Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2099

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/178, 00/179 en 00/181
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nrs. AWB 00/178, 00/179, 00/181 30 mei 2001

4000

Uitspraak in de zaken van:

1. A, te D, appellante in de zaak met procedurenummer AWB 00/178,

2. B, te D, appellante in de zaak met procedurenummer 00/179,

3. C, te D, appellante in de zaak met procedurenummer 00/181,

hierna gezamenlijk te noemen: appellanten,

gemachtigde: mr drs J.P. Kroon, werkzaam voor WLTO te Haarlem,

tegen

het Landbouwschap, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: M.E. Brug, werkzaam voor verweerder.

1. De procedures

Op 23 februari 2000 heeft het College van appellanten beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen besluiten van verweerder van 12 januari 2000.

Bij deze besluiten heeft verweerder het bezwaar dat appellanten hebben gemaakt tegen zijn besluiten van 5 september 1997 tot het opleggen van een aanslag Professionaliserings-heffing 1996 ongegrond verklaard, terwijl de desbetreffende heffing voor het jaar 1997 op nihil is gesteld.

Bij brief van 22 maart 2000 hebben appellanten het College verzocht om verweerder te gelasten tot afgifte aan appellanten van een tweetal overzichten van verweerder. Bij griffiersbrief van 28 maart 2000 heeft het College appellanten bericht geen aanleiding te zien hiertoe over te gaan.

Bij brief van 13 april 2000 hebben appellanten de gronden van hun beroepen ingediend.

Verweerder heeft op 6 juli 2000 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 6 april 2001 hebben appellanten een tweetal nadere producties aan het College toegezonden.

Op 18 april 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Hierbij hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader toegelicht.

2. De grondslag van de geschillen

2.1 Artikel 126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie (hierna: de Wbo) luidt voor zover te dezen van belang:

" 1. Bedrijfslichamen kunnen bij verordening aan degenen, die de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, drijven, heffingen opleggen. Deze verordeningen worden jaarlijks vastgesteld.

(...)

3. Het instellingsbesluit kan regelen stellen omtrent de op te leggen heffingen.

(...)

(...)"

Artikel 14, vijfde lid, van het Instellingsbesluit Landbouwschap (hierna: het Instellingsbesluit) luidt als volgt:

" Heffingen, waarvan de opbrengst een bijzondere bestemming heeft, kunnen worden opgelegd naar een grondslag, welke het bestuur van het Landbouwschap in verband met die bestemming passend acht."

In de door het bestuur van verweerder vastgestelde Heffingsverordening professionalisering personeelsbeleid (PBO-blad 1993, nr. 60; hierna: de Verordening) is het volgende bepaald:

"Artikel 2

Iedere ondernemer is, voor zover deze verordening daartoe strekt, aan het Landbouwschap jaarlijks een overeenkomstig de volgende bepalingen te berekenen bijzondere heffing verschuldigd ten behoeve van de financiering van stichtingen, die ten doel hebben het personeelsbeleid in de tuinbouw te verbeteren. Het Dagelijks Bestuur stelt de heffing vast met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde.

Artikel 3

1. De heffing wordt berekend naar het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering met dien verstande dat als maximumloon per dag wordt aangehouden anderhalf maal het maximumpremiedagloon in de zin van art. 9 lid 1 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

2. De heffing wordt voor het werkgebied van de in het vorige artikel bedoelde stichtingen vastgesteld en beloopt in een jaar ten hoogste 0,15% van het in het eerste lid bedoelde loon, dat door de werknemers in dat jaar is genoten."

In het door het dagelijks bestuur van verweerder vastgestelde Besluit uitvoering professionaliseringsheffing Aalsmeer e.o. (PBO-blad 1995, nr. 23; hierna: het Besluit) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

1. De heffing bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Heffingsverordening professionalisering personeelsbeleid wordt voor de ondernemers, gevestigd in het werkgebied van de Stichting Aalsmeer voor personeelsbeleid en -voorziening, vastgesteld op 0,15% van het in artikel 3, eerste lid, van deze verordening bedoelde loon.

(...)

Artikel 2

1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.

(...)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Aan appellanten zijn op grond van de Verordening bij facturen van 13 september 1997 heffingsaanslagen voor het jaar 1996 opgelegd ten bedrage van fl. 975,48 (appellante sub 1), fl. 1.226,95 (appellante sub 2) en fl. 988,70 (appellante sub 3).

- Appellanten hebben tegen deze aanslagen bezwaar gemaakt bij brieven van

17 oktober 1997.

- Verweerder heeft bij brieven van 3 december 1997 en 5 januari 1998 appellanten bericht dat de beslissing op het bezwaarschrift werd uitgesteld.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

De bestreden besluiten houden onder meer het volgende in:

"De Heffingsverordening professionalisering personeelsbeleid en het Besluit uitvoering professionaliseringsheffing Aalsmeer e.o. stellen de verschuldigdheid van de heffing niet afhankelijk van het profijt dat de individuele ondernemer al dan niet heeft of heeft gehad van de activiteiten van het Landbouwschap en/of de Stichting APV. Cliënte is aan de heffingsverordening gebonden door het enkele feit dat zij een tuinbouwbedrijf exploiteert en personeel in loondienst heeft. Op grond van het gegeven dat er in 1997 van de zijde van het Landbouwschap geen subsidie aan de Stichting APV is verstrekt, kan derhalve ook niet gesteld worden dat de heffingsplicht ontbreekt."

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van het beroep - kort en zakelijk weergegeven - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Verweerder heeft bij het nemen van het bestreden besluit een redelijke termijn overschreden. De door verweerder opgelegde heffing is niet gebruikt voor het doel met het oog waarop zij mocht worden opgelegd. Het gegeven geld is niet gebruikt voor professionalisering personeelsbeleid maar voor de afbouw van de Stichting APV. Aldus is de heffingsgrondslag komen te vervallen. Bij het nemen van de beslissing op bezwaar is derhalve onzorgvuldig gehandeld. De beslissing op bezwaar dient derhalve te worden vernietigd.

5. De beoordeling van de geschillen

Het College overweegt dat de aanzienlijke overschrijding van de beslistermijn niet meebrengt dat appellanten aanspraak konden maken op een voor hen gunstige beslissing op het bezwaarschrift.

Ingevolge artikel 126 van de Wbo kunnen bedrijfslichamen bij verordening aan degenen die de ondernemingen waarvoor zij zijn ingesteld, drijven, heffingen opleggen. Bij artikel 14, vijfde lid, van het Instellingsbesluit is bepaald dat bestemmingsheffingen kunnen worden opgelegd naar een grondslag, welke het bestuur van het Landbouwschap in verband met die bestemming passend acht. Artikel 2 van de Verordening bepaalt dat de ondernemer aan het Landbouwschap jaarlijks een overeenkomstig de verdere bepalingen van de Verordening te berekenen bijzondere heffing is verschuldigd ten behoeve van de financiering van stichtingen, die ten doel hebben het personeelsbeleid in de tuinbouw te verbeteren.

Gesteld noch gebleken is dat de Verordening of het Besluit in strijd zijn met een hogere rechtsregel of overigens in strijd met het recht zijn vastgesteld. Nu evenmin bestreden is dat de Stichting APV tot doel heeft het personeelsbeleid in de tuinbouw te verbeteren, dient de gevolgtrekking te zijn, dat de in geding zijnde heffingen ten behoeve van de financiering van deze Stichting in overeenstemming met de terzake geldende algemeen verbindende voorschriften zijn opgelegd. Dat de Stichting APV de door verweerder aan haar toegekende subsidie niet in 1996 zou hebben gebruikt voor het desbetreffende doel, doch pas in 1997, ter financiering van een "afbouwbegroting" doet hieraan niet af.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissingen

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr H.G. Lubberdink en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2001.

w.g. D. Roemers w.g. Th.J. van Gessel