Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2098

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/211
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 00/211 31 mei 2001

10720

Uitspraak in de zaak van:

A, te B en C, te D, appellanten,

gemachtigde: J.J. Weel, werkzaam bij Agri B.V., te Lijnden,

tegen

het Productschap Zuivel, gevestigd te Rijswijk, verweerder,

gemachtigde: mr F.G.P. Diermanse, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 8 maart 2000 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij namens hen beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 februari 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellanten tegen verweerders weigering de registratie ongedaan te maken van een tijdelijke overdracht van een referentiehoeveelheid (melkquotum) tussen appellanten.

Op 14 april 2000 en 26 mei 2000 hebben appellanten nadere stukken overgelegd.

Op 28 april 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2001, waar partijen hun standpunt nader hebben toegelicht, Tevens zijn verschenen A.P. van Houten, werkzaam bij verweerder, en R. Bouwes, werkzaam bij AgriW B.V.

Naar ter zitting toegezegd heeft verweerder op 25 april 2001 en hebben appellanten op

9 mei 2001 nog bepaalde nadere gegevens verstrekt.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 6 van Verordening ( EEG) nr. 3950/92 luidt:

" 1. De Lid-Staten staan elk jaar vóór een door hen vast te stellen datum en ten laatste op 31 december, de tijdelijke overdracht toe, voor de duur van het betrokken tijdvak van twaalf maanden, van de individuele referentiehoeveelheid die de producent die erover beschikt, niet voornemens is te gebruiken. De in artikel 4, lid 3, bedoelde referentiehoeveelheden komen evenwel tot en met 31 maart 1995 niet voor een dergelijke tijdelijke overdracht in aanmerking.

(...)

2. (...)"

Bij artikel 25, lid twee, van de Regeling Superheffing 1993, juncto artikel 21 van verweerders Zuivelverordening 1994 is bepaald dat een meldingsformulier voor een tijdelijke overdracht van melkquotum uiterlijk op 31 december van de betrokken heffingsperiode moet zijn ingediend bij verweerder.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Blijkens een "meldingsformulier tijdelijke overdracht fabrieksquotum 1999/2000", ondertekend december 1999, is 10.000 kg melkquotum dat in de quotumadministratie van verweerders Centrale Organisatie Superheffing (COS) is te naam gesteld van appellante A, tijdelijke overgedragen aan appellant C.

- Blijkens een schriftelijke verklaring, door appellanten ondertekend en bij brief van 21 januari 2000 aan verweerder toegezonden, zijn appellanten ontbinding van de overeenkomst tot bedoelde tijdelijke overdracht overeengekomen.

- Bij brief van 25 januari 2000 heeft verweerder appellanten medegedeeld dat de overeenkomst tot tijdelijke overdracht op 31 december 1999 bij de COS is ontvangen, dat verzoeken tot wijziging of ontbinding van dergelijke overeenkomsten vóór 1 januari ontvangen dienen te zijn en dat hij het verzoek van appellanten dus niet in behandeling kan nemen.

- Bij brief van 1 februari 2000 maken appellanten bezwaar tegen dit besluit.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

" De melding ter registratie in de heffingsperiode 1999/2000 van een tijdelijke overdracht van 10.000 kg fabriekquotum is vóór 1 januari 2000, derhalve binnen de voorgeschreven inzendtermijn, door de COS ontvangen.

Dit betekent dat de COS gehouden is om over te gaan tot registratie indien de tijdelijke overdracht ook overigens voldoet aan het gestelde in de regeling. Het beleid van de COS is dat met een door partijen ondertekende verklaring van ontbinding van een reeds aangemelde tijdelijke overdracht rekening kan worden gehouden mits de betrokken verklaring is ingediend vóór 1 januari."

Ter zitting heeft verweerder hier aan toegevoegd dat formulieren die vóór 1 januari bij de zuivelfabriek zijn ontvangen nog door hem worden geaccepteerd. Verder geldt dat de Europese regelgeving er uitdrukkelijk op is gericht dat overdracht van quotum vóór

1 januari dient plaats te vinden. Een ontbinding van een overeenkomst tot overdracht dient vóór 1 januari aan verweerder te worden voorgelegd. Gebeurt dit niet, zoals hier, dan kan die ontbinding niet meer in verweerders quotumregistratie worden verwerkt.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

" Naar aanleiding van de brief van de Centrale Organisatie Superheffing van het Productschap Zuivel d.d. 29 februari zie bijgevoegde kopie, waarin ons bezwaar namelijk de ontbinding van het lease-meldingsformulier nr. QL 187451 ongegrond wordt verklaard, tegen dit besluit willen wij beroep aantekenen.

De reden van afwijzing, zoals u kunt zien in de bijgevoegde brief, is omdat de verklaring van ontbinding niet voor 1 januari 2000 in bezit was van de Centrale Organisatie Superheffing. Aangezien dat de Centrale Organisatie Superheffing naar de betreffende verhuurder/huurder de ontvangstbevestiging op 14 januari heeft verstuurd, waren wij niet eerder op de hoogte van de administratieve fout, dat we aan de heer C. de Gier 20.000 kg. in plaats van de beoogde 10.000 kg. hadden toegedeeld.

Wij willen tegen het besluit beroep aantekenen (...)."

Ter zitting hebben appellanten onder meer nog aangevoerd dat verweerder wel degelijk verzoeken om quotumoverdracht in behandeling neemt die na 31 december bij hem zijn binnen gekomen.

Appellanten hebben bij brief van 8 mei 2001 bepaalde nadere gegevens verstrekt, die ter zitting van het College waren gevraagd, en bovendien onder meer nog de volgende vraag opgeworpen:

" Zoals u kunt zien op het lease-meldingsformulier nr. QL 187451, staat als vervreemder (tenaamstelling) ingevuld E, maar de quotumgerechtigde is mevrouw A. Kan de Centrale Organisatie Superheffing het betreffende formulier wel in behandeling nemen/verwerken als de tenaamstelling niet overeenkomt met de naam van de quotum-gerechtigde ? Kan de Centrale Organisatie Superheffing dan niet reageren of het inderdaad wel correct is ?"

5. De beoordeling van het geschil

Appellanten hebben verweerder in kennis gesteld van een overeenkomst tot ontbinding van een tijdelijke overdracht van melkquotum dat is te naam gesteld van appellante A. Appellanten hebben derhalve niet beoogd die tijdelijke overdracht te ontkennen, maar hebben de gevolgen hiervan bij nader inzien ongedaan willen maken. De enkele vraag die appellanten eerst bij hun brief van 8 mei 2001 en zonder enige gevolgtrekking tenslotte nog hebben opgeworpen, namelijk of verweerder wel is kunnen uitgaan van die tijdelijke overdracht, kan in dit geding niet aan de orde komen, omdat appellanten zelf die tijdelijke overdracht als uitgangspunt van hun bezwaar en beroep hebben genomen. Niet die tijdelijke overdracht is tussen partijen in geschil, maar de vraag of verweerder op goede gronden heeft geweigerd de overeenkomst tot ontbinding van die tijdelijke overdracht te registreren. Deze vraag, waartoe het College zich gelet op artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht zal beperken, beantwoordt het College bevestigend. Daartoe overweegt het als volgt.

Vaststaat dat de ontbinding van de overeenkomst tot tijdelijke overdracht na 31 december 1999 bij verweerder is ingediend. Derhalve heeft indiening plaats gevonden na de uiterste datum die hiervoor is bepaald ingevolge artikel 25, tweede lid, van de Regeling Superheffing 1993.

Het bepaalde bij artikel 6 van Verordening ( EEG) nr. 3950/92 laat verweerder geen mogelijkheden om na 31 december een tijdelijke overdracht van melkquotum toe te staan en derhalve een wijziging of ontbinding van een geregistreerde tijdelijke overdracht.

Met de mededeling dat verweerder wel degelijk na 1 januari door hem ontvangen overeenkomsten tot tijdelijke overdracht van melkquotum registreert beogen appellanten kennelijk een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel. Het concrete voorbeeld waarop appellanten zich beroepen heeft betrekking op een meldingsformulier tijdelijke overdracht dat via een melkfabriek door verweerder is ontvangen. Naar verweerder ter zitting heeft uiteengezet voert hij een beleid dat hij een meldingsformulier melding tijdelijke overdracht dat vóór 1 januari bij de melkfabriek is ontvangen, en vervolgens na 1 januari bij hem binnenkomt, nog in zijn quotumregistratie verwerkt. Wat er ook van dit beleid zij, vast staat dat de onderhavige ontbindingsovereenkomst op 21 januari 2000 rechtstreeks aan verweerder is toegezonden en derhalve niet vóór 1 januari van dit jaar bij de melkfabriek kan zijn ontvangen. Bijgevolg beroepen appellanten zich niet op een gelijk geval en kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds daarom niet slagen.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr M.J. Kuiper in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2001

w.g. M.J. Kuiper w.g. F.W. du Marchie Sarvaas