Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AB2016

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 01/406
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 01/406 23 mei 2001

11230

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

A, te Emst, verzoekster,

gemachtigde: mr P.A. Gijsbers, te Venray,

tegen

1. de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te Den Haag en

2. de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, te Rijswijk, hierna individueel en gezamenlijk aan te duiden als verweerder,

gemachtigde: mr G. de Goede, werkzaam bij het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te Den Haag.

1. De procedure

Bij besluit van 10 april 2001 heeft verweerder verzoekster onder verwijzing naar artikel 24 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Wet), medegedeeld dat alle evenhoevigen op het bedrijf van verzoekster op grond van artikel 2, onderdeel c, van het Besluit verdachte dieren (Besluit van 15 juli 1994, houdende regels betreffende verdachte dieren, Stb. 1994, 731, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 7 augustus 1998, Stb. 1998, 667, hierna: het Besluit) met ingang van die datum als verdacht van mkz worden aangemerkt. Tevens heeft verweerder verzoekster, onder verwijzing naar artikel 21, derde lid, van de Wet, medegedeeld dat hij het noodzakelijk acht dat alle evenhoevige dieren op het bedrijf van verzoekster worden gevaccineerd en dat deze gevaccineerde evenhoevige dieren, met uitzondering van de runderen, worden gedood, met dien verstande dat verzoekster nader zal worden bericht of ook de runderen op haar bedrijf zullen worden gedood.

Tegen dit besluit heeft verzoekster op 22 mei 2001 een bezwaarschrift ingediend.

Voorts heeft verzoekster bij verzoekschrift van 22 mei 2001 aan de president van het College verzocht bij wijze van voorlopige voorziening het hiervoor vermelde besluit te schorsen.

Op 23 mei 2001 heeft de president op dit verzoek om voorlopige voorziening beslist.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Voor de grondslag van het geschil zij verwezen naar het normatieve kader zoals dat is weergegeven in rubriek 2 van de uitspraak van de president van het College d.d. 27 april 2001, geregistreerd onder het nummer AWB 01/311 en AWB 01/320 en in rubriek 2 van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, alsmede van de mondelinge uitspraak van de president van het College d.d. 1 mei 2001, geregistreerd onder het nummer

AWB 01/332. Zowel voornoemde uitspraak van de president van het College van 27 april 2001, als voornoemd proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, alsmede de mondelinge uitspraak van de president van het College van 1 mei 2001 zijn aan deze uitspraak gehecht. Dit normatieve kader wordt hier geacht te zijn herhaald en ingelast.

2.2 In aanvulling op het vorenstaande gaat de president bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Door verzoekster worden twee schapen en vier geiten gehouden, die door verweerder als verdachte dieren worden aangemerkt. Het woonerf van verzoekster is gelegen buiten een straal van 2 kilometer rond een bedrijf waar een besmetting met mkz is vastgesteld.

- Vaccinatie van deze, als verdacht aangemerkte, dieren van verzoekster heeft plaatsgevonden op 11 april 2001.

- Verzoekster heeft tegen het desbetreffende tot haar gerichte besluit een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Op dit bezwaarschrift is door verweerder nog niet beslist.

3. Het standpunt van verzoekster

Het standpunt van verzoekster, zoals door haar vermeld onder de punten 1 en 2 in haar bezwaarschrift, is gelijk aan het standpunt van de verzoekers zoals weergegeven in rubriek 3 van voornoemde uitspraak van de president van het College van 27 april 2001 met het nummer AWB 01/311 en 01/320 en in rubriek 3 van voornoemd proces-verbaal, alsmede van de mondelinge uitspraak van de president van het College van 1 mei 2001, met het nummer AWB 01/332. Dit standpunt wordt hier geacht te zijn herhaald en ingelast.

Verzoekster heeft in de onderhavige zaak voorts aangevoerd dat het hier gaat om schapen en geiten die door haar als huisdieren worden gehouden en die door haar, verzoekster, nooit zullen worden verhandeld, uitgevoerd of voor consumptiedoeleinden, in welke zin dan ook, zullen worden afgestaan of gebruikt. Naar de mening van verzoekster heeft verweerder ten onrechte het onderhavige besluit genomen, nu de bedoelde dieren door haar als huisdieren en niet om bedrijfsmatige redenen worden gehouden. Dit klemt haars inziens te meer, nu er geen veterinair belang meer bestaat bij het doden van bedoelde dieren, daar deze geen bedreiging meer kunnen vormen voor andere dieren en/of de agrarische bedrijfssector.

Verzoekster heeft daarbij voorts betoogd dat zijdens verweerder ten onrechte geen voorzieningen dan wel maatregelen zijn getroffen in gevallen als hier, waarin huisdieren zijn betrokken. Naar de mening van verzoekster heeft verweerder bij afweging van deze belangen, niet in redelijkheid kunnen beslissen om over te gaan tot doding van de dieren.

Subsidiair heeft verzoekster betoogd dat zij bereid is om de nodige verplichtingen ter zake van bedoelde dieren, haar op te leggen door verweerder, aan te gaan en zij bereid is om de dieren te individualiseren. In dit kader heeft verzoekster aangevoerd dat controle op de naleving van de alsdan te stellen regels, alsmede op de dieren op zich eenvoudig is, aangezien alle dieren na vaccinatie zijn geregistreerd en de dieren te individualiseren zijn.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) juncto artikel 19, eerste lid van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Dienaangaande overweegt de president het volgende.

4.2. De president stelt vast dat bij uitspraak van 27 april 2001 in de gevoegde zaken met het nummer AWB 01/311 en 01/320, de verzoeken om een voorlopige voorziening van de daarin genoemde verzoekers sub 1 en 2, met - deels - dezelfde strekking als het onderhavige verzoek, zijn afgewezen.

De president stelt voorts vast dat bij uitspraak van 1 mei 2001 in de zaken met het nummer AWB 01/332, de verzoeken om een voorlopige voorziening van de daarin genoemde verzoekers, met - evenzeer deels - dezelfde strekking als het onderhavige verzoek, eveneens zijn afgewezen. Het ging in voornoemde procedures om besluiten van verweerder met een, wat betreft aard en strekking, gelijkluidende inhoud als dat waarvan hier eveneens schorsing wordt verzocht. Voorts betrof het in de zaken, geregistreerd onder het nummer AWB 01/332 bedrijven die allen zijn gelegen buiten een straal van 2 kilometer rond een bedrijf waar een besmetting met mkz is vastgesteld. Hier betreft het evenzeer een locatie die is gelegen buiten een straal van 2 kilometer rond een bedrijf waar een besmetting met mkz is vastgesteld.

Weliswaar verschilt de hiervoor bedoelde datum van het besluit met de data van de besluiten van de verzoekers in voornoemde procedures, doch voor de beoordeling van het geschil is dit verschil evenwel niet van belang.

Ter zake van de door verzoekster naar voren gebrachte argumenten in het bezwaarschrift onder punten 1 en 2, waarnaar in het verzoek om voorlopige voorziening wordt verwezen, overweegt de president als volgt.

De president stelt vast dat verzoekster in de onderhavige procedure dezelfde, althans vergelijkbare, argumenten aan de orde stelt die in de procedures geregistreerd onder de nummers AWB 01/311 en 01/320 en AWB 01/332 aan de orde zijn geweest.

Die argumenten hebben er, gelet op de daartoe leidende rechtsoverwegingen, niet toe geleid dat die verzoeken tot schorsing werden toegewezen.

Op grond van dezelfde overwegingen, waarnaar de president verwijst en die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd, komt het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening evenmin voor toewijzing in aanmerking.

Ter zake van de overige door verzoekster in de onderhavige procedure naar voren gebrachte argumenten overweegt de president als volgt.

Verzoekster heeft, kort samengevat, aangevoerd dat het hier om huisdieren gaat die door haar, verzoekster, nooit zullen worden verhandeld, uitgevoerd of voor consumptie-doeleinden, in welke zin dan ook, door haar worden afgestaan of gebruikt en verweerder gelet daarop, in alle redelijkheid, niet tot het onderhavige besluit heeft kunnen komen, hetgeen te meer klemt nu er geen enkel veterinair belang meer bestaat bij het doden van bedoelde dieren, daar deze geen bedreiging meer kunnen vormen voor andere dieren en/of de agrarische bedrijfssector.

Dienaangaande overweegt de president als volgt.

Met verwijzing naar voornoemde uitspraken van de president, is de president van oordeel dat ook hier is voldaan aan het in artikel 2, aanhef en onder c van het Besluit neergelegde criterium voor verdachtverklaring van deze evenhoevigen. Niet, althans onvoldoende, is gebleken dat de dieren van verzoekster zich in een zodanig bijzondere situatie bevinden dat deze dieren, ondanks hetgeen in voornoemde uitspraken is overwogen, niet als verdacht van mkz zouden kunnen worden aangemerkt.

Voorshands uitgaande van de rechtmatigheid van de verdachtverklaring, is de president, gelet op het vorenstaande, voorlopig van oordeel dat niet met vrucht kan worden gesteld dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot suppressieve vaccinatie en doding van de dieren van verzoekster.

Dat de betreffende dieren niet bedrijfsmatig doch als huisdieren worden gehouden, naar verzoekster heeft gesteld, doet, naar voorlopig oordeel van de president, aan het vorenstaande niet af en leidt derhalve niet tot het oordeel dat het onderhavige verzoek zou moeten worden toegewezen.

Wat betreft de veterinaire risico's van verspreiding en/of nieuwe uitbraken van het virus bestaat immers geen verschil tussen deze schapen en geiten en andere te doden schapen en geiten.

Voorts wordt bij dit oordeel betrokken dat de Beschikking, naar voorlopig oordeel van de president, er onmiskenbaar toe strekt dat de verspreiding van het mkz-virus zo effectief mogelijk wordt bestreden, waartoe algemeen beschermende maatregelen zijn getroffen.

De Beschikking maakt, gelet op de tekst en voornoemde strekking, geen enkel onderscheid naar de bestemming die door de eigenaren c.q. houders van de voor mkz-gevoelige dieren aan deze dieren wordt gegeven. De Beschikking ziet immers niet slechts op voorkoming van verspreiding van het mkz-virus bij voor mkz-gevoelige dieren voorzover deze dieren bedrijfsmatig en niet, zoals hier, naar verzoekster heeft gesteld, als huisdieren worden gehouden. Bovendien blijkt naar het oordeel van de president uit de Beschikking onmiskenbaar dat de Commissie doding van geënte schapen en geiten noodzakelijk acht. Gelet op de Beschikking bestaat er voor schapen en geiten geen mogelijkheid om aan de onderhavige maatregelen, doding na vaccinatie, te ontkomen, omdat zowel bij suppressieve vaccinatie als bij beschermende vaccinatie doding van de dieren waar het hier om gaat ingevolge de Beschikking is voorgeschreven.

Dit alles wordt niet anders door de door verzoekster voorgestelde verplichtingen die zij ten behoeve van de dieren zou willen aangaan en het individualiseren van deze dieren, reeds omdat aldus niet uitgesloten is dat de dieren van verzoekster een risicofactor blijven vormen bij de bestrijding van het virus.

Gelet op het vorenstaande is de president van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen. Bij een belangenafweging van marginale aard, zoals hier, dienen de belangen van verzoekster het af te leggen tegen het belang dat het virus niet wordt verspreid.

4.3 Het vorenstaande brengt de president tot het oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is en dat er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:83, derde lid, Awb uitspraak te doen.

De president acht geen termen aanwezig één der partijen onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek heeft moeten maken.

5. De beslissing

De president wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr R.R. Winter, president, in tegenwoordigheid van

mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2001.

w.g. R.R. Winter w.g. I.K. Rapmund