Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2104

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/596
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/596 23 mei 2001

4230

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

tegen

Het Productschap Vis, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigden: mr drs H. van der Heuvel en mr M. Wijdeveld.

1. De procedure

Op 17 juli 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen waarbij beroep wordt ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 juni 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de aan appellante op

22 december 1999 ambtshalve opgelegde heffing over 1998 ongegrond verklaard.

Verweerder heeft op 14 september 2000 een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft op 2 april 2001 een nader stuk ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 11 april 2001 alwaar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht; verweerder bij monde van zijn gemachtigden. Appellante werd ter zitting vertegenwoordigd door C en D.

2. De grondslag van het geschil

De artikelen 3 en 9 van de Instellingsverordening Productschap Vis houden - onder meer - het volgende in:

" Artikel 3

1. Er is een Productschap Vis.

2. Het productschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin:

a. de visserij wordt uitgeoefend;

b. de vis wordt be- of verwerkt tot produkten, welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijk of dierlijk voedsel kunnen dienen;

c. de handel - met uitzondering van de aanvoer-, transito- en driehoekshandel - wordt uitgeoefend in vis of uit vis verkregen produkten, welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijk voedsel kunnen dienen.

3. Als ondernemingen, bedoeld in het tweede lid, worden mede aangemerkt de veilingen van de in de in dat lid bedoeld produkten.

4. Het productschap is gevestigd te Rijswijk.

(...)

Artikel 9

1. De door het productschap krachtens artikel 126, eerste lid, van de wet op te leggen heffingen kunnen worden opgelegd naar een grondslag welke het bestuur passend acht.

2. Het productschap kan heffingen opleggen voor een ander doel dan de dekking van de huishoudelijke uitgaven van het productschap."

Een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Noordwest-Holland, d.d. 3 augustus 2000, met betrekking tot appellante houdt - voor zover thans van belang - het volgende in :

" Onderneming:

Handelsna (a) m (en) :A

Adres :B

Datum vestiging :24-03-1997

Bedrijfsomschrijving :Het deelnemen in alsmede directie voeren

over andere ondernemingen

Werkzame personen :0

----------------------------------------------------------------------------------------------

Enig aandeelhouder:

Naam :E 2

Adres :B

Inschrijving handelsregister

onder nummer :37078109

Enig aandeelhouder sedert :24-03-1997

----------------------------------------------------------------------------------------------

Bestuurder (s):

Naam :E / 3

Adres :B

Inschrijving handelsregister

onder nummer :37078109

Infunctietreding :24-03-1997

Titel :Directeur

Bevoegdheid :Alleen/zelfstandig bevoegd"

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting staat in deze zaak - voor zover thans van belang - het volgende vast.

- Op 22 december 1999 heeft verweerder aan appellante ambtshalve een heffing opgelegd ad fl. 2.747,45.

- Hiertegen heeft appellante bij schrijven van 31 januari 2000 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

- Een afrekening, gedateerd 15 maart 2001, van F met betrekking tot de G, is gericht aan H, te B.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - samengevat - onder meer het volgende in.

" Het bezwaar is gericht op het feit, dat u in het buitenland rechtstreeks garnalen aanlandt en aanvoert bij een Deens (Hollands) bedrijf, dat volgens uw informatie geen heffing betaalt. Op grond hiervan bent u van mening dat u niet de verplichting heeft de aanvoerheffingen te moeten betalen. Verder is het bezwaar gericht op het feit dat naar uw mening feitelijk gezien hier ook geen enkele tegenprestatie tegenover staat. In uw brief van 20 maart 2000 geeft u aan hiermee te bedoelen, dat wanneer u met uw bedrijf rechtstreeks in Denemarken garnalen aanlevert aan F, u daarbij niet constateert dat er fysieke handeling van het productschap aan te pas komt. U stelt dat in het buitenland geen werkzaamheden door het productschap worden verricht.

Verder is het bezwaar gericht op het feit dat het productschap bij het opleggen van de ambtshalve heffing uitgaat van geschatte gegevens. De reden voor het niet doen van opgave is gelegen in het feit dat u niet heeft kunnen vaststellen dat u een heffing moet betalen.

De Instellingsverordening van het Productschap Vis geeft in artikel 3 lid 2, onder a, aan dat het productschap is ingesteld voor ondernemingen waarin de visserij wordt uitgeoefend. Uw bedrijf is daarmee een onderneming waarvoor het productschap is ingesteld. Het Productschap Vis is een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie van en voor de gehele vissector."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep het volgende aangevoerd

Appellante voert de directie van twee besloten vennootschappen, te weten E en A, welke ieder eigenaar zijn van een vissersvaartuig. Deze vissersvaartuigen worden geëxploiteerd door vennootschappen onder firma waarvan de bemanningsleden van de respectievelijke schepen de vennoten zijn.

Appellante heeft zich nimmer als lid aangesloten bij verweerder; zij is niet gehouden de opgelegde heffing te betalen.

De garnalen worden nog op zee verkocht aan een Deens bedrijf. De aanvoer van deze garnalen in een Deense haven valt niet onder de Nederlandse wetgeving.

Verweerder voert in het buitenland geen taken uit. Bij de activiteiten van verweerder is appellante niet gebaat.

Een Deens bedrijf van Nederlandse oorsprong betaalt geen heffing.

5. De beoordeling van het geschil

Voor de beoordeling van de opgelegde heffing is allereerst van belang of verweerder de heffing heeft opgelegd aan een (rechts)persoon voor wie ingevolge het bepaalde in artikel 3 van de Instellingsverordening Productschap Vis verweerder is ingesteld.

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting is het College niet gebleken dat verweerder de heffing, wat verder ook zij van de juistheid hiervan, heeft opgelegd aan een zodanige (rechts)persoon.

Appellante houdt zich blijkens het uittreksel afkomstig van de desbetreffende Kamer van Koophandel en Fabrieken bezig met het voeren van de directie over andere ondernemingen. Desgevraagd kon verweerder niet mededelen of beheersmaatschappijen van visserijondernemingen door hem met betrekking tot de oplegging van heffing als visserijondernemingen werden aangemerkt.

Het College is van oordeel dat verweerder het besluit tot oplegging van de heffing onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Verweerder had nader dienen te onderzoeken of appellante wel als de visserijonderneming dient te worden beschouwd die in Denemarken de garnalen heeft aangeland in verband waarmee hij heffing heeft opgelegd. Verweerder had voorts zijn keuze voor appellante, nu deze niet aanstonds voor de hand ligt, nader dienen te motiveren.

Bovenstaande betekent dat het beroep gegrond moet worden verklaard en dat het besluit dient te worden vernietigd, aangezien gehandeld is in strijd met het bepaalde bij artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het College acht voorts termen aanwezig voor nadere beslissingen als hierna vermeld.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van appellante beslist met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van fl. 450,-- (zegge vierhonderd en vijftig gulden) vergoedt.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr C.J. Borman en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op

23 mei 2001.

w.g. D. Roemers w.g. A. Bruining