Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2101

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-05-2001
Datum publicatie
01-08-2002
Zaaknummer
AWB 01/200 en 01/201
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit werkingssfeer maximumtarieven WTG 1 aanhef
Besluit werkingssfeer WTG 1992 Punt A
Wet tarieven gezondheidszorg 3
Wet tarieven gezondheidszorg 17a
Wet tarieven gezondheidszorg 17b
Wet tarieven gezondheidszorg 17c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2001, 104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nrs.AWB 01/200 en 01/201 29 mei 2001

13730

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

1. Nederlandse Raad van Particuliere Klinieken, gevestigd te Leidschendam,

2. A, gevestigd te B,

3. C, gevestigd te D,

4. E, gevestigd te F,

5. G, gevestigd te H, verzoeksters,

gemachtigde: mr A.J.H.W.M. Versteeg, advocaat te Amsterdam,

tegen

het College tarieven gezondheidszorg (Ctg), verweerder,

gemachtigde: mr J.G.F.M. Hoffmans, advocaat te 's-Gravenhage.

1. De procedure

Bij besluit van 13 februari 2001 heeft verweerder afwijzend beslist op het door verzoekster sub 1 ingediende verzoek om op grond van artikel 17c, tweede lid, van de Wet tarieven gezondheidszorg (hierna: de Wet) een maximumprijs ad fl. 2.295,- vast te stellen voor zogenoemde "wachtlijst-cataractoperaties" in zelfstandige behandelcentra (hierna: besluit I). Bij besluit van dezelfde datum heeft verweerder afwijzend beslist op het door verzoekster sub 1 ingediende verzoek om op grond van artikel 17c, tweede lid, van de Wet een maximumtarief ad fl. 35,- vast te stellen als kostenvergoeding voor het eerste polikliniekbezoek voor alle specialismen in zelfstandige behandelcentra (hierna: besluit II).

Tegen deze besluiten hebben verzoeksters bij brieven van 23 maart 2001 bezwaarschriften ingediend. Voorts hebben verzoeksters bij verzoekschriften van gelijke datum, binnengekomen op 26 maart 2001, aan de president van het College verzocht voorlopige voorzieningen te treffen, inhoudende:

- besluit I te schorsen en met betrekking tot dit besluit de voorlopige voorziening te treffen dat verzoekerster worden behandeld als waren zij in het bezit van een tariefbeschikking waarin een maximumtarief voor cataractoperaties is vastgesteld op het bedrag van fl. 2.295,-, althans een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de president in goede justitie zal vermenen te behoren (dit verzoek om voorlopige voorziening is geregistreerd onder nummer AWB 01/200);

- besluit II te schorsen en bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat verzoeksters worden behandeld als waren zij in het bezit van een tariefbeschikking op basis waarvan zij een tarief van fl. 35,- voor een eerste polikliniekbezoek in rekening mogen brengen, althans een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de president in goede justitie zal vermenen te behoren (dit verzoek om voorlopige voorziening is geregistreerd onder nummer AWB 01/201).

Bij brieven van 24 april 2001 zijn de Kontaktcommissie Publiekrechtelijke Ziektekostenregelingen voor ambtenaren (hierna: de KPZ) en Zorgverzekeraars Nederland (hierna: ZN) in de gelegenheid gesteld als partijen aan het geding deel te nemen.

Verweerder heeft op 20 april 2001 schriftelijk op de verzoeken om voorlopige voorziening gereageerd.

Verzoeksters hebben op 18 mei 2001 en 21 mei 2001 drie, respectievelijk twee producties in geding gebracht.

Verweerder heeft op 16 en 18 mei 2001 in het totaal vier producties in geding gebracht.

De president heeft de verzoeken gevoegd behandeld ter zitting van 22 mei 2001. Bij die gelegenheid is gebleken dat het onder nr. AWB 01/200 geregistreerde verzoek om voorlopige voorziening uitsluitend verzoeksters sub 1 en 3 aangaat en dat het onder nr. AWB 01/201 geregistreerde verzoek alle verzoeksters regardeert.

Ter zitting hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader uiteen gezet. Voor verzoekster sub 1 is tevens het woord gevoerd door I. Voor verzoekster sub 4 is verschenen J (oogarts). Voor verzoekster sub 5 zijn de volgende oogartsen verschenen: K, L en M. Voor verweerder is tevens het woord gevoerd door drs H. van Vliet. Daarnaast zijn voor verweerder verschenen P. van den Berg en H. Huijskens.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De toepasselijke regelgeving.

Bij de Wet is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 3

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder representatieve organisaties van organen voor gezondheidszorg en representatieve organisaties van ziektekostenverzekeraars verstaan de organisaties van organen voor gezondheidszorg of van ziektekostenverzekeraars, welke Onze Minister op hun verzoek als zodanig aanwijst voor bij zijn besluit aangegeven categorieën van organen voor gezondheidszorg of van ziektekostenverzekeraars.

2. (...)

3. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kan onder voorwaarden of voor bepaalde tijd worden gegeven.

Artikel 17a

Voor bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen prestaties en voor prestaties van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van organen voor gezondheidszorg zijn de artikelen 2, 4, 5, 7, 8, eerste en tweede lid, en 9 niet van toepassing.

Artikel 17b

1. Het is verboden voor een prestatie ten aanzien waarvan artikel 17a is toegepast, een tarief in rekening te brengen indien voor die prestatie niet overeenkomstig deze wet een maximumtarief is goedgekeurd of vastgesteld.

2. Het is verboden voor een prestatie waarvoor een maximumtarief is goedgekeurd of vastgesteld, een hoger tarief dan het maximumtarief in rekening te brengen.

Artikel 17c

1. Indien overleg tussen een representatieve organisatie van organen voor gezondheidszorg en een representatieve organisatie van ziektekostenverzekeraars over het maximumtarief voor een prestatie ten aanzien waarvan artikel 17a is toegepast, tot overeenstemming heeft geleid, kunnen zij het College verzoeken dat maximumtarief goed te keuren.

2. Indien overleg als bedoeld in het eerste lid, niet tot overeenstemming leidt, kan een representatieve organisatie van organen voor gezondheidszorg of een representatieve organisatie van ziektekostenverzekeraars het College verzoeken een maximumtarief vast te stellen. Daarbij wordt bepaald in welke gevallen het vastgestelde maximumtarief geldt.

3. Indien voor een prestatie ten aanzien waarvan artikel 17a is toegepast, geen

maximumtarief is tot stand gekomen en bij het College geen verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid in behandeling is, kunnen een of meer organen voor gezondheidszorg samen met een of meer ziektekostenverzekeraars het College verzoeken een maximumtarief vast te stellen. Daarbij wordt bepaald in welke gevallen het vastgestelde maximumtarief geldt."

Artikel 1 van de Regeling zelfstandige behandelcentra (Stcrt 1998, 30, hierna: de Regeling) luidt als volgt:

" Naast de in artikel 1, eerste lid, van het Besluit aanwijzing inrichtingen Wet

ziekenhuisvoorzieningen genoemde inrichtingen voor gezondheidszorg wordt als categorie van inrichtingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wet ziekenhuisvoorzieningenaangewezen: Zelfstandige behandelcentra, waaronder wordt verstaan: organisatorische verbanden die niet deel uitmaken van of fungeren ten behoeve van een ziekenhuis en die strekken tot de verlening van medisch-specialistische zorg als waarop ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Ziekenfondswet aanspraak bestaat, ongeacht de wijze waarop de kosten daarvan worden vergoed."

Bij het Besluit werkingssfeer maximumtarieven WTG zijn in artikel 1, aanhef en onder 2a en 2b als organen van gezondheidszorg als bedoeld in artikel 17a van de Wet aangewezen:

" 2a. zelfstandige behandelcentra die als zodanig een vergunning ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet ziekenhuisvoorzieningen hebben verkregen;

2b. instellingen, niet behorende tot de onder 1 tot en met 29a bedoelde categorieën en niet behorend tot de instellingen, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 4 van het Besluit werkingssfeer WTG 1992, in het kader waarvan prestaties worden geleverd door meerdere beroepsbeoefenaren als bedoeld onder b, onderdeel 5, welke met zelfstandige behandelcentra als bedoeld in 2a gelijk zijn te stellen, en die geen medisch-specialistische zorg verlenen als waarop bij of krachtens de Ziekenfondswet aanspraak bestaat, ongeacht de wijze waarop de kosten daarvan worden vergoed;"

Bij het Besluit werkingssfeer WTG 1992 zijn onder punt A als organen voor gezondheidszorg onder meer aangewezen:

" 29a. zelfstandige behandelcentra die als zodanig een vergunning ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet ziekenhuisvoorzieningen hebben verkregen,

29b. instellingen, niet behorende tot de onder 1 tot en met 29a bedoelde categorieën en niet behorend tot de instellingen, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 4, in het kader waarvan prestaties worden geleverd door meerdere beroepsbeoefenaren als bedoeld onder B, onderdeel 5, welke met zelfstandige behandelcentra als bedoeld in 29a gelijk zijn te stellen, en die geen medisch-specialistische zorg verlenen als waarop bij of krachtens de Ziekenfondswet aanspraak bestaat, ongeacht de wijze waarop de kosten daarvan worden vergoed"

Artikel 1 van de ministeriële regeling van 2 maart 2000, Stcrt. 2000, 46, luidt als volgt:

" Als representatieve organisatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet tarieven gezondheidszorg, ten behoeve van zelfstandige behandelcentra die als zodanig een vergunning ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet ziekenhuisvoorzieningen hebben verkregen, wordt tot 1 april 2001 aangewezen de Nederlandse Raad voor Particuliere Klinieken."

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- In de door de minister van VWS op 20 december 1999 voor het jaar 2000 goed-gekeurde Beleidsregel kostentarieven voor A29a- en A29b-organen (beleidsregel

V-3000-0.0) is onder meer bepaald dat de tarieven voor deze organen voor gezondheidszorg gelijk zijn aan de tarieven voor prestaties zoals deze zijn vermeld bij de CTG-rubricering A007, B501 tot en met B511 en C006 tot en met C016 in de vigerende Tarieflijst Instellingen.

- Voor het jaar 2001 heeft de minister van VWS op 18 december 2000 een identieke beleidsregel goedgekeurd (beleidsregel V-3000-0.0-2), zij het dat bij de gelijkgestelde tarieven tevens de CTG-rubriceringen B200 tot en met B220 in de vigerende Tarieflijst Instellingen zijn vermeld.

- Bij besluit van 13 december 1999, nr. 5601-3000-00-1, heeft verweerder voor het jaar 2000 maximumtarieven vastgesteld voor de zogenoemde A29a- en A29b-instellingen voor het specialisme oogheelkunde. Daarbij zijn tevens tarieven vastgesteld voor cataractoperaties.

- In juli 2000 is de Economische Controledienst (hierna: ECD) in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: ministerie van VWS) op basis van artikel 30 van de Wet tarieven gezondheidszorg, juncto het Besluit gegevensverstrekking WTG een onderzoek gestart bij de zelfstandige behandelcentra. Blijkens de door verweerder overgelegde onderzoeksopzet van

18 juli 2000 is de doelstelling van dit onderzoek:

" a) Het verkrijgen van inzicht in de naleving van de per 01-01-2000 door het CTG afgegeven tariefbeschikkingen voor zelfstandige behandelcentra en daarmee gelijk te stellen instellingen.

Bijzondere aandacht wordt hierbij gevraagd voor met zelfstandige behandelcentra gelijk te stellen instellingen die ook zorg leveren die ten laste komt van het derde verzekeringscompartiment, om deze categorie duidelijk te maken dat voor die prestaties de per 01-01-2000 door het CTG afgegeven tariefbeschikkingen van toepassing zijn;

b) het verkrijgen van inzicht in organisatie, soort prestaties, omvang, tarieven, infrastructuur en kostenstructuur van de zelfstandige behandelcentra's en daarmee gelijk gestelde instellingen.

c) Het verkrijgen van een duidelijker inzicht in de hoogte van de werkelijke kosten voor de diverse verrichtingen bij de zelfstandige behandelcentra. Dit element is ingebracht op verzoek van het College Tarieven Gezondheidszorg (CTG) om te beoordelen of de bij diverse tariefbeschikkingen voor de zelfstandige behandelcentra vastgestelde tarieven voor kosten voor prestaties verricht door medisch specialisten al dan niet toereikend zijn.

Meer gespecificeerd door het geven van inzicht in:

* (organisatie)structuur van de instelling;

* het aantal, soort en op welke basis de medisch-specialisten c.q. andere beroepsbeoefenaren in de instelling werkzaam zijn;

* het soort prestaties en omvang (aantallen) daarvan;

* de voor deze prestaties in rekening gebrachte tarieven;

* door welke medisch specialist de prestatie wordt geleverd c.q. door welk overig personeel (onder verantwoording van welke specialist) wordt de prestatie geleverd;

* het aantal en kwalificatie van de overige in de instelling werkzame personen;

* de infrastructuur van de instelling (de vaste aanwezige technische voorzieningen en inrichting);

* de omzetten en de met de omzetten verband houdende kosten van de instelling;

* de toerekening van de kostensoorten per verrichting;

* de vermogenspositie van de instelling;

* en overige van belang zijnde zaken."

- Bij brief van 23 oktober 2000 heeft de Nederlandse Raad van Particuliere Klinieken (hierna: de NRPK) zich met het navolgende verzoek tot verweerder gewend:

" Hierbij verzoeken wij u in het verlengde van hetgeen besloten is voor de algemene ziekenhuizen conform artikel 17 c2 van de WTG aangepaste tarieven vast te stellen voor zogenaamde wachtlijst-cataract operaties in Zelfstandige Behandel Centra.

Voor vergoeding van de kosten verzoeken wij u het maximum tarief voor cataract operaties van de wachtlijst vast te stellen op f 2.295,-. Dit bedrag is als volgt berekend:

Marginale meerkosten volgens NVZ f 1.950,-

FB opbrengst excl. cap. f 830,-

toename f 1.120,-

all in vergoeding voor ZBC's f 1.175,-

maximum tarief voor wachtlijst cataracten f 2.295,-

(...)"

- Bij brief van 26 oktober 2000 heeft de NRPK zich met het navolgende verzoek tot verweerder gewend:

" Hierbij verzoeken wij u op basis van art 17 c2 van de WTG een maximumtarief vast te stellen als kostenvergoeding voor het eerste polikliniekbezoek voor alle specialismen in Zelfstandige Behandel Centra.

Wij verzoeken u dit bedrag op f 35,- vast te stellen, overeenkomstig hetgeen van toepassing is op de algemene ziekenhuizen (tarief A001). Dit komt ook overeen met hetgeen in december 1999 is vastgesteld voor alle andere therapeutische en diagnostische verrichtingen in Zelfstandige Behandel Centra. De tarieven voor algemene ziekenhuizen zijn toen onverkort overgenomen.

Een Zelfstandig Behandel Centra kan u geen enkele onkostenvergoeding voor een consult declareren, alleen het honorarium, conform de tabel "binnen ziekenhuis", dus zonder kosten, mag gedeclareerd worden.

Het hoeft ons inziens geen betoog dat een stichting die een Zelfstandig Behandel Centrum exploiteert voor een patiënt die op consult komt bij een medisch specialist kosten moet maken, zoals bijvoorbeeld:

* Kosten van het maken van een afspraak.

* Kosten doktersassistente die de medisch specialist tijdens spreekuur ondersteunt.

* Kosten van huisvesting, zoals spreekkamer, wachtkamer, kamer assistente.

* Kosten verrichtingen waarvoor geen CTG tarief is.

* Algemene kosten zoals energie, verzekeringen, telefoon, porti.

* Overhead en administratie.

* Kosten gerbruiks- en verbruiksmiddelen.

* Etc.

(...)"

- Bij besluit van 20 december 2000, nr. 5601-3000-01-1, heeft verweerder met ingang van 1 januari 2001 maximumtarieven vastgesteld voor A29a- en A29b-instellingen voor het specialisme oogheelkunde. Daarbij zijn tevens maximumtarieven vastgesteld voor cataractoperaties.

- Dit besluit is in december 2000 toegezonden aan de betrokken zelfstandige behandelcentra. In de dat besluit begeleidende brief heeft verweerder ter toelichting onder meer opgemerkt dat de tarieven bij de tariefvaststelling zijn getoetst aan de vigerende beleidsregel V-3000-0.0-2, dat qua hoogte van de tarieven is aangesloten bij de Tarieflijst Instellingen zoals die voor ziekenhuizen geldt en dat de aanleiding tot verlenging van de geldigheidsduur van de van toepassing zijnde beleidsregel is gelegen in het feit dat nog geen onderbouwing van kostentarieven voor zelfstandige behandelcentra en daarmee gelijkgestelde instellingen tot stand is gekomen. Bij diezelfde brief heeft verweerder voorts medegedeeld dat hij in zijn vergadering van 20 november 2000 de zelfstandige behandelcentra en daarmee gelijkgestelde instellingen heeft toegevoegd aan de werkingssfeer van de - inmiddels goed-

gekeurde - beleidsregel "Wijziging Declaratiestructuur" (hierna: beleidsregel WDS), waarbij regels worden gegeven voor declaratie en onderlinge verrekening tussen instellingen voor uitbestede gezondheidsprestaties.

- Onder verwijzing naar de beleidsregel WDS heeft verweerder op verzoek van ZN bij besluit van 20 december 2000, nr. 5699-3000-01-1, maximumtarieven vastgesteld voor de A29a- en A29b-instellingen voor een aantal specialismen, waaronder het specialisme oogheelkunde, zulks met dien verstande dat maximaal de bedragen, vermeld achter de desbetreffende prestaties, zoals omschreven in de bijlage, in rekening mogen worden gebracht.

- Dit besluit is op 20 december 2000 toegezonden aan de NRPK, ZN en de KPZ. De inhoud van deze brief is nagenoeg gelijk aan die waarmee het tariefbesluit nummer 5601-3000-01-1 van diezelfde datum aan de zelfstandige behandelcentra is toegezonden.

- Vervolgens heeft verweerder naar aanleiding van de verzoeken van de NRPK van

23 oktober 2000, respectievelijk 26 oktober 2000, de besluiten genomen ten aanzien waarvan thans de verzoeken om een voorlopige voorziening zijn gedaan.

Omtrent het - lopende - ECD-onderzoek heeft de minister van VWS de NRPK, ZN en het Ctg bij brieven van 17 april 2001, met betrekking tot de in verband met de inschakeling van zelfstandige behandelcentra bij het verkorten van de wachtlijsten te nemen maatregelen, het volgende opgemerkt:

" De uitkomst van dat onderzoek kan aanleiding vormen tot herijking van de vigerende maximumtarieven. Herijking van de tarieven zonder dat daaraan een gedegen onderzoek ten grondslag ligt, is niet aan de orde."

Hieraan is in de aan de NRPK gerichte brief het volgende toegevoegd:

" Ik weet dat u het onderzoek heeft bekritiseerd, desondanks verwacht ik van u zowel een volledige openheid van zaken (transparantie) als een intensieve medewerking om het onderzoek ter voorbereiding van een eventuele herijking van de vigerende maximumtarieven medio mei te kunnen afronden. Het CTG heb ik verzocht bij de beoordeling van de resultaten van het onderzoek en bij de vertaling daarvan in beleidsregels een open oog en oor te hebben voor de bezwaren van de NRPK en deze bij de besluitvorming mede een rol te laten spelen."

3. De besluiten ten aanzien waarvan verzoeken om voorlopige voorzieningen zijn gedaan en het standpunt van verweerder.

Bij besluit I heeft verweerder het verzoek van de NRPK van 23 oktober 2000 afgewezen. Daartoe is het volgende overwogen:

" Dit tariefverzoek past niet binnen de vigerende beleidsregels. Uw verzoek wordt derhalve afgewezen. Zoals u bekend is, loopt er thans een onderzoek van de ECD bij de ZBC's. De gegevens uit dit onderzoek zullen door het CTG gebruikt worden om via het technisch overleg en vervolgens Kamer I beleidsregels tot stand te brengen."

Bij besluit II heeft verweerder het verzoek van de NRPK van 26 oktober 2000 afgewezen. Daartoe is het volgende overwogen:

" Zoals u bekend is, heeft het CTG al meerdere malen geconcludeerd dat het tarief A001 niet voor de ZBC's wordt afgegeven. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

Wij hebben de NRPK erop gewezen dat het tarief voor het eerste polikliniekbezoek alleen is geïntroduceerd voor ziekenhuizen om als objectieve registratiemaat te fungeren voor de toepassing van de functiegerichte budgettering. Het feit dat alleen het eerste bezoek gedeclareerd kan worden en niet alle bezoeken toont ook aan dat dit tarief geen kostendekking beoogt voor deze prestaties. De kostendekking wordt geacht plaats te vinden door de declaratie van de verrichtingen.

Zoals u bekend is, loopt er thans een onderzoek van de ECD bij de ZBC's. De gegevens uit dit onderzoek zullen door het CTG gebruikt worden om via technisch overleg en vervolgens Kamer I beleidsregels tot stand te brengen."

Hieraan heeft verweerder ter zitting nog het volgende toegevoegd.

Met betrekking tot de NRPK:

Tot 1 april 2001 was de NRPK aangewezen als representatieve organisatie van organen voor gezondheidszorg als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet. Deze aanwijzing is tot op heden niet verlengd, zodat de NRPK thans niet meer tot de in artikel 35 van de Wet beschreven kring van beroepsgerechtigden behoort. Aangezien degene die om een

voorlopige voorziening verzoekt gedurende de gehele procedure deze hoedanigheid moet hebben, wil het verzoek toegewezen kunnen worden, kan ten aanzien van de NRPK geen voorlopige voorziening worden getroffen.

Met betrekking tot het onder nr. AWB 01/200 geregistreerde verzoek om voorlopige voorziening:

Reeds gezien de omstandigheid dat niet is gebleken dat verzoeksters met verzekeraars de voor het 'wegwerken' van wachtlijsten noodzakelijke overeenkomsten hebben gesloten betreffende aanvullende productieafspraken voor de aanpak van wachtlijsten, ontbreekt het spoedeisend belang. Bovendien kan voor cataractoperaties thans, op basis van tariefbesluit nr. 5601-3000-01-1 en de Tarieflijst Instellingen, een tarief van fl. 1.018,- tot fl. 1.315,- (inclusief het tarief voor dagverpleging en exclusief honorarium) worden gedeclareerd.

De in het tariefverzoek van 23 oktober 2000 neergelegde berekening is onduidelijk en geeft geen inzicht in de werkelijke kosten van zelfstandige behandelcentra. Hierbij wordt aangetekend dat volgens diverse kostprijsberekeningen in het verleden de werkelijke kosten van een cataractoperatie fl. 600,- tot fl. 800,- (exclusief honorarium) bedragen.

Met betrekking tot het onder nr. AWB 01/201 geregistreerde verzoek om voorlopige voorziening:

Het tarief voor het eerste polikliniekbezoek betreft een louter administratief, uniform tarief, waarbij geen differentiatie plaatsvindt naar specialisme en dat op verzoek van de Wtg-partijen is ingevoerd per 1 januari 1992, omdat per die datum voor wat betreft de definitie "eerste polikliniekbezoek" voor de ziekenhuizen de aansluiting met de specialisten is losgelaten en vervangen door een eigen definitie met een eigen tarief. Aangezien de zelfstandige behandelcentra en daarmee gelijkgestelde instellingen geen gebudgetteerde instellingen zijn en de eerste polikliniekbezoeken niet behoeven te registreren, is vaststelling van een tarief voor eerste polikliniekbezoek voor deze instellingen niet aan de orde.

Verzoeksters hebben niet aannemelijk gemaakt dat dekking van de kosten van een eerste polikliniekbezoek via declaratie van de verrichtingen bij hen niet mogelijk is. Bovendien zou het vaststellen van een tarief voor eerste polikliniekbezoeken bij verzoeksters, zonder dat dat tarief bestemd is voor de administratie of registratie van de budgetparameter "eerste polikliniekbezoek", een vorm van dubbele dekking van de kosten betekenen.

Dat verzoeksters een acuut financieel probleem zouden hebben, omdat zij slechts de zogenoemde kaarttarieven kosten-out mogen declareren, is niet aannemelijk gemaakt. Hierbij is van belang dat de zelfstandige behandelcentra alle verrichtingen, met uitzondering van het eerste polikliniekbezoek, kunnen declareren. Omtrent de kaarttarieven kosten-out heeft verweerder in zijn pleitnotitie nog het volgende opgemerkt:

" Kosten-out-tarieven zijn geen kostentarieven, maar honorariumtarieven voor de specialisten. De honorariumtarieven zijn voor specialisten in ziekenhuizen en zbc's op gelijke wijze.

Het verschil tussen kosten-in en kosten-out-tarieven was voor oogartsen relatief groot, omdat het CTG voor extramurale oogartsen een tijdelijke inkomenstoeslag had verwerkt als 'noodverband' voor de onevenwichtigheid in de verrichtingenlijst. Dit noodverband is per 1 januari 2000 grotendeels vervallen, waardoor het verschil tussen kosten-in en kosten-out kleiner is geworden."

Wat dit laatste betreft heeft verweerder erop gewezen dat dit voor alle medisch specialisten gold en niet specifiek de zelfstandige behandelcentra heeft getroffen.

Met betrekking tot het spoedeisend belang:

Hierover heeft verweerder in zijn pleitnotitie onder meer het volgende opgemerkt:

" (...) Van een spoedeisend belang vanwege een financiële noodzaak is het CTG echter niets gebleken. Verzoekers hebben niet aangetoond, cijfermatig onderbouwd of zelfs maar aannemelijk gemaakt dat zij in (grote) financiële problemen komen wanneer zij niet, met onmiddellijke ingang, een tarief voor een eerste polikliniekbezoek en het gewenste tarief voor cataractoperaties in rekening kunnen brengen. Hetgeen door verzoekers is aangevoerd biedt geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat hun belangen zouden noodzaken tot het treffen van een voorlopige voorziening, hangende bezwaar. De hoorzitting is overigens gepland op 1 juni a.s waarna spoedig de beslissing op bezwaar zal worden genomen."

Wat dit laatste betreft heeft verweerder - desgevraagd - te kennen gegeven dat de beslissing op bezwaar uiterlijk op 13 juli a.s. zal worden genomen.

In het kader van de vraag naar de spoedeisendheid heeft verweerder er voorts op gewezen:

- dat de uitkomsten van het door de ECD en het CTG geïnitieerde onderzoek op korte termijn worden verwacht en dat deze uitkomsten mogelijk aanleiding geven de huidige tarieven te herijken, maar dat een aanpassing van de tarieven op dit moment, zonder dat daaraan een gedegen kostenonderzoek ten grondslag ligt, niet aan de orde is;

- dat verzoeksters, voorzover zij zich op het standpunt zouden stellen dat het ECD-onderzoek niet snel genoeg is afgerond, in grote mate zelf invloed hebben op de vraag wanneer het onderzoek is afgerond door eerder gegevens aan te leveren;

- dat door het niet honoreren van het op cataractoperaties betrekking hebbende verzoek geen financiële problemen kunnen ontstaan, aangezien het hierbij gaat om incidentele opbrengsten;

- dat de thans door verzoeksters overgelegde stukken, waarvan een deel bij verweerder bekend was, niet wijzen op de noodzaak tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorzieningen en dat het wat betreft de niet eerder aangeleverde bescheiden gaat om niet verifieerbare gegevens, waaruit geen direct spoedeisend (financieel) belang valt af te leiden;

- dat de onderhavige verzoeken om voorlopige voorziening, waarmee verzoeksters in feite vragen dat door de president tarieven worden vastgesteld, het bestek van een voorlopige voorzieningsprocedure te buiten gaat, aangezien feitelijk een onomkeerbare situatie ontstaat indien de verzoeken worden toegewezen;

- dat op 3 mei 2001 een overleg heeft plaatsgevonden tussen verweerder en de NRPK, waarbij is afgesproken dat het ECD-onderzoek wordt afgewacht.

4. Het standpunt van verzoeksters

Verzoeksters hebben ter ondersteuning van hun verzoek om voorlopige voorziening verwezen naar hetgeen zij in bezwaar tegen de besluiten ten aanzien waarvan zij om een voorlopige voorziening hebben verzocht, hebben aangevoerd. Die bezwaren houden - samengevat - het volgende in.

AWB 01/200

Verweerder had, gelet op de artikelen 4:82 en 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet mogen volstaan met verwijzing naar de toepasselijke beleidsregels, maar had moeten onderzoeken of er aanleiding was daarvan af te wijken. Aldus heeft verweerder gehandeld in strijd met de in artikel 3:46 van de Awb neergelegde eis dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Verweerder had de door de NRPK aangereikte gegevens betreffende de financiële positie van zelfstandige behandelcentra dienen te verifiëren en op basis daarvan een besluit moeten nemen.

Indien en voorzover in het aangevochten besluit tevens moet worden gelezen dat zelfstandige behandelcentra niet in aanmerking komen voor middelen die ter beschikking zijn gesteld voor het reduceren van wachtlijsten, is die beslissing niet conform de positie die de zelfstandige behandelcentra blijkens de toelichting bij de Regeling zelfstandige behandelcentra innemen. Bovendien is het besluit in zoverre discriminatoir.

Het aangevochten besluit is genomen in strijd met de eis dat een bestuursorgaan niet vooringenomen op een aanvraag beslist. Verweerder voert een beleid dat erop neerkomt dat zelfstandige behandelcentra in een financieel nadelige positie worden gehouden. Hieruit volgt dat in het onderhavige geval een besluit is genomen waarbij verweerder op onrechtmatige wijze van de aan hem toegekende bevoegdheden gebruik heeft gemaakt.

AWB 01/201

Het door de NRPK gewenste tarief dient ter dekking van kosten die daadwerkelijk worden gemaakt. Door het verzoek niet op die basis te beoordelen is verweerder afgeweken van de grondslag van de aanvraag een tarief vast te stellen en heeft aldus gehandeld in strijd met de Wet. Bovendien heeft verweerder de hem toekomende bevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is toegekend: uit uitlatingen van een werknemer van verweerder blijkt dat verweerder geen middel onbenut laat om zelfstandige behandelcentra te benadelen.

Verweerder wist dat de NRPK, bekend zijnde met verweerders standpunt dat het tarief voor een eerste polikliniekbezoek niet aan zelfstandige behandelcentra kan worden toegekend omdat het voor ziekenhuizen is geïntroduceerd als objectieve registratiemaat voor de toepassing van de functiegerichte budgettering, niet uitsluitend met een verwijzing naar het voor ziekenhuizen geldende tarief een verzoek om vaststelling van een tarief heeft ingediend, maar dat zij aan dat verzoek een zelfstandige en door verweerder ook als zodanig te waarderen grondslag heeft meegegeven. Door toch te verwijzen naar de achtergrond van het tarief ten behoeve van ziekenhuizen, heeft verweerder aan het aangevochten besluit een motivering gegeven die niet aansluit bij het tariefverzoek. Aldus heeft verweerder gehandeld in strijd met de in artikel 3:46 van de Awb neergelegde eis dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Bovendien blijkt uit deze verwijzing dat verweerder vooringenomen is jegens zelfstandige behandelcentra.

Het aangevochten besluit is in strijd met het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb; verweerder benadeelt de zelfstandige behandelcentra onevenredig door geen vergoeding vast te stellen voor activiteiten die daar consequent en standaard worden uitgevoerd. Voor die activiteiten, ter dekking waarvan het door de NRPK gevraagde tarief zou dienen, kan door de zelfstandige behandelcentra thans geen vergoeding worden gevraagd.

Hieraan hebben verzoeksters ter zitting - samengevat weergegeven - nog het volgende toegevoegd.

Onder de zelfstandige behandelcentra die de onderhavige verzoeken om voorlopige voorziening hebben ingediend, bevinden zich enerzijds centra die vrijwel uitsluitend van consulten afhankelijk zijn en anderzijds de 'oude' centra, waarvoor destijds een individueel kostentarief was vastgesteld. Eerstbedoelde zelfstandige behandelcentra doen vrijwel geen verrichtingen en deze centra hebben dan ook niets aan de voor zelfstandige behandelcentra vastgestelde kostentarieven, aangezien die tarieven uitsluitend verrichtingen betreffen. De tweede categorie zelfstandige behandelcentra is in inkomsten achteruit gegaan doordat in de tariefbesluiten met betrekking tot de honoraria van de medisch specialisten werd overgegaan van kosten-in naar kosten-out.

Verzoeksters hebben een daadwerkelijk spoedeisend belang: de financiële nood bij zelfstandige behandelcentra is ongekend hoog en door de aangevochten besluiten dreigen er onomkeerbare gevolgen, in de vorm van faillissementen van de zelfstandige behandelcentra, te ontstaan indien geen voorlopige voorzieningen worden getroffen. In dit verband wordt verwezen naar de producties die verzoeksters op 18 mei 2001 hebben overgelegd, te weten de brief van A van 15 december 2000 en de op de financiële positie van verzoeksters betrekking hebbende gegevens.

De toekenning van een tarief ter hoogte van het voor de ziekenhuizen geldende tarief voor eerste polikliniekbezoeken is de sleutel voor een oplossing van de financiële problemen van de zelfstandige behandelcentra. Van belang hierbij zijn de hiervoor bedoelde, in het kader van de voorlopige voorzieningsprocedure overgelegde, financiële gegevens, die overigens ook in bezwaar tegen de tariefbesluiten voor zelfstandige behandelcentra zijn overgelegd en door verweerder zonder deugdelijke motivering buiten beschouwing zijn gelaten.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 8: 81 van de Awb juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Dienaangaande overweegt de president het volgende.

5.2 In de eerste plaats constateert de president dat de NRPK thans geen representatieve organisatie is als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet, zodat toewijzing van de verzoeken om voorlopige voorziening te haren aanzien reeds hierom niet mogelijk is.

5.3 Ter zake van de verzoeken om voorlopige voorziening van de overige verzoekers overweegt de president als volgt.

5.3.1 Vast staat dat de belangen van verzoeksters louter financieel van aard zijn. Zoals de president al meermalen heeft overwogen, zijn dergelijke belangen op zichzelf geen reden om te oordelen dat sprake is van omstandigheden die nopen tot het treffen van een voorlopige voorziening. Hiervoor zou eerst aanleiding kunnen zijn, zo volgt uit de uitspraak van de president van 20 december 1996, nr. 96/1024/074/089 (UCB 1996/113), indien sprake is van een financiële noodsituatie waarin verzoeksters als gevolg van de door hen aangevochten besluiten van 13 februari 2001 zijn komen te verkeren.

Ter staving van hun stelling dat ten gevolge van die besluiten de financiële nood bij zelfstandige behandelcentra ongekend hoog is en er zelfs onomkeerbare gevolgen, in de vorm van faillissementen dreigen te ontstaan, hebben verzoeksters op 18 mei 2001 cijfermatige gegevens overgelegd aangaande de bij hen over het jaar 2000 te verwachten bedrijfsresultaten. Naar het voorlopig oordeel van de president is op basis van deze gegevens evenwel niet, althans onvoldoende, aannemelijk geworden dat de door verzoeksters gestelde financiële problemen nu juist door de gewraakte besluiten van

13 februari 2001 worden veroorzaakt.

5.3.2 Ter zitting is veeleer aannemelijk geworden dat verzoeksters, die zich kennelijk onderscheiden van andere zelfstandige behandelcentra, in die zin dat zij ofwel vrijwel uitsluitend afhankelijk zijn van consulten, ofwel behoren tot de oude categorie zelfstandige behandelcentra waarvoor destijds een individueel kostentarief was vastgesteld, zich thans in een situatie bevinden waarin onduidelijkheid bestaat met betrekking tot de kostenstructuur van zelfstandige behandelcentra. Om hier meer inzicht in te verkrijgen, zodat kan worden beoordeeld of de voor zelfstandige behandelcentra vastgestelde tarieven eventueel aanpassing behoeven, heeft verweerder binnen het ECD-onderzoek, waartoe de minister van VWS opdracht heeft gegeven, een onderzoek laten verrichten naar de werkelijke kosten van deze centra. Van belang hierbij is dat de uitkomsten van dit onderzoek op korte termijn beschikbaar zullen zijn en dat deze uitkomsten naar verwachting nog aan de orde zullen komen tijdens het, op handen zijnde, technisch overleg over tarieven voor zelfstandige behandelcentra, waarvoor de NRPK is uitgenodigd, en tijdens de voor 1 juni 2001 geplande hoorzitting in het kader van de bezwaarschriften-procedure.

Alles overziend moet de conclusie zijn dat, gezien de onduidelijke kostenstructuur van zelfstandige behandelcentra, de uitkomsten van het ECD-onderzoek betreffende de kostenstructuur van zelfstandige behandelcentra onontbeerlijk zijn voor de beoordeling van de onderhavige tariefverzoeken. De president volgt verzoeksters dan ook niet waar zij stellen dat hetgeen zij tot nu toe aan (financiële) gegevens hebben verstrekt, voor verweerder aanleiding had moeten zijn de onderhavige tariefverzoeken in te willigen.

5.3.3 Wat betreft het betoog van verzoeksters dat de besluiten ten aanzien waarvan de verzoeken om voorlopige voorziening zijn gedaan een deugdelijke motivering ontbeert, overweegt de president, in het voetspoor van vaste jurisprudentie op dit punt, als volgt.

Het enkele bestaan van motiveringsgebreken en mogelijke onvolkomenheden in de voorbereiding van verweerders besluiten brengt het treffen van een voorlopige voorziening hier op zichzelf niet dichterbij. Al aangenomen immers dat een op die punten bestaand gebrek, door verweerder bij de beslissingen op de bezwaarschriften niet of onvoldoende zou worden hersteld, maakt het vorenoverwogene het in ieder geval thans niet voldoende waarschijnlijk dat door de bodemrechter met een voor verzoeksters - in die procedure appellanten - materieel gunstig gevolg op eventuele tegen zodanige besluiten in te stellen beroepen zal worden beslist.

5.4 Gelet op het vorenoverwogene komt de president tot de conclusie dat, nu niet, althans onvoldoende, is gebleken dat nu juist als gevolg van de aangevochten besluiten van

13 februari 2001 de door verzoeksters gestelde financiële nood zo hoog is dat voorafgaande aan de beslissingen op bezwaar verstrekkende voorzieningen als door verzoeksters gevraagd zouden moeten worden getroffen, alsmede gezien de thans bestaande - mogelijk in het kader van de bezwaarschriftprocedure tot klaarheid te brengen - onduidelijkheden met betrekking tot de kostenstructuur van verzoeksters, de verzoeken om voorlopige voorziening moeten worden afgewezen.

5.5 Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten met toepassing van artikel 8:75 Awb ziet de president geen aanleiding.

6. De beslissing

De president wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr R.R. Winter, president, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2001.

w.g. R.R. Winter w.g. W.F. Claessens