenomen in een steunaanvraag van een ander bedrijfshoofd, welke laatste steunaanvraag dienoverkomstig wordt gecorrigeerd.

Met betrekking tot het gebruik of de betrokken steunregelingen kunnen in alle gevallen wijzigingen worden aangebracht. Het is evenwel niet mogelijk een perceel toe te voegen aan de percelen, die voor een braaklegging zijn aangegeven.

(...)

Artikel 5 bis

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 4 en 5 kan een steunaanvraag, in geval van een door de bevoegde instantie erkende klaarblijkelijke fout, na de indiening op elk moment worden aangepast."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft op 10 mei 1999 met gebruikmaking van het daarvoor bestemde formulier een Aanvraag oppervlakten 1999 vereenvoudigde regeling en voederareaal ingediend. Het aanvraagformulier heeft betrekking op in totaal eenentwintig percelen.

- Bij besluit van 29 november 1999 heeft verweerder appellant bericht dat de aanvraag is goedgekeurd en dat voor hem een definitieve oppervlakte voederareaal ten behoeve van de Regeling dierlijke EG-premies is vastgesteld van 12.85 hectare.

- Appellant heeft naar aanleiding hiervan telefonisch contact met verweerder opgenomen en verklaard, dat hij geen voederareaal, doch steun op grond van de Regeling had willen aanvragen.

- Bij schrijven van 22 december 1999 heeft appellant verweerder een gewijzigd aanvraagformulier toegezonden en verzocht hem alsnog maispremie toe te kennen.

- Verweerder heeft dit schrijven aangemerkt als een bezwaarschrift. Op grond van de overweging dat het bezwaar kennelijk ongegrond was heeft verweerder ervan afgezien om appellant in de gelegenheid te stellen zijn bezwaar mondeling nader toe te lichten.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - samengevat - onder meer het volgende in.

Een aanvraag kan volgens de geldende regelgeving na de uiterste indieningsdatum slechts worden gewijzigd als sprake is van een duidelijke fout. Er is hier geen sprake van een zodanige fout. De aanvraag is niet onlogisch, niet onvolledig en consequent ingevuld. Het staat de ondernemer vrij om steun aan te vragen. Hij is ook zelf verantwoordelijk voor de juiste invulling van zijn aanvrage.

In het werkdocument van de Europese Comissie van 18 januari 1999 wordt gepreciseerd wanneer sprake is van duidelijke vergissingen. Daarbij gaat het kort gezegd om vergissingen, die bij enkele vergelijking van de op het aanvraagformulier verstrekte gegevens reeds kunnen blijken. Verweerder acht zich niet verplicht, zich te verdiepen in de motieven van aanvragers.

Verweerder is van oordeel, dat hier geen sprake is van een duidelijke fout, zodat de aanvraag niet gewijzigd kan worden.

Appellant komt dus niet voor de gevraagde steun in aanmerking.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

" Allereerst meent cliënt dat hij geschaad is in zijn belangen nu hij niet gehoord is.

Cliënt heeft abusievelijk in de boekhouding gewassen 1999, voor snijmaïs bij de percelen 6, 10, 11 en 14, de bijdragecode 805 gebruikt in plaats van 815. Het bedrag welke hij hierdoor misloopt is 12,85 ha x f 850,22 is f 10.925,33.

Verordening 229/95 van 3 februari 1995 schrijft voor dat wanneer er sprake is van een door de bevoegde instantie erkende klaarblijkelijke fout, de aanvraag op elk moment na de indiening kan worden gewijzigd.

De legitieme vraag kan gesteld worden waarom is cliënt niet in de gelegenheid gesteld om zijn aanvraag te wijzigen. Nergens staat dat de Minister de fout zelf had moeten ontdekken al dan niet door een tegenstrijdigheid.

Cliënt heeft een klaarblijkelijke fout gemaakt. Dat staat vast. Waarom zou de Minister deze fout niet kunnen erkennen? En hem in de gelegenheid stellen de aanvraag te wijzigen? Van bedrog is geen sprake. Cliënt heeft volkomen t.g.t. gehandeld.

De eis van tegenstrijdigheid in de aanvraag staat niet in de tekst van de verordening.

Om deze reden verzoek ik u het onderhavige besluit te vernietigen en het hierheen te leiden dat cliënt de premie ontvangt waarop hij recht heeft

(f 10.925,33) met veroordeling van de Minister in de kosten."

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt voorop dat verweerder zich op goede grond op het standpunt stelt dat slechts aan het bezwaar van appellant tegemoet had kunnen worden gekomen, indien door appellant bij de aanvraag oppervlakten een klaarblijkelijke fout is gemaakt. Immers alleen in dat geval is het blijkens artikel 5 bis van Verordening (EEG) nr. 3887/92 ook na afloop van de uiterste indieningsdatum van een aanvraag mogelijk die aanvraag te wijzigen.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft in een werkdocument van

18 januari 1999, VI/7103/98 Rev2-NL, enkele richtsnoeren inzake manifeste fouten in de zin van genoemd artikel 5 bis vastgesteld. Als manifeste fouten worden in dit werkdocument aangemerkt direct in het oog springende fouten en tegenstrijdigheden, die bij een aandachtiger onderzoek van de in de aanvraag verstrekte gegevens geconstateerd worden, alsmede eigenaardigheden, die betrekking hebben op aanduidingen of nummers van percelen of dieren. Benadrukt wordt dat het moet gaan om identificatiefouten. Fouten met betrekking tot de teelt gelden in beginsel niet als duidelijke fouten. Bij verwisseling van percelen zou een uitzondering gemaakt kunnen worden, mits het niet gaat om een perceel, dat wordt gebruikt als braakgrond of met voedergewassen beteelde oppervlakte.

Het College overweegt dat genoemd werkdocument niet is aan te merken als een verordening, een richtlijn of een beschikking in de zin van artikel 249 EG en dat derhalve aan dit werkdocument niet de verbindende kracht toekomt die verweerder hieraan wenst te verbinden. Naar zijn inhoud betreft dit werkdocument bovendien niet een limitatief systeem van mogelijke gronden om wijziging van de aanvraag na de sluitingsdatum toe te staan.

Dit neemt niet weg dat verweerder de bevoegdheid om aan de hand van dit werkdocument en de daaraan voorafgaande, qua strekking vergelijkbare werkdocumenten binnen de door Verordening (EEG) nr. 3887/92 getrokken grenzen een vaste beleidslijn te ontwikkelen, zeker niet ontzegd kan worden.

Verweerder heeft er terecht op gewezen, dat de "Aanvraag oppervlakten 1999 vereenvoudigde regeling en voederareaal" geen tegenstrijdigheden bevat. Uit dien hoofde bestond er derhalve geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze aanvraag. Het College wijst er in dit verband met name op, dat niet alleen bij de diverse percelen als bijdragecode 805 vermeld is, maar dat ook bij de vraag naar de totale oppervlakte van het voederareaal de samengetelde oppervlakte van de vier percelen vermeld is.

In het licht van deze overwegingen biedt, hetgeen appellant heeft aangevoerd, geen grond voor het oordeel, dat verweerder de aanwezigheid van een klaarblijkelijke fout, als bedoeld in artikel 5 bis van Verordening (EEG) nr. 3887/92 had moeten erkennen en naar aanleiding van appellants bezwaarschrift wijziging van de aanvraag had moeten toestaan.

Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, mr M.J. Kuiper en mr W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2001.

w.g. H.G. Lubberdink w.g. Th.J. van Gessel