Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2129

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/872
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 99/872 28 mei 2001

25100

Uitspraak in de zaak van:

A, te Noordwijk aan Zee, appellant,

tegen

het Examenbureau, bedoeld in artikel 85 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr G. Metske, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 2 november 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 september 1999.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de weigering appellant toe te laten tot de mondeling tentamenronde die in augustus 1999 is gehouden in het kader van het accountantsexamen als bedoeld in artikel 80 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten.

Verweerder heeft op 7 februari maart 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 26 oktober 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden alwaar partijen hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten (hierna: de Wet) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 38

In het accountantsregister kunnen worden ingeschreven zij, die beschikken over:

a. een diploma, afgegeven op grond van het met goed gevolg afgelegd hebben van het in artikel 80 bedoelde examen;

(...).

Artikel 80

Er is een accountantsexamen, dat bestaat uit een theoretisch gedeelte en een praktijkgedeelte.

Artikel 82

(...)

4. Ten behoeve van het praktijkgedeelte van het examen dient gedurende ten minste drie jaar een praktijkopleiding die in het bijzonder betrekking heeft op de controle van jaarrekeningen, geconsolideerde jaarrekeningen of soortgelijke financiële opstellingen te worden gevolgd bij personen die voldoende waarborgen bieden voor de opleiding van de stagiair.

Artikel 87

1. Het examenbureau regelt de inrichting van het examen."

Bij artikel IV van de Wet van 6 augustus 1993 tot wijziging van de Wet op de registeraccountants en de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten (Stb. 1993, 465; in werking getreden 10 september 1993; hierna: de overgangsregeling) is onder meer het volgende bepaald:

" Paragraaf 2. Overgangsregeling inschrijving in het accountantsregister

Artikel 2

1. Mits de aanvraag om inschrijving is ingediend binnen zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet kunnen, in afwijking van artikel 38 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten in het accountantsregister tevens worden ingeschreven zij, die beschikken over een bewijsstuk waaruit blijkt dat zij uiterlijk binnen zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet met goed gevolg hebben afgelegd:

(...)

c. het theoretisch gedeelte van het in artikel 80 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten bedoelde examen;

(...)."

In het 'examenreglement Accountants-Administratie-consulenten' (Stcrt. 20 juli 1999, 136) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 2a

Het Examenbureau AA, zoals bedoeld in artikel 85 van de Wet:

1. Biedt kandidaten ten minste tweemaal per jaar de gelegenheid tot het afleggen van een examen. (...)

3. Laat alle tentamens schriftelijk afnemen.

(...).

Artikel 2b

Het Examenbureau AA, zoals bedoeld in artikel 85 van de Wet:

1. Kan individuele kandidaten de mogelijkheid bieden tot het afleggen van een mondeling tentamen. (...)

2. Kan bij bijzondere omstandigheden bepalen dat een extra mondelinge tentamenronde zal worden afgenomen. (...)

Artikel 9

Door het Examenbureau AA worden nadere regelen vastgesteld met betrekking tot het theoretisch gedeelte van het examen zoals bedoeld in artikel 80 van de wet, alsmede (...)."

In de 'Nadere regelingen met betrekking tot het theoriegedeelte van het examen zoals bedoeld in artikel 80 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten'

(Stcrt. 20 juli 1999, 136; hierna ook: de Nadere regelingen) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 17

1. Een extra mondelinge tentamenronde zal worden georganiseerd in augustus 1999 voor de kandidaten die nog één vak moeten afronden om het Examen vóór 10 september 1999 te behalen en voor dat vak al minimaal een keer hebben deelgenomen aan een schriftelijk tentamen.

2. Het tentamen wordt afgenomen door twee examinatoren die worden aangewezen door het examenbureau. De twee examinatoren nemen het examen af en leggen de vragen en bevindingen in een protocol vast. Ze bepalen gezamenlijk het oordeel over de kandidaat.

3. Het examenbureau kan deskundigen aanwijzen om toezicht te houden op het verloop van de mondelinge examens."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft op 23 juli 1999 een inschrijfformulier ingediend ten behoeve van de mondelinge examens Accountant-Administratieconsulent met volledige certificeringsbevoegdheid.

- Bij brief van 5 augustus 1999 heeft verweerder appellant onder meer het volgende geantwoord:

" Helaas hebben wij moeten constateren dat de door u ingezonden stukken met betrekking tot uw aanmelding voor de mondelinge examens niet compleet zijn. Zo ontbreken de stukken waaruit blijkt dat u de vakken privaatrecht, wiskunde en algemene organisatie uit fase 1 en het volledige vak LAC II uit fase 2 heeft behaald, danwel dat u daarvan vrijgesteld zou zijn, evenmin is de door u toegezonden cijferlijst gewaarmerkt.

Ondanks dat de inschrijfformulieren uiterlijk 23 juli 1999 compleet in ons bezit hadden moeten zijn, hebben wij u in ons schrijven van 26 juli jongstleden in de gelegenheid gesteld de hierboven vermelde stukken alsnog binnen een week na dagtekening van dat schrijven te doen toekomen. Daarop hebben wij van u geen antwoord ontvangen."

- De mondelinge tentamenronde, voorzien bij artikel 17 van de Nadere regelingen, heeft plaats gehad van 16 tot en met 24 augustus 1999.

- Tegen verweerders besluit van 5 augustus 1999 heeft appellant bij faxbericht van

30 augustus 1999 bezwaar gemaakt.

- Op 8 september 1999 heeft verweerder appellant ter zake van dit bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit is onder meer als volgt overwogen.

" Het examenbureau AA heeft ten behoeven van de mondelinge tentamenronde via Noviteiten, Accountant-Adviseur en de Staatscourant de voorwaarden voor deelname aan de augustus-ronde bekend gemaakt. Deze voorwaarden zijn eveneens opgenomen in het inschrijvingsformulier dat u op 23 juli 1999 -zij het onvolledig- heeft ingediend. Uit deze voorwaarden blijkt duidelijk u niet aan alle voorwaarden voldoet. Een van deze voorwaarden was juist dat u nog slechts een vak moest herkansen waarbij u bij een voldoende resultaat het diploma uitgereikt zou kunnen worden. Juist nu u naast het vak Fiscale Advisering Midden- en Kleinbedrijf ook het tentamen Administratieve Organisatie uit fase I nog niet heeft behaald op 23 juli 1999, is het duidelijk dat u niet aan de voorwaarden tot deelname aan het mondelinge tentamen voldeed. Om die reden is aan u op 5 augustus 1999 medegedeeld dat uw verzoek tot deelname niet in behandeling kan worden genomen.

Tijdens de hoorzitting heeft u aangegeven dat u op 25 augustus 1999 het tentamen Administratieve Organisatie uit fase I heeft behaald en dat u om die reden wilt worden toegelaten tot de mondelinge tentamenronde. Voor het behalen van het theoriegedeelte van het examen dient alleen het vak Fiscale Advisering MKB te worden afgerond. Uit de verklaring van de Haagse Hogeschool van 30 augustus 1999 blijkt dat dit het geval is.

Naar de mening van de commissie bezwaarschriften kan het Examenbureau AA niet achteraf een verzoek in behandeling nemen indien aan de overige voorwaarden - in dit geval dat het verzoek volledig is ingediend voor 23 juli 1999 - niet is voldaan. Aan uw bezwaren tegen het feit dat uw verzoek niet in behandeling is genomen kunnen wij niet tegemoet komen. Temeer nu u eerder de mogelijkheid is geboden uw bescheiden aan te vullen. Aan uw verzoek om alsnog een mondeling tentamen Fiscale Advisering Midden- en Kleinbedrijf af te nemen komen wij niet tegemoet."

Ten verweer is onder meer nog het volgende door verweerder aangevoerd:

" Appellant geeft aan dat het Examenbureau AA niet flexibel is geweest met het oog op de afloop van de overgangsregeling. Naar de mening van het Examenbureau AA ten onrechte. Het Examenbureau AA was immers allerminst verplicht een extra mondelinge ronde te organiseren. Het Examenbureau AA heeft alles in het werk gesteld om de mondelinge ronde toch doorgang te doen vinden. Hiertoe zijn zelfs de reglementen en nadere regels aangepast nu deze niet de mogelijkheid boden om een extra mondelinge ronde te organiseren.

Het examenbureau AA heeft echter met het oog op de te bewaren kwaliteitseisen van het accountantsexamen gemeend de examinatoren en de leden van de vakcommissie de reële mogelijkheid te bieden een kwalitatief goed tentamen af te nemen. Het afnemen van tentamens die na de mondelinge ronde worden gehouden passen - behoudens zeer uitzonderlijke situaties - niet in dit beeld, immers hierdoor zou het aan juiste voorbereiding kunnen gaan ontbreken.

Voor de goede orde zij vermeld dat het Examenbureau RA van het NIVRA

(de zusterorganisatie voor de registeraccountants) in het geheel geen extra mondelinge ronde heeft georganiseerd. Het Examenbureau RA kent echter wel een reguliere afsluitende mondelinge toets die aan het einde van het opleidingsprogramma wordt afgenomen. De situatie waar appellant naar verwijst is derhalve een geheel andere."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft bij zijn beroepschrift onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

" Begin augustus heb ik echter reeds zowel telefonisch als door middel van een fax, met het examenbureau contact gehad. Hierin heb ik aangegeven dat ik nog twee vakken heb openstaan, waarvoor geldt dat ik een van deze vakken door middel van een hertentamen in augustus 1999 bij de onderwijsinstelling alsnog kon behalen. Op grond van dit feit heb ik voorgesteld om mij toch toe te laten aan het mondelinge tentamen voor het andere vak. (bij het niet halen van het hertentamen bij de onderwijsinstelling zou de uitslag van het mondelinge tentamen alsnog doorgehaald kunnen worden.). Hier is door het examenbureau negatief op gereageerd.

In de brief van de NOVAA wordt aangegeven dat ik tijdens de hoorzitting heb aangegeven dat ik het tentamen van het andere nog openstaande vak, hertentamen afgenomen op 25 augustus door de onderwijsinstelling, heb behaald. Dit heb ik echter reeds op 27 augustus aan het examenbureau (in de persoon van B) medegedeeld.

In de brief wordt aangegeven dat een van de openstaande vakken Administratieve organisatie betrof. Dit moet echter zijn organisatie en management (laatsgenoemde is geen hoofdvak binnen de opleiding accountancy).

(...)

Bovenstaande mededelingen van de waarnemend voorzitter geeft mijn inziens op voldoende wijze aan dat hier sprake is van een praktische bepaling van de uiterste datum. Mede gezien het aanwezige belang (uiterste inschrijfdatum in het register), ben ik van mening dat enige flexibiliteit van de NOVAA verwacht mag worden.

(...)

Bij de hoorzitting werd door de waarnemend voorzitter aangegeven dat het besluit om studenten toe te laten, die nog één vak hebben openstaan mede heeft plaatsgehad om te voorkomen dat er nog een stroom aan studenten zouden afstuderen en derhalve certificeerde bevoegdheid verkrijgen zonder dat zij enige ervaring hebben. In dit kader gloorde bij mij enige hoop, aangezien ik reeds van augustus 1994 werkzaam ben in de accountancy bij een gerenommeerd kantoor (big-five) met daarnaast nog een stage van in totaal

7 maanden in 1993 en begin 1994. In deze jaren heb ik mij ontwikkeld tot een sparringspartner voor het midden- en kleinbedrijf. Mijn cliëntenpakket bestaat zowel uit samenstellingsopdrachten als controle-opdrachten.

(...)

Inhoud beslissing

In de beslissing wordt aangegeven dat ik op 23 juli 1999, er slechts één vak nog mocht openstaan en dat ik derhalve niet aan deze eis voldeed. Mijn bezwaar op dit argument is de volgende:

Indien ik eind augustus bezwaar zou hebben aangetekend, met daarbij als bijlage de verklaring van de onderwijsinstelling, zonder aan te geven wat de oorzaak van de late datum van verstrekking van de verklaring is geweest, dan zou er geen enkele grond aanwezig zijn om mij af te wijzen. Ik zou dan namelijk na indiening van mijn bezwaar alsnog aan de eisen voldoen (deze eis was 'een verklaring van de onderwijsinstelling dat nog één vak niet is behaald').

(...)

De vakken volgens de NOVAA lopen niet synchroom met de vakken, die worden afgenomen bij de onderwijsinstelling (heao), waar ik de studie volgde. Zo moet ik het vak belastingrecht3 bij de heao nog doen. Bij de NOVAA kent men slechts het vak fiscale advisering. Het vak fiscale advisering heeft de inhoud van de vakken belastingrecht2 en 3 bij de heao. Aangezien ik het vak belastingrecht2 al heb behaald, moest ik eigenlijk nog een 1/2 vak doen, echter dat kent de NOVAA niet en moest ik gewoon het vak fiscale advisering doen.

Van de heao heb ik begrepen dat indien ik in plaats van de vakken organisatie en management en belastingrecht3, de vakken belastingrecht2 en 3 nog had openstaan, ik volgens de regels van de NOVAA wél had mogen meedoen.

Afhankelijkheid onderwijsinstelling

Een van de vakken, die ik nog had openstaan, organisatie en management, heb ik op 25 augustus behaald. De onderwijsinstelling (heao) heeft geen rekening gehouden met de voor de NOVAA blijkbaar belangrijke datum 23 juli. Zij wilde slechts een hertentamen afnemen in augustus. Deze datum was reeds

lange tijd in hun examenschema's vastgelegd en wilde daar derhalve niet meer van afwijken. De beslissing van de NOVAA impliceert derhalve dat ik het slachtoffer ben van de starheid en inflexibiliteit van de onderwijsinstelling. Immers had men het hertentamen in juni of juli afgenomen, dan was er niets aan de hand geweest."

5. De beoordeling van het geschil

Tussen partijen is in geschil of verweerder appellant toelating tot het extra mondeling tentamen in augustus 1999 heeft kunnen weigeren. Appellant meent van niet en heeft hiertoe ten eerste aangevoerd dat verweerder begin augustus 1999 wist dat appellant in de loop van die maand bij de onderwijsinstelling een hertentamen zou afleggen, bij het behalen waarvan hij zou voldoen aan de eis van toelating tot een extra mondeling tentamen in het andere van de twee vakken die aanvankelijk nog openstonden. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

Vaststaat dat appellant bij aanvang van de extra mondelinge tentamenronde op 16 augustus 1999 niet behoorde tot de kandidaten die nog één vak moesten afronden en voor wie de extra mondelinge tentamenronde ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Nadere regelingen is georganiseerd. Eerst op 25 augustus 1999 en derhalve na sluiting van deze tentamenronde op 24 augustus 1999 heeft appellant het hertentamen in één van de twee nog openstaande vakken met goed gevolg afgelegd.

Derhalve voldeed appellant ten tijde van de extra mondelinge tentamenronde niet aan het bepaalde bij genoemd artikel 17, eerste lid. Aldus bood deze bepaling verweerder grondslag voor zijn weigering appellant toe te laten tot de extra mondelinge tentamenronde.

Voor zover appellant heeft beoogd te betogen dat van verweerder meer flexibiliteit verwacht mag worden en dat verweerder rekening had behoren te houden met de ervaring die appellant sinds 1994 heeft opgedaan, kan het College appellant hierin niet volgen. Immers, uitgangspunt is het bepaalde bij artikel 38 van de Wet, dat strekt ter uitvoering van Richtlijn 84/253/EEG. Op deze bepaling is bij wege van overgangsmaatregel als bedoeld in artikel 18 van deze Richtlijn een uitzondering gemaakt bij artikel IV van de Wet van

6 augustus 1993, hiervoor vermeld, welke uitzondering in de tijd beperkt en strikt geformuleerd is. Met het oog op de afloop van deze tijdelijk uitzondering is de extra mondelinge tentamenronde in augustus 1999 gehouden. Het College ziet geen grond voor het oordeel en appellant heeft trouwens ook niet betoogd, dat de voorwaarden voor deze extra tentamenronde, bepaald bij artikel 17, eerste lid, van de Nadere regelingen, onrechtmatig zouden zijn. De omstandigheid dat appellant niet tijdig, voorafgaand aan de extra tentamenronde, aan deze voorwaarden heeft voldaan, vormt geen grond voor verweerder om in afwijking van genoemde bepalingen appellant alsnog tot een mondeling tentamen toe te laten.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr J.A. Hoovers-Backaert, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2001.

w.g. M.J. Kuiper De griffier is verhinderd

te ondertekenen